Kennismaking met kerkelijk recht/38

 

 

DE RECHTSPERSONEN IN DE KERK

 

 

Op verzoek van een lezer van onze website willen wij hier het bestaan behandelen van de rechtspersonen in de Kerk. In deze laatste kunnen namelijk niet alleen de gelovigen individueel handelen, rechten en  plichten hebben, maar ook een geheel van hen of een geheel van goederen kan een subject zijn van kerkelijk recht.

Evenals de civiele ordening voorziet het canonieke recht behalve in fysieke personen ook in de tegenwoordigheid van rechtspersonen.

De oude codex van de Kerk sprak naar analogie van het merendeel van de civiele wetboeken over “morele personen”. De huidige codex heeft daarentegen een onderscheid bepaald tussen “morele personen” en andere “rechtspersonen”. 

Morele personen en rechtspersonen

Morele personen vinden de oorsprong van hun “persoonlijkheid” in een goddelijke beschikking die de canonieke ordening zelf te boven gaat. Zij hebben een eigen subjectiviteit krachtens de wil van de Heer en vragen niet om een erkenning van het recht of van het kerkelijk gezag. Zij gaan vooraf aan de juridische ordening die het leven van de Kerk regelt. In dit geval betreft het de katholieke Kerk en de Apostolische Stoel (can. 113).

Alle andere rechtspersonen worden daarentegen gecreëerd door een beschikking van de Kerk. Zij zijn subject van recht, eigenaar van rechten en plichten die met hun eigen aard overeenkomen en verschillen van die van fysieke personen; zij hebben een eigen subjectiviteit, vastgesteld door het kerkelijk gezag, en een eigen, met de zending van de Kerk overeenkomende doelstelling, die niet kan worden geïdentificeerd met de doelstellingen van de betreffende individuele personen.

Binnen de rechtspersonen onderscheidt men twee soorten: een geheel van zaken waarbij de juridische subjectiviteit wordt gevormd door materiële en geestelijke goederen (dit is bijvoorbeeld het geval bij stichtingen waarvan de goederen tot doel hebben activiteiten zoals ziekenhuizen, scholen, plaatsen voor de eredienst enz. te bevorderen), en een geheel van tenminste drie fysieke personen die een kerkelijke doelstelling nastreven (can. 115)[1].

Derhalve zijn geen rechtspersonen de vormen van vereniging van meer personen die niet een werkelijke “subjectiviteit” hebben, onderscheiden van die van individuen die er deel van uitmaken, of die juridische als zodanig niet erkend zijn.

De oprichting van een rechtspersoon

Een rechtspersoon in de Kerk bestaat of krachtens een goddelijke beschikking (de katholieke Kerk en de Apostolische Stoel), of door een beschikking van het canonieke recht, of krachtens verlening bij decreet door het bevoegde kerkelijke gezag (can. 114, § 1).

Door canonieke beschikking opgerichte rechtspersonen zijn bijvoorbeeld seminaries, bisdommen, kerkprovincies, bisschoppenconferenties, parochies, instituten van godgewijd leven enz.

Om een rechtspersoon op te richten is het noodzakelijk dat het geheel van personen (of goederen) doelstellingen hebben die de doelstellingen van enkelingen overstijgen, conform de zending van de Kerk.

Het beslissende element voor het bestaan van een rechtspersoon, of het nu een geheel van personen, of van zaken betreft, is nu juist de kerkelijke doelstelling ervan (apostolaat, werken van barmhartigheid of liefdewerken, geestelijke of wereldlijke werken enz.). Bovendien moeten het kerkelijk nut en de beschikbaarheid van voldoende middelen om de eigen doelstellingen na te streven ervan in personen en goederen erkend zijn.

De controle van de doelstelling, het nut en de middelen van de rechtspersonen, opgericht door een beschikking van het recht, wordt geëffectueerd door de canonieke ordening zelf in de act van de oprichting die automatisch de rechtspersoonlijkheid toekent. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk een bisdom of een parochie op te richten die tegelijkertijd niet een rechtspersoon is.

Voor andere rechtspersonen, gecreëerd krachtens verlening van het kerkelijk gezag, zijn de kerkelijke doelstelling, het nut en de passende middelen onderwerp van controle en het toekennen van de rechtspersoonlijkheid geschiedt door middel van een bestuurlijk decreet.

De noodzaak van de goedkeuring van de statuten van de rechtspersoon door het gezag van de Kerk wordt gelegitimeerd door de eis te controleren of de doelstelling ervan overeenkomt met de zending van de Kerk (vgl. can. 117).

Publieke en private rechtspersonen

Wanneer een rechtspersoon handelt “in naam van de Kerk” door daaraan toevertrouwde doelstellingen te verrichten voor het algemeen welzijn, wordt hij “publiek” genoemd (dit is bijvoorbeeld het geval bij bisdommen, bisschoppenconferenties, parochies, instituten van godgewijd leven, publieke verenigingen van gelovigen...); wanneer daarentegen een dergelijke voorwaarde niet aan de orde is, wordt de rechtspersoon “privaat” genoemd (can. 116).

In een publieke rechtspersoon kan door de canonieke ordening worden voorzien of deze kan worden ingesteld met een act van oprichting door het gezag, terwijl de private rechtspersoon alleen maar door een decreet kan worden opgericht.

Een rechtspersoon is op zich blijvend en houdt ook niet met het minder worden van de leden ervan op te bestaan. Het opheffen ervan kan geschieden met een bijzondere beschikking van het bevoegde gezag, of met het daadwerkelijk niet actief zijn gedurende honderd jaar. Alleen private rechtspersonen kunnen bovendien worden opgeheven, omdat zij volgens de statuten opgehouden hebben te bestaan.

Of het nu een geheel van personen of van zaken betreft, de rechtspersoon heeft een of meer fysieke personen nodig die hem vertegenwoordigen en handelen in zijn naam, binnen de door het canonieke recht en de eigen statuten gestelde grenzen.

Ten slotte dient men voor ogen te houden dat een rechtspersoon in de Kerk dit niet automatisch wordt op het vlak van de civiele verordeningen. Om als rechtspersoon binnen een staat te handelen (om bijvoorbeeld eigenaar van goederen te zijn) is civiele erkenning noodzakelijk van de canonieke rechtspersoonlijkheid. Dit laatste is gemakkelijker te verkrijgen waar er een concordaat tussen staat en Kerk bestaat. Het is daarentegen niet altijd gemakkelijk in veel landen waar een dergelijke overeenkomst niet bestaat en waar het dubbele, canonieke en civiele, bestaan van kerkelijke rechtspersonen de oorzaak is van niet weinig moeilijkheden[2].

Silvia Recchi

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

______________________

[1] In dit geval onderscheidt men tussen “collegiale” rechtspersonen, als de activiteit door de leden die ertoe behoren, wordt bepaald, ook al is dit op ongelijke wijze (bijv. een vereniging), en “niet-collegiale”, wanneer zij worden geleid door individuele fysieke personen (bijv. een parochie).

[2] Vgl. Corso istituzionale di diritto canonico. A cura del Gruppo Italiano Docenti di Diritto Canonico, Ancora, Milano 2005, 90-92; L. Vela - F.J. Urrutia, Persona giuridica, in Nuovo Dizionario di Diritto Canonico. A cura di C. Corral Salvador - V. De Paolis - G. Ghirlanda, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 1993, 795-799.


16/09/2014