Kennismaking met kerkelijk recht/29

 

HET ”GEMENGDE” HUWELIJK/1

 

Door de ontwikkeling van de communicatie, de massamigratie, de toename van de vluchtelingen die in groten getale uit niet-katholieke landen naar traditioneel katholieke landen komen, heeft de huidige wereld het aantal gemengde huwelijken aanzienlijk zien toenemen.

In het recht van de Kerk is een “gemengd” huwelijk een huwelijk dat wordt gesloten tussen twee gedoopte personen, van wie de één is gedoopt in de katholieke Kerk of daarin is opgenomen, terwijl de ander tot een Kerk of kerkgemeenschap behoort waarvan de geldigheid van het doopsel wordt erkend, maar die niet een volle gemeenschap heeft met de katholieke Kerk. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de orthodoxe en protestantse Kerken[1].

Een moeilijk pastoraal probleem

Het gemengde huwelijk vormt een moeilijk en complex probleem, waaraan de Kerk altijd bijzonder aandacht heeft geschonken en een bijzondere pastorale zorg heeft gewijd vanwege de talrijke theologische, juridische en pastorale aspecten die het met zich meebrengt. De Kerk ziet daarin immers behalve een mogelijk belemmering voor de volle gemeenschap in het huwelijksleven een gevaar voor het geloof van de katholieke partij en de katholieke opvoeding van de kinderen die uit een dergelijk huwelijk worden geboren.

Het feit dat één van de beide echtgenoten een niet-katholiek gedoopt iemand is, is geen beletsel in canonieke zin. De “ongeldigmakende beletselen” maken de gelovigen onbekwaam een geldig huwelijk in de katholieke Kerk te sluiten. Deze verwijzen naar bijzondere persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een huwelijk tussen bloedverwanten of met personen die reeds een kerkelijk huwelijk hebben gesloten of publieke geloften hebben afgelegd in een religieus instituut enz.

Om redenen echter die wij hebben uiteengezet, wordt er voor de sluiting van een gemengd huwelijk een voorafgaand verlof gevraagd, dat wil zeggen een toestemming, een toelating van de kerkelijke autoriteit.

De plaatselijke Ordinaris, die naar zijn prudent inzicht een goede en verantwoorde reden ziet voor de viering van het huwelijk, kan zijn verlof verlenen met inachtneming van enkele voorbehoudsclausules of voorwaarden die de Codex bepaalt (vgl. can. 1125). Het nalaten van deze toelating zou ongeoorloofdheid met zich meebrengen, dat wil zeggen het ontbreken van conformiteit aan de normen van de Kerk. Dit maakt het huwelijk echter niet ongeldig.

De door de Codex gevraagde voorwaarden voor het gemengde huwelijk eisen dat de katholieke partij verklaart bereid te zijn eventuele gevaren voor zijn geloof af te wenden en al het mogelijke te doen dat de kinderen worden gedoopt en opgevoed in het katholieke geloof. De niet-katholieke partij moet van deze intenties op de hoogte worden gebracht.

De normen van de bisschoppenconferenties

Om een zekere uniformiteit van criteria te bevorderen in de formulering van de verklaringen en beloften van de kant van de katholieke echtgenoot (echtgenote), vertrouwt het canoniek recht aan de bisschoppenconferentie de taak toe om de concrete bepalingen ervan vast te stellen.

De Belgische bisschoppenconferentie heeft een aantal normen uitgevaardigd ter aanvulling van de normen van de Codex[2].

Het is de zorg van de katholieke bedienaar om tijdens een gesprek met de katholieke partij de door de Codex gestelde voorwaarden te bespreken en schriftelijk vast te leggen.

De Belgische bisschoppenconferentie heeft hierover het volgende bepaald: “In de plaats van de vroegere schriftelijke verklaring, af te leggen door de katholieke partner inzake doop en opvoeding van de kinderen, zal de priester voortaan bij het aanvragen van de dispensatie over het huwelijksbeletsel, aan de bisschop een verslag overmaken – en dit met medeweten van de verloofden – over het gesprek en over de opgenomen verplichting. … Mocht de niet-katholieke partner bij dit voorbereidend gesprek niet aanwezig kunnen zijn, dan zal hij (zij) toch op de hoogte gebracht worden van deze belofte van trouw aan het katholiek geloof en de verplichtingen die er in het gezin uit voorvloeien”[3].

In dit gesprek zal de katholieke bedienaar “de katholieke partner herinneren aan de ernstige verplichting om het katholiek geloof trouw te blijven en ervoor te zorgen – voor zover dit van hem (haar) afhangt - dat de kinderen in de katholieke Kerk worden gedoopt en opgevoed”[4].

De katholieke verloofde zal ten overstaan van de katholieke bedienaar beloven dat hij (zij) bereid is de risico’s van het opgeven van het eigen geloof te vermijden en al het mogelijke te doen dat de kinderen worden gedoopt en opgevoed in de katholieke Kerk.

In zijn verslag zal de katholieke bedienaar verklaren dat de niet-katholieke echtgenoot (echtgenote) hierover is ingelicht en zich bewust is van deze beloften. Dit verslag over het gesprek met de katholieke partij en de vermelding dat de niet-katholieke partij ingelicht is, wordt vervolgens voorgelegd aan de plaatselijke Ordinaris, samen met de vraag om verlof voor het gemengde huwelijk.

Het is de zorg van de katholieke bedienaar dat beide verloofden worden geïnstrueerd over de wezenlijke eigenschappen van het christelijk huwelijk zoals eenheid (monogamie), trouw, onontbindbaarheid, en over de institutionele doeleinden ervan, zoals bijvoorbeeld de opvoeding van de kinderen die uit het huwelijk worden geboren; eigenschappen en doeleinden moeten niet worden uitgesloten in hun consensus. Geen van beide partners “mag deze doeleinden of eigenschappen uitsluiten”[5].

De taak van de pastoor

De pastorale functie die de pastoor geroepen is uit te oefenen, is van bijzonder belang. Gedurende de huwelijksvoorbereiding moet hij de niet-katholieke partner naar een doopbewijs vragen en vaststellen dat hij (zij) vrij is om te trouwen, d.w.z. dat hij (zij) nooit een voorafgaand huwelijk heeft gesloten.

De pastoor moet ook zorgen voor de gebruikelijke canonieke bekendmakingen in de parochie van de woonplaats van de katholieke partij.

Met het oog op de viering van een gemengd huwelijk vraagt de Kerk dat haar bedienaren bijzondere zorg hebben voor de voorbereiding van de echtgenoten; zij moeten worden geholpen de moeilijkheden te leren kennen die er kunnen ontstaan in het huwelijksleven tussen personen die niet zijn verbonden door de band van hetzelfde geloof en dezelfde kerkgemeenschap.

Silvia Recchi

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)


________________________ 

[1] In de praktijk betreft het interconfessionele huwelijken, die men moet onderscheiden van huwelijken van “verschil in eredienst”, dat wil zeggen interreligieuze huwelijken, die een katholieke partij en een niet-gedoopt iemand verenigen. Deze laatste situatie vormt een werkelijk canoniek “beletsel” en voor de viering van het huwelijk is “dispensatie” van het beletsel nodig door de kerkelijke autoriteit.

[2] Vgl. Tweede Decreet van de Belgische bisschopconferentie inzake aanvullende normen bij het Wetboek van Canoniek Recht (26 oktober 1986). Dit decreet neemt de normen van de Nota’s over van de Bisschoppen van België van 12 oktober 1970 en 9 juni 1971, gepubliceerd in Orde van dienst van de liturgie van het huwelijk. Onder de verantwoordelijke redactie van de Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg, Licap, Brussel 1981, 23-30.

[3] Bisschoppen van België, Nota’s (12 oktober 1970), in Orde van dienst van de liturgie van het huwelijk…, 25.

[4] Bisschoppen van België, Nota’s (12 oktober 1970), in Orde van dienst van de liturgie van het huwelijk…, 25.

[5] Bisschoppen van België, Nota’s (12 oktober 1970), in Orde van dienst van de liturgie van het huwelijk…, 25.

 

03/02/2014