Kennismaking met het godgewijde leven/15

 

 

GEEN ‘OUDE VRIJSTERS’, MAAR MOEDERS

Paus Franciscus aan de Algemene Oversten

 

Op 8 mei 2013 richtte paus Franciscus zich tot de Unie van Internationale Algemene Oversten (UISG), die vergaderden rond het thema: “Dienst van het gezag volgens het Evangelie[1].

De paus legde hun “drie eenvoudige gedachten” voor. Hij vatte ze samen in de termen: aanbidden, dienen en “meeleven” met de Kerk.

De Toespraak van de paus gaf een synthese van de grote pijlers die het leven als godgewijde onderbouwen. In zijn persoonlijke stijl en in zijn directe taal maakte hij haar actueel.

Een leven van aanbidding

De kern van de persoon van Christus is de eerste pijler van het godgewijde leven, herhaalde de paus. Dat vraagt een onafgebroken exodus om de wil van God te volgen en zich los te maken van zijn persoonlijke projecten, criteria en van zijn ‘ik’. ‘Aanbidden’ is een weg, een fundamentele houding die voor alles komt. Zij wordt gerealiseerd in een progressieve ontlediging van zichzelf. Aanbidden betekent dat je die centrale plaats van Christus zelf beleeft en anderen daartoe oproept. Het betekent de evangelische identiteit beleven die eigen is aan godgewijde personen.

Deze houding van aanbidden wordt hoofdzakelijk uitgedrukt door de praktijk van de evangelische raden: gehoorzaamheid, armoede en kuisheid, die de hoekstenen vormen van elk godgewijd leven.

Gehoorzaamheid begint ermee dat je luistert naar de wil van God. De vervulling ervan wordt reëel in de aanvaarding van zijn menselijke bemiddeling. De paus herinnerde er verder aan dat de dialectiek gezag-gehoorzaamheid het hart vormt van het mysterie dat de Kerk is.

Zeker, de godgewijde personen zijn niet geroepen om God meer te gehoorzamen dan andere gelovigen. Iedereen is aan God onderwerping verschuldigd. Het specifieke van hun leven is dat zij effectief gehoorzamen door een zekere bemiddeling te aanvaarden. Deze bemiddeling is gebaseerd op de charismatische oorsprong van de religieuze familie en worden concreet in de constituties van het Instituut, in het broederlijk samenleven van de leden en in het optreden van de oversten. Die zijn ertoe geroepen om hun gezag uit te oefenen in overeenstemming van de gave van de Heilige Geest. Zij moeten ook de  fundamentele rol van bemiddeling vertegenwoordigen. Zo wordt de wil van God bemiddeld in het kader van het evangelisch project van het Instituut.

Armoede – herinnerde paus Franciscus opnieuw – is eerst en vooral vertrouwen op God, op zijn project en zijn Rijk vanuit het bewustzijn dat deze niet opgebouwd worden door menselijke middelen.

Armoede mag niet herleid worden tot een theorie. Je “leert ze beleven door het lichaam van de arme Christus aan te raken in de nederige, en arme mensen, de zieken, de kinderen”; kortweg in al diegenen die existentieel gemarginaliseerd worden.

De Heer wordt ook aanbeden door het kostbaar charisma van de heilige kuisheid te beleven als gave van zichzelf aan God en de anderen. Zo wordt kuisheid vruchtbaar en worden er op geestelijke manier kinderen geboren in de Kerk. “De godgewijde persoon is moeder, moet een moeder zijn en geen ‘oude vrijsters’. Vergeef mij dat ik zo spreek. Maar het is belangrijk dat ze godgewijde moeder is, en vruchtbaar is”.

Door haar kuisheid wordt de antropologische dimensie van de godgewijden op Christus georiënteerd. Hij is niet onder de mensen gekomen om een natuurlijke vruchtbaarheid te beleven. Hij is vlees en bloed geworden om zich totaal te geven en daardoor Bruidegom te zijn.

In een directe en volkse taal doorliep paus Franciscus dan de voornaamste elementen van de basisgrammatica van elke professie van de evangelische raden.

Gezag dat dient

Tweede “eenvoudige gedachte” die door de paus aan de Algemene Oversten werd aangeboden is het aspect “dienen”. Dienen is kenmerkend voor het gezag door religieuzen uitgeoefend.

Ook op dit punt drukt hij zich uit in een heel concrete stijl. Voor mensen is ‘autoriteit’ dikwijls synoniem van overheersing, macht en bezit. In de visie van het evangelie is zij echter een dienst van nederigheid en liefde. Daardoor slaagt zij er in te leven in de geest van Jezus. Hij vond zich niet te goed om de voeten van zijn apostelen te wassen en zijn leerlingen uit te nodigen om dienaars te zijn, om ‘de laatsten’ te zijn om ‘de eersten’ te worden in zijn Koninkrijk.

In zijn Toespraak aarzelde de paus niet om met grote vrijheid te spreken over de schade die alle mannen en vrouwen “die carrière zoeken, diegenen die hoger willen geraken en daartoe het volk, de Kerk, hun broers en zusters gebruiken als springplank gebruiken voor hun persoonlijke interesse en ambitie in plaats van hen te dienen”.

Er is tenslotte nog een ander aspect dat in de Toespraak bijna niet werd opgeroepen en nochtans belangrijk is om te onderlijnen. Als het echte gezag ligt in het dienen van de anderen, “bereikt dit ‘dienen’ haar lichtend hoogtepunt op het Kruis”.

Dienen is nooit de realisatie van een eenvoudig programma van humanitaire prestaties aan arme mensen, of aan om het even welke andere. Het is altijd ‘dienen’ in de orde van de evangelische waarheid, in de orde van de liefde. En dit komt neer op liefhebben zoals de Gekruisigde Christus heeft liefgehad.

Deze band met het mysterie van de Heer is dus de basis van ‘dienen’ opdat ‘dienen’ effectief zou worden. Daarom gaat de houding van aanbidding elk dienen vooraf, komt er noodzakelijk uit voort en vindt haar echte wortels in haar.

“Meeleven” met de Kerk

Als derde punt gaf de paus “de verbondenheid met de Kerk” als aandachtspunt mee aan de Algemene Oversten. Hij noemde haar een constituerend element van het godgewijde leven.

Het godgewijde leven is een “fundamenteel charisma voor de weg van de Kerk”. Het is deel van haar hart zelf en drukt haar diepste natuur uit. Het godgewijde leven behoort de Kerk niet toe als een eenvoudig decoratief element, maar als fundamentele pijler van haar bestaan. Daarom is het belangrijk om de leden van de religieuze gemeenschappen te vormen in deze echt diepe kerkelijke dimensie van hun leven en hun zending.

“Wat zou de Kerk zijn zonder jullie? Zij zou moederlijkheid, affectie, tederheid en de intuïtie van een moeder missen”, besloot de paus toen hij zich tot de deelnemers richtte.

De eenvoudige en diepe Toespraak waardoor de paus de voltallige vergadering van de Unie van de Algemene Oversten stimuleerde, maakt de waarden die het godgewijde leven al altijd karakteriseren, heel concreet en actualiseert de betekenis van haar missie in de Kerk van onze tijd.

 

Silvia Recchi

(Vertaald uit het Frans door Zr. Marie-Guy Bodson, Zrs. Kindsheid Jesu)


________________________

[1] Vgl. Paus Franciscus, Toespraak tot de deelnemers aan de voltallige vergadering van de Unie van Internationale Algemene Oversten (U.I.S.G.), op 8 mei 2013.


02/07/2013