Interviews/12



 

HET GELOOF DELEN MET VREUGDE


Mgr. Clemens over het pan-Afrikaans Congres van de Katholieke Leken



Wij presenteren hier het interview met Mgr. Joseph Clemens, dat werd gegeven aan het einde van de werkzaamheden van het pan-Afrikaans Congres van de Katholieke Leken in Yaoundé (4-9 september 2012) en dat een antwoord heeft gegeven op enkele vragen, onder andere over een eerste evaluatie van hem van het verrichte werk.

 


 

* Excellentie, in uw toespraak op het Congres heeft u ons een diepgaande nieuwe interpretatie van de exhortatie Christifideles laici geboden en daarbij ons heel de actualiteit van dit document laten zien. De congresgangers hebben bijzonder de hoofdlijnen van uw toespraak gewaardeerd; sommigen hebben meer in het bijzonder een probleem van "doelstellingen" naar voren gebracht die de leken van het Afrikaanse continent moeten bereiken, en van "methodes" die men moet gebruiken om deze te bereiken, opdat de identiteit en de zending van de leek op het continent doeltreffender zichtbaar worden gemaakt.

In mijn toespraak heb ik vóór alles het wezenlijke feit willen onderstrepen dat de nieuwheid van leven uit het doopsel voortkomt. Ik heb herinnerd aan dit essentiële fundament dat voor zoveel personen een vergeten gebeurtenis is of iets dat te vanzelfsprekend is. Zeker, er zijn vervolgens de andere sacramenten, zoals het vormsel, de eucharistie ... die ons ten volle in het leven en de zending van de Kerk opnemen, maar het doopsel is de poort die een opening geeft naar het nieuwe leven. God verrijkt zijn Kerk met talrijke gaven, die moeten worden aanvaard, beleefd en doorgegeven, zoals wij vandaag kunnen zien in de kerkelijke bewegingen, in de nieuwe gemeenschappen, zonder de grote religieuze ordes te vergeten; maar alles begint met het doopsel.

Als wij het hebben over "doelstellingen" die moeten worden bereikt voor de leken van het continent, dan blijven die altijd binnen de verplichting om God en de naaste op concreet gebied lief te hebben. Dit lijkt op zich iets vanzelfsprekends, maar in werkelijkheid is het dat niet, omdat het niet alleen maar een theoretische uitspraak betreft. Als wij deze verplichting om lief te hebben in de praktijk vertalen, staan wij voortdurend tegenover beslissingen die moeten worden genomen, en keuzes die ook moeilijk te maken zijn. De identiteit van ieders leven laat zich omschrijven op basis van genomen beslissingen en gemaakte keuzes. Tegen zoveel jongeren die mij raadplegen en mij vragen: "Hoe kan ik het christelijk geloof in mijn leven vertalen?", herhaal ik dat men bij iedere beslissing zich moet afvragen wat Jezus zou doen, welke keuze hij zou maken; men moet altijd zien wat prioriteit heeft in de relatie met Hem en de naaste. Wij allen, bisschoppen en gelovigen van iedere categorie, wij moeten ons deze vraag voortdurend stellen en niets als vaststaand beschouwen; het te bereiken doel vertaalt zich vervolgens vanzelfsprekend in zeer veel stappen die concreet en consequent moeten worden gezet.

Voor wat de "methodes" betreft die moeten worden gebruikt om de doelstellingen te bereiken die men zich heeft gesteld, herinner ik graag aan wat de Heilige Vader Benedictus XVI heeft gezegd over de wegen die naar God leiden. Ieder moet zijn weg vinden en de wegen zijn talrijk. Een toetsing alle "methodes" en al deze wegen is te vinden in de leer van de Kerk, in haar onderscheiding van gaven, ambten en charisma's. In de nieuwe gemeenschappen, in de kerkelijke bewegingen zien wij veel modellen van christelijk leven, maatschappelijk engagement, spiritualiteit, maar alles moet leven in de Kerk. Een authentiek geloof en een kerkelijke gemeenschap blijven de criteria voor alle modellen en alle activiteiten van apostolaat in de specificiteit en rijkdom van elk daarvan.

* Een probleem dat tijdens het Congres naar voren is gebracht is dat van de relatie tussen de lekengelovige en de pastoor in het leven van de parochies, een relatie die soms conflictueus is en die in Afrika uiteindelijk vaak de inbreng van de lekengelovigen in de kerkelijke gemeenschappen benadeelt.

Over dit probleem is de synode van '87 al gegaan; vervolgens heeft het nadenken hierover zich nog meer verdiept met een instructie uit 1997, opgesteld door meerdere Romeinse dicasteries, waaronder de Pauselijke Raad voor de Leken. Het document gaat nu juist over de samenwerking tussen priesters en leken en wil nauwkeurige richtlijnen schetsen om een doeltreffende samenwerking van niet gewijde leken te garanderen met inachtneming van de grenzen die door de aard van de sacramenten en de diversiteit van de charisma's en de kerkelijke functies vaststaan. De Instructie wil een begrip bevorderen voor de kerkelijke discipline, die in het perspectief van de kerkelijke gemeenschap de rechten en plichten van allen wil bevorderen. De niet gewijde leken kunnen, zoals in talrijke gevallen in feite gebeurt, met groot nut voor de plaatselijke Kerken op een positieve wijze en met edelmoedige en intelligente oplossingen in de parochies, in de kring van medische centra, de zorg, het onderwijs, in gevangenissen etc., taken verrichten in daadwerkelijke samenwerking met het pastorale ambt van de priesters. Dit vraagt, volgens hetzelfde document, van allen die erbij zijn betrokken, altijd een bijzondere ijver om enerzijds de aard en de zending van het gewijd ambt veilig te stellen en anderzijds de roeping en de wereldlijke natuur van de lekengelovigen (vgl. de instructie over Enkele kwesties omtrent de samenwerking van lekengelovigen met het ambt van priesters). Het document ontmoedigt zonder de onvervangbare dimensie van het ambtelijk priesterschap aan te tasten iedere vorm van klerikalisme; het moet gekend en toegepast worden.

Er is een groot terrein voor de inzet van de leken die zijn geroepen hun eigen identiteit ten volle te beleven in het gezin, in de werkkring, in de maatschappij. Ook daar waar het engagement van de leek hindernissen ontmoet door het onbegrip van enkelen, mogen de leken zich niet laten ontmoedigen, wanneer zij hun bijdrage aan getuigenis, inzet en hoop leveren. Denken wij bijvoorbeeld aan het gezin, dat een terrein is dat van cruciaal belang is voor de overdracht van het geloof, in Afrika en in heel de wereld. Het zijn vooral de ouders die de kinderen vormen; met hun gedrag kunnen zij hun overtuigingen beïnvloeden; hun voorbeeld kan het geloof opwekken dat vervolgens leidt naar het sacramentele leven en het christelijk leven in het algemeen. Bij ieder werk van vorming zijn immers een consequent leven en een persoonlijk getuigenis zeer belangrijke momenten.

* Excellentie, wat is uw eerste inschatting van het pan-Afrikaans Congres van de Katholieke leken dat in Yaoundé is gehouden?

Ik kan het eerst zeggen dat ik positief ben getroffen door de inzet van de locale Kerk; het Congres is met enthousiasme en een grote organisatorische inzet gehouden. De congresgangers hebben de "ernst" van het gebeuren gezien, dat, en ik wil dit herhalen, een concreet teken is van de belangstelling van de universele Kerk voor Afrika, opdat het niet denkt een vergeten continent te zijn.

Het Congres is een belangrijke gelegenheid geweest om te herinneren aan het optreden van de Heilige Vader in Afrika, om na te denken over de documenten die zijn gevolgd op de twee Afrikaanse synodes, en andere belangrijke documenten over de identiteit van de leek en zijn  zending in de Kerk. Het is immers niet voldoende de documenten van het leergezag te publiceren, er is een inzet nodig om ze te verspreiden, erover na te denken en ook erover te spreken. De Pauselijke Raad voor de Leken heeft dit Congres beschouwd als een voortzetting van de laatste Afrikaanse synode en een "verlenging" van de reizen van de Heilige Vader op het continent, opdat ieder kan herdenken, verdiepen en dienovereenkomstig leven.

* Wat is, naar uw mening, de bijdrage van de congresgangers geweest, van zoveel mannen en vrouwen die zijn gekomen uit 35 landen van Afrika en van de kant van lekenverenigingen die actief zijn op menselijk, cultureel, charitatief, maatschappelijk en apostolisch terrein op het Afrikaanse continent?

Men ziet uit de toespraken die men heeft gehoord, dat Afrika grote mogelijkheden heeft om te ontwikkelen, enorme rijkdommen om bij te dragen aan de opbouw van de universele Kerk. Dit Afrika vat het leven niet op als zonder God, daar waar de westerse maatschappij daarentegen dikwijls dit ten dode heeft opgeschreven. Vanzelfsprekend moet men niet alles heilig verklaren, er zijn vele dingen te verbeteren, uit te zuiveren en ook af te wijzen, maar de Kerk moet dankbaar zijn ten opzichte van dit continent van hoop.

Gedurende de toespraken heeft iemand erover gesproken Afrika te helpen om de antwoorden te vinden op zijn problemen, zonder het risico te lopen dat men zich opsluit in zichzelf. Bij het houden van dit Congres heb ik geen "vormen van zich afsluiten" gezien, ik heb enthousiasme gezien, toen men elkaar ontmoette en de geloofservaring samen deelde. Deze zitting wil nu juist een teken van grote openheid zijn, om na te denken met het oog op een beter, meer solidair handelen en opdat het gezicht van de Kerk, die is samengesteld uit de werkelijkheid van alle categorieën gelovigen en van de locale Kerken, een mozaïek vormt dat het beeld van Jezus steeds beter weerspiegelt.

* Wat wenst u de congresgangers toe?

Wij, als Pauselijke Raad voor de Leken, hebben een aanzet gegeven en nu moet ieder zich inspannen op zijn eigen terrein. Wij sporen aan, tonen onze belangstelling, onze zorg en onze liefde; kardinalen, bisschoppen, priesters, religieuzen en experts zijn in het geweer gekomen voor dit Congres en dat is een veelzeggend teken. Nu zijn allen geroepen op hun eigen terrein te werken door wat zij hebben ontvangen, over te dragen en te vertalen in het dagelijks leven. Wij rekenen op een "vermenigvuldigend" effect; de leken die op het Congres aanwezig waren, zijn de "ambassadeurs" die de boodschap moeten uitstralen overal waar zij leven en actief zijn.

Het belangrijkste gedachte die ik in mijn overweging het Congres heb voorgehouden, is immers die van de evangelisatie en de missionariteit. Als wij ervan overtuigd zijn dat wij de "schat" hebben gevonden, kunnen wij deze niet voor onszelf houden. Wij moeten hem overal doorgeven, in het gezin, op de werkplek, onder vrienden, ieder naar zijn eigen talenten.  Gedeelde vreugde wordt niet minder, maar neemt toe en vermenigvuldigt zich; het geloof wordt hechter, wanneer men het overdraagt (vgl. Redemptoris missio, nr. 2). Dit Congres heeft nu juist dit gewild: het geloofsleven delen dat de wederzijdse vreugde doet groeien, omdat dit geloof het mooiste is dat wij hebben ontvangen.


(Verzorgd door Silvia Recchi)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)


 

09/11/2012