Interviews/6 
 


DE WAARDIGHEID VAN HET DOOPSEL
 
OPNIEUW ONTDEKKEN


Interview met mgr. Joseph Clemens
 

Zijne excell. mgr. Joseph Clemens is in 1947 in Duitsland geboren en vanaf 2003 secretaris van de Pauselijke Raad voor de Leken. Van 1984 tot 2003 is hij privé-secretaris geweest van de toenmalige prefect van de Congregatie voor de geloofsleer, kard. Joseph Ratzinger. Hij is ook lid van de Pauselijke Raad voor de Pastorale Zorg voor Migranten en Reizigers en lid van het bestuur van de Pauselijke Raad voor het Gezin.

De laatste dagen van de maand januari is hij in Yaoundé (Kameroen) geweest om zich bezig te houden met de organisatie van het Pan-Afrikaans congres voor de katholieke leken, voorzien van 4 tot 9 september 2012. Wij hebben hem begeleid in zijn ontmoetingen met de verschillende autoriteiten van de locale Kerk met het oog op de voorbereiding van het congres. Hij is zo vriendelijk geweest ons een interview toe te staan, waarvan wij hier voor onze lezers een samenvatting geven. 

 


* Excellentie, wij heten u welkom in Kameroen. Wat is het doel van uw reis naar en verblijf in Yaoundé?

Ik ben naar Yaoundé gekomen om een pan-Afrikaans congres voor katholieke leken voor te bereiden en zo de belangstelling en de ondersteuning van de universele Kerk ten opzichte van de Kerk in Afrika tot uitdrukking te brengen. Dit congres met als thema "Vandaag in Afrika getuige zijn van Jezus Christus" zal van 4 tot 9 september 2012 worden gehouden en valt binnen het kader van de activiteiten van de Pauselijke Raad voor de Leken, die Kameroen heeft gekozen voor het evenement; het land biedt immers structurele en maatschappelijke omstandigheden die gunstig zijn voor de organisatie. Daarom ben ik naar Yaoundé gekomen om de verschillende logistieke aspecten te controleren en de voorbereiding van het congres in gang te zetten, in samenwerking met de locale Kerk die daarin een belangrijke rol speelt. Ik heb de voorzitter van de nationale bisschoppenconferentie ontmoet, de bisschoppen die met ons decasterie samenwerken en alle personen die zijn betrokken bij de organisatie van het congres. Ik heb de vreugde gehad aan allen de groeten en de zegen van de Heilige Vader over te brengen, met wie ik mij per telefoon heb onderhouden alvorens te vertrekken; hij heeft mij zijn bijzondere genegenheid voor Afrika tot uitdrukking willen brengen; Benedictus XVI heeft mij verzocht deze bijzondere gevoelens van hem te willen overbrengen.

* Wat heeft de Pauselijke Raad voor de Leken ertoe gebracht dit congres te plannen?

Het idee is voortgekomen uit de ervaring van het congres dat werd georganiseerd voor het Aziatisch continent, in Seoel, in Zuid-Korea, in september 2010: deze grote bijeenkomst is ongetwijfeld een succes geweest. Toen hebben wij aan het Afrikaanse continent gedacht waarvan velen denken dat het aan zijn lot is overgelaten, maar dat is het niet: de Kerk beschouwt het immers als een continent van de hoop. Wij hebben in het bijzonder gedacht aan het "zwarte" Afrika, het initiatief sluit voor het ogenblik Noord-Afrika uit, dat een andere kerkelijke problematiek heeft. Het doel van het congres is, om zo te zeggen, de reizen van de paus naar Afrika te verlengen, zodat zij niet alleen maar worden beperkt tot de aanwezigheid van een paar dagen en zijn toespraken en bijdragen voortdurend worden verdiept. Het congres zal worden gehouden in het licht van vier wezenlijke documenten, dat wil zeggen de exhortatie Christifideles laici (1988) - dat voor ons de Magna Charta blijft van het apostolaat van de leken, waarvan wij heel de actualiteit willen doen ontdekken -, de encycliek Redemptoris missio (1990), de twee exhortaties die zijn gevolgd op de synodes over de Kerk in Afrika, Ecclesia in Africa (1995) en Africae munus (2011). Het wil eveneens een herlezing zijn van de toespraken van Benedictus XVI op zijn reizen naar Kameroen en Angola in 2009 en naar Benin in 2011. Het congres streeft in wezen ernaar de identiteit van de gelovige leken en het belang van hun inzet in Afrika te verdiepen. Wij willen mensen bijeenbrengen die in staat zijn te luisteren, na te denken, actief deel te nemen en die vervolgens in hun kerkgemeenschappen de vruchten van het congres doorgeven. De deelnemers zullen worden begeleid door een aantal kardinalen, bisschoppen en priesters als teken van kerkelijke gemeenschap.

* Welke boodschap denkt u te kunnen richten tot de lekengelovigen van Afrika ten opzichte van de talrijke maatschappelijke, culturele en godsdienstige uitdagingen die dit continent eigen zijn?

Het eerste punt is naar mijn mening zich bewust te worden van de diepe zin van het doopsel en de waardigheid van het doopsel. Het doopsel is geen ceremonie, een rite, een eretitel of een traditie binnen de familie, maar een werkelijkheid die ons ten diepste verandert: door het doopsel worden wij nieuwe mensen. Het gaat er dus om de elementen van deze nieuwheid te "ontcijferen", de dynamiek ervan opnieuw te ontdekken met alle gevolgen voor het leven van een christen in Afrika. Het doopsel doet ook een leven ontstaan van een relatie met de anderen, een gemeenschap van gelovigen die boven bevolkingsgroepen, nationale grenzen, culturele verschillen uitgaat. Het maakt ons leden van een grote familie om een beeld te gebruiken dat de Afrikaanse gelovigen dierbaar is die horen tot de Kerkfamilie van God. Wij moeten de diepte van deze genade in het leven van alledag opnieuw ontdekken.

* Onze Gemeenschap "Redemptor hominis" zet zich in de aan ons toevertrouwde parochies in voor een pastoraal die in het bijzonder aandacht besteedt aan de vorming van lekengelovigen door bijvoorbeeld een parochieschool van vorming op te richten die gericht is op de verdieping van het geloofsleven. Wij worden in deze context geconfronteerd met een vaak "magische" cultuur ten opzichte van de sacramentele werkelijkheid. Wij moeten niet alleen het "ex opere operato" van de sacramenten, de genade van het doopsel, maar ook het "ex opere operantis", de verplichting die daaruit voortvloeit voor de gelovige doen begrijpen.

De vorming van de leken is van kapitaal belang; zij vormt daadwerkelijk een van de wegen van de herontdekking van het doopsel. Hoe meer men het werkelijk kent, des te meer verdiept zich de eigen christelijke identiteit en des te meer wordt men "vrij". Een cultuur die is doordrongen van een magische visie is een slavernij die in wezen voortkomt uit angstgevoelens. Een passende vorming helpt te begrijpen hoe het sacrament van het doopsel (en eveneens dat van het vormsel, van de eucharistie ...) ons bevrijdt van conditioneringen en iedere vorm van angst. De vorming is ongetwijfeld een efficiënt geneesmiddel tegen verkeerde interpretaties; zij helpt de lekengelovigen met verantwoordelijkheid de waardigheid van hun doopsel op zich te nemen.

* Afrika is een continent van jonge mensen: men hoeft maar te bedenken dat de leeftijdscategorie tussen de 15 en 24 jaar meer dan 20% van de Afrikaanse bevolking vormt; voor de rest is 42% van de bewoners van het continent op dit ogenblik jonger dan 15 jaar. Hoe ziet u deze jeugd die de dupe is van toestanden van grote onzekerheid en in ieder geval de toekomst van de Kerk vormt?

Men moet in de jeugd investeren ondanks alle moeilijkheden. Men moet de jongeren begeleiden, hen doen begrijpen dat zij moeten profiteren van deze tijd die gunstig is om zich in te zetten voor de eigen menselijke vorming, de school- en beroepsopleiding en voor het bouwen van hun toekomst. Wij moeten een hoop die sterker is dan iedere tegenspoed, op hen overdragen. Het Afrikaanse continent is overigens volledig aan het veranderen: nieuwe horizonten en nieuwe mogelijkheden openen zich. De globalisering is een intussen  onomkeerbaar verschijnsel, ook voor Afrika; wij moeten ons derhalve erop voorbereiden daar deel aan te nemen met een christelijke identiteit. De jongeren mogen de hoop niet verliezen op een betere wereld, noch vervallen tot de zinloosheid van het leven en hun inzet. Zij moeten zich daarentegen voorbereiden, hun karakter vormen, zinvolle relaties aanknopen op het niveau van het gezin, van de groep en ook op maatschappelijk niveau.

* U neemt rechtstreeks deel aan de organisatie van de Wereldjongerendagen. Kunt u, gesterkt door de gekregen ervaring, zeggen wat zij authentiek de jongeren brengen?

De Dagen zijn gericht op de vorming van de jongeren en ik geloof dat de gevolgde methode met de catecheses die door de bisschoppen gedurende de dagen worden ontwikkeld, zeer efficiënt is. De jongeren hebben de mogelijkheid vragen te stellen en te worden betrokken bij een persoonlijke ervaring die op hun leven een stempel kan drukken. De Dagen worden georganiseerd rond een centraal thema dat aan hun geloof en hun bestaan vragen stelt. Het zijn een werkelijk verlichte uitvinding; de aanwezigheid en de toespraken van de Heilige Vader spelen duidelijk een belangrijke rol, evenals de ervaring van de katholiciteit van de Kerk die jongeren die van alle continenten afkomstig zijn, met elkaar in contact brengt. Zij ontmoeten elkaar, verenigd door op de toekomst gerichte projecten, gemeenschappelijke aspiraties en idealen, door het verlangen een zinvol bestaan te leiden en de evangelische principes te vertalen in een leven dat een concrete beleving ervan is. De Dagen willen een teken van hoop zijn om te laten zien de er een mogelijkheid is voor andere levensmodellen, tegen de zinloosheid, de alledaagsheid, de slavernij van de modes van de wereld. Op de Dagen van Keulen, de eerste waarvoor ik directe verantwoordelijkheid had, hebben enkele vertegenwoordigers van de protestante Kerken tegenover mij hun bewondering tot uitdrukking gebracht voor dit moedig initiatief van de katholieke Kerk. De Wereldjongerendagen zijn een grootse intuïtie geweest van Johannes Paulus II, die volkomen overeenkwam met zijn persoonlijkheid; ook op oudere leeftijd heeft Johannes Paulus II altijd een positieve kijk op het leven behouden, een werkelijk jonge geest.

* U hebt meermaals gezinspeeld op uw persoonlijke vriendschap met de Heilige Vader, wanneer u bijvoorbeeld aan ons zijn bijzondere groeten overbracht. U hebt 19 jaar naast Joseph Ratzinger gewerkt. Wat bewondert u behalve de figuur van paus en groot theoloog het meest in hem?

Een eerste aspect dat mij met verbazing en bewondering heeft vervuld, toen ik met hem werkte, is zijn houding ten opzichte van het leven. Het leven is iets dat uiterst belangrijk is voor hem. Deze houding heeft hij altijd vertaald in de meest verschillende aspecten. Als bisschop en kardinaal heeft hij zich bijvoorbeeld altijd goed voorbereid vóór een liturgieviering. Men zou gemakkelijk kunnen geloven dat deze zo goed voorbereide en erudiete man zonder probleem welke viering dan ook kon beginnen. Integendeel! Of het nu erom ging vijf religieuzen privé te ontmoeten of vijfduizend mensen in het openbaar, alles moest even goed voorbereid zijn. Hij verwijst in het bijzonder altijd met grote aandacht naar de teksten van de liturgie van de dag. Hij neemt geen genoegen met algemene overwegingen, maar hij spant zich zorgvuldig in dat wat de Schrift ons vandaag, vanmorgen, zegt, te ontdekken en hij zet ons niet alleen tot nadenken aan, maar ook tot bekering. Op dezelfde wijze heeft hij altijd het met grote aandacht en respect luisteren naar de ander, zijn gesprekspartner, serieus genomen. Zijn vermogen om te luisteren heeft op mij altijd grote indruk gemaakt; vaak heb ik verbaasd gestaan te zien hoe hij aantekeningen maakte, hoe hij zijn overwegingen opschreef. Bovendien is hij altijd werkelijk verantwoord met de tijd omgegaan; hij stelde zijn wekelijkse en maandelijkse programma's met precieze doeleinden, zeer gedisciplineerd op. De zondag was voor hem een "andere" dag; de zondagen moesten inderdaad anders zijn, te beginnen met een plechtigere viering. Het was ook de dag dat hij piano speelde, lange wandelingen maakte in de Vaticaanse tuinen. Vervolgens was er het lezen; hij leest enorm veel, niet alleen boeken over theologie, maar ook literaire werken; hij volgt het filosofische denken, hij heeft aandacht voor de nieuwe richtingen van het denken van onze tijd. Al deze aspecten zijn voor mij een ware levensschool geweest. Gedurende lange jaren heb ik mij ook beziggehouden met zijn publicaties: boeken, artikelen, interviews ad extra; ook dit is voor mij een grote verrijking geweest. De tijd die ik naast hem heb doorgebracht, heeft mij het belang en de verantwoordelijkheid van superieuren doen begrijpen in hun rol van leiding, bestuur, voorbeeld voor anderen. Het lekenpersoneel van de Congregatie voor de Geloofsleer was vol bewondering voor deze "superieur" die trachtte te beleven wat hij anderen predikte. Voor mij heeft Joseph Ratzinger, behalve wat hij vandaag is, de rol gehad van een grote leermeester van het leven.

(Verzorgd door Silvia Recchi)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)




25/02/2012