Thema's van Spiritualiteit/17

 



PASEN EN DE HERINNERING

 


Met het woord herinnering bedoelen wij in ruime zin het vermogen om de sporen van reeds beleefde psychische processen vast te houden, te herkennen en weer op te roepen.

Het jodendom en het christendom zijn bij uitstek godsdiensten van de herinnering, gebaseerd op de herinnering aan historische feiten die in de loop der eeuwen zijn gebeurd. Het historisch bewustzijn van het volk van Israël is gebaseerd op de overtuiging dat Jahwe zelf het volk van Israël bevrijdde van de Egyptische heerschappij. De uittocht maakte de vorming van een collectieve herinnering in het volk van Israël mogelijk, een herinnering die de basis vormt van zijn godsdienst. Voor het joodse volk was de geschiedenis derhalve niet cyclisch. Zij bestond niet in een eeuwige terugkeer van dingen en tijden, zonder doel. Integendeel, heel de schepping richtte zich op een einde.

Anders dan het jodendom, waarbinnen het is ontstaan, legt het christendom het middelpunt van de geschiedenis in Christus.

De christenen beleven het Rijk van God al in de tijd, een Rijk dat wordt verkondigd en verwezenlijkt in Jezus Christus. Bij het herinneren aan de verrijzenis van Jezus herinnert de Kerk immers aan de eigen verrijzenis, zoals het volk van Israël herinnert aan zijn bevrijding ten tijde van de uittocht[1].

Jezus verkondigt niet alleen het Rijk, maar Hij verwezenlijkt het ook. De tijd wordt ons gegeven om te worden wat Hij is. Wij zijn nog niet wat Jezus al is. Heel onze geschiedenis heeft deze betekenis: overgaan van het nog niet naar het reeds. De hoop van de mens ligt hierin besloten. De mens hoopt als God te worden, de mens hoopt in de hemel te komen. De hoop ondersteunt de weg van de christen ook en vooral op de moeilijkste ogenblikken, wanneer het pad vol gevaren wordt en de nacht duister en donker.

Tot de vrouwen die op paasmorgen naar het graf gingen met welriekende kruiden bij zich om het gestorven lichaam van Jezus daarmee in te wrijven, zeiden de engelen van de Heer: "Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert u, hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft..." (Luc. 24, 5-6).

Toen Petrus niet wist hoe hij zich moest gedragen ten overstaan van de heidenen die het woord van God aannamen, bad hij in stilte. En de Geest daalde neer, verlichtte hem. En Petrus vertelt: "Toen dacht ik terug aan het woord van de Heer..." (Hand. 11, 16).

De woorden van de Heer moeten in het hart en de ziel worden opgenomen. Zij moet goed in het geheugen worden geprent, omdat ze waar zijn (vgl. Judit 11, 10). Wij moeten ze om onze vingers binden, ze op de tafel van ons hart schrijven (vgl. Spr. 7, 3). Het zal aangenaam zijn dat wij ze bewaren in ons binnenste en zij alle tezamen op onze lippen liggen (vgl. Spr. 22, 18).

Maria is het hoogste voorbeeld dat wij hebben van deze trouw in de herinnering. Zonder Maria zullen wij nooit begrijpen hoe te herinneren. Over haar zegt het evangelie weinig woorden. Lezen wij bij de heilige Lucas: "Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (Luc. 2, 19). Wij merken op dat er niet wordt gezegd dat Maria begreep, maar dat Maria bewaarde. Ook voor ons is nu dit werk van het bewaren, het in bewaring geven van alle dingen (niet alleen woorden, maar ook gebaren, uitdrukkingen, muziek, feiten, omstandigheden etc.) belangrijk. Alles bewaren en overwegen. Overwegen wil zeggen assimileren, opnieuw ordenen, reconstrueren, het een met het ander verbinden.

Wat bewaart men in zijn hart en waarover denkt men na in de verwarde wereld van vandaag? In een wereld waar alles light is, waar men alles op het moment beleeft, zonder een verleden en zonder een toekomst, is er geen ruimte voor herinnering, daar alles wordt beleefd en gebruikt, als frisdrank, in een minuut. In de herinnering kan men niets vastleggen, omdat niets vast meer is, alles voorbijgaat en wegglijdt als een vloeistof; wij leven in een maatschappij die de sociologen een vloeibare maatschappij noemen. Men zoekt geen ervaringen die een leven tekenen, maar ervaringen die men onmiddellijk daarna moet vergeten. Men wil geen persoon ontmoeten om die lief te hebben, maar veeleer een voorwerp om te gebruiken. Men is bang zich te engageren, zijn woord te geven, trouw te blijven. Men geeft zich aan niemand, maar men eist dat anderen zich aan ons geven. Daarom klinkt vandaag het uitspreken van woorden als herinnering, liefde en trouw belachelijk in zovele oren die luisteren. En toch moeten wij als christenen geloven dat er ook in deze zo ontwikkelde en zelfredzame, maar ook zo lege en zinloze wereld zonder Jezus, ogen, van iedere kleur, zijn die op zoek zijn. Ogen die personen willen ontmoeten die de liefde beleven, en ogen die mensen willen zien die trouw zijn aan de ring die in zijn cirkel de herinnering aan een liefde vat.

Er is ook een herinnering die levend blijft met tekenen. Wij christenen hebben bijvoorbeeld vaak de rozenkrans in onze zak of steken een ring aan een vinger of doen een medaille om onze hals als teken van trouw aan onze liefde. Dat is allemaal mooi, heeft niets bijgelovigs en verdient geen verachting. Integendeel, het is een praktijk die moet worden bemoedigd en begunstigd. Het gaat er echter ook om, zoals ons het boek Spreuken zegt, de liefde zelf op de tafel van ons hart te schrijven, anders vervallen wij tot de magie van te geloven dat een kroon, een ring of een medaille redden, wanneer ons hart en heel onze houding een volslagen andere richting uitgaan.

 Iedereen bewaart op de tafel van het hart de herinnering aan zijn eigen geschiedenis en het steentje dat hij heeft ontvangen. Zoals de Apocalyps zegt: "Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna en Ik zal hem een wit steentje geven en daarop gegrift een nieuwe naam, die niemand kent dan hij die hem ontvangt" (Apok. 2, 17).

In de geschiedenis van de christenen leeft iedereen ten volle, als hij zijn wit steentje heeft. Ieder steentje verschilt van het ander. Het witte steentje is een gave van God, maar ook een verovering van de mens, dag voor dag. Wij kunnen aan niemand ons steentje geven. Wij kunnen echter de ander helpen het zijne te verwerven alleen door onze trouw, onze gave, ons steentje totaal te beleven.

Irene Iovine

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)




________________________

[1] Vgl. G. Lohfink, Heeft God de kerk nodig? Over de theologie van het volk van God, Carmelitana, Gent 2001, 104.

04/05/2011