Thema's van Spiritualiteit/16
 


HOOGMOED: MATELOZE EIGENDUNK


De term hoogmoed verwijst naar een sterk gevoel van zelfachting en vertrouwen in eigen capaciteiten. Een algemeen gebruikte uitdrukking, synoniem van hoogmoed, is "een te grote eigendunk hebben".

De kracht van de hoogmoed heeft ook haar positieve aspecten; indien goed gestuurd en gereguleerd, kan het ook een uitstekende bron zijn voor een waardig leven, maar wanneer zij de maat overschrijdt en de juiste richting kwijt raakt, dan wordt het een ondeugd die moet worden bestreden[1]. In de christelijke leer is hij immers de ernstigste van de zeven hoofdzonden. Een hoogmoedig iemand neigt altijd ernaar een superioriteitsgevoel ten opzichte van andere personen te hebben.

In zichzelf gekeerd zijn

Hoogmoed is de doorgang voor alle hartstochten en hij verwoest in een klap alle deugen; zoals de heilige Johannes Chrysostomus zegt, "deze ondeugd is voldoende om alles te verwoesten dat er aan goeds is inDe heilige Johannes Chrysostomus een ziel". Hij wordt beschouwd door de kerkvaders als een werkelijke, echte pathologie, een vorm van waanzin, die de mens in zichzelf doet keren, opgesloten in het beperkte universum van zijn eigen ik[2].

Bovendien is de hoogmoed nauw verbonden met verwaandheid, en wel zozeer dat de spirituele overlevering lange tijd heeft geaarzeld om deze twee hartstochten gescheiden van elkaar te behandelen en in elk geval ze altijd nauw met elkaar in verband heeft gebracht: "Wanneer de verwaandheid" - schreef de heilige Johannes Climacus - "tot volledige wasdom is gekomen, brengt zij de hoogmoed voort, oorsprong en vervolmaking van alle kwaden".

Ook volgens Gregorius de Grote is de hoogmoed "de wortel van ieder kwaad", dat zich op verschillende wijzen manifesteert: wanneer men bedenkt dat het goede voortkomt uit onszelf; wanneer men gelooft dat, als ons iets wordt gegeven uit den hoge, het om onze verdiensten is; wanneer men zich erop beroemt dat men heeft wat men niet heeft; wanneer men met verachting van de ander ernaar streeft de enige te zijn die met bepaalde capaciteiten is begiftigd. Voor Gregorius de Grote ligt de hoogmoed altijd tussen het onverdraaglijke en het belachelijke: alles wat anderen doen, behaagt de hoogmoedige niet, hij houdt alleen van wat hijzelf doet. Hij veracht de daden van de ander en bewondert altijd die van hemzelf.

Wie slaaf is van de hoogmoed heeft een zelfachting tot op het afgodische af, hij gelooft de oorzaak te zijn van eigen zijn eigen goede daden, hij is niet in staat te vertrouwen op het leven en op de ander. De hoogmoedige stelt zichzelf in zekere zin in de plaats van God, van schepsel maakt hij zich tot God; dientengevolge loochent hij in zijn daden zijn eigen mens zijn en tenslotte herkent hij dit niet in wie hem nabij is. Zo wil hij altijd gelijk hebben en erkent hij nooit fout te zijn geweest; hij verdraagt geen kritische opmerkingen, omdat hem alleen maar complimenten, erkenning, applaus, vleierij aangenaam zijn[3].

Heilige of zondaar, maar nooit als de ander

Voor de heilige Augustinus is hoogmoed "een grote ondeugd, de eerste van de ondeugden, oorsprong en oorzaak van alle zonden"[4].

De heilige Augustinus De hoogmoed onszelf ik weet niet wie te vinden, doet ons in onszelf opsluiten en alleen maar rijk met onszelf te zijn, zodat wij anderen niet nodig hebben, daar de ander niets meer kan hebben, maar alleen minder, ten opzichte wat wij hebben. Wanneer wij ons zo gedragen, beledigen wij de ander, verachten wij hem, besteden wij geen aandacht aan hem. Als de ander ons bevraagt, ons een vraag stelt, doen wij dit af met een "ik heb je niets te zeggen", hetgeen met andere woorden wil zeggen: "Ik heb je niet nodig en daarom keur ik je zelfs geen antwoord waardig".

Zoals de heilige Augustinus zei, ontstaat en ontwikkelt de hoogmoed zich, zoals alle ondeugden, in het hart van de mens. Het is van weinig belang waar en wanneer hij is geboren, van wat voor geslacht hij is, wat de kleur is van zijn huid, wat zijn eerste ervaringen zijn geweest, zijn eerste vreugden en zijn eerste verdriet. Wie hoogmoedig is, kan het zijn, omdat hij ervan overtuigd is of een grote heilige te zijn of een grote zondaar. Deze heiligheid of deze zonde in het hart van de hoogmoedige is zulk een rijkdom dat deze hem in plaats van hem meer met de ander te verenigen steeds meer in zichzelf opsluit. Hij is rijk met zichzelf. Hij kan derhalve niet de authentieke arme zijn die de ander, de gemeenschap van broeders en zusters nodig heeft om samen met hen op te bouwen.

Wat heb je dat je niet gekregen hebt?

De heilige Paulus brengt een ander aspect van de hoogmoed naar voren. Hij berispt de Corinthiërs om het feit dat zij zulke opgeblazen personen zijn dat zij op basis van volstrekt willekeurige criteria "de een ten koste van de ander" begunstigen. Inderdaad, een overmoedig iemand handelt niet overeenkomstig de gerechtigheid van God, maar overeenkomstig de "eigen" gerechtigheid en deze brengt hem ertoe aan bepaalde personen de voorkeur te geven ten koste van andere. Deze onjuiste handelwijze van de hoogmoedige brengt hem tot een gedrag van begunstiging, sympathie, wrok al naar gelang de persoon met wie hij te maken heeft, en maakt van hem een intens onrechtvaardig iemand.

De hoogmoed verheft onszelf immers tot maatstaf bij het beoordelen van goed en kwaad, doet ons vergeten dat wij geen enkel recht hebben ons op onszelf te beroemen, verwaand te worden, alles en allen van boven tot onder te bekijken en te beoordelen. De heilige Paulus stelt ons precieze vragen over deze houding van superioriteit die ons onszelf doet verheffen boven de ander: "Wie vindt jou zo belangrijk? Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte alsof alles van jezelf kwam?" (1 Kor. 4,7).

Wij christenen, evenals wij religieuzen, vergeten gemakkelijk wie wij zijn, wij beroemen ons en wij worden verwaand, wij vergeten dat gebed van de psalm dat wij nooit moe zouden moeten worden te bidden: "Bescherm uw knecht tegen hoogmoed, geef die geen macht over mij. Dan zal ik rechtschapen en rein zijn, door geen gemeenheid bevlekt" (Ps. 19, 14).

 In staat om onszelf te zien, zoals wij zijn

Om ons los te maken van ieder vorm van hoogmoed wijst paus Benedictus XVI ons op Maria als voorbeeld: " De moederlijke liefde van de maagd Maria ontwapent iedere vorm van hoogmoed; zij stelt de mens in staat zichzelf te zien, zoals hij is, en geeft hem het verlangen in zich te bekeren om God eer te brengen"[5]. Maria stelt ons in staat om onszelf te zien, zoals wij zijn, en zij leert ons tot God in nederigheid te naderen. Maria ontwapent iedere vorm van hoogmoed en laat ons ontdekken dat het christelijk geloof niet de mateloze trots van het eigen ik bewondert, maar als een vleugel is die het ons mogelijk maakt hoger te vliegen, niet om van boven af naar de ander te kijken, maar om ons met hem te verenigen en samen ons heil te zoeken in de armen van de Heer"[6].

Irene Iovine

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 




________________________

[1] Vgl. P. Sciadini, Orgoglio, in Dizionario Enciclopedico di Spiritualità, II. A cura di A.Ancilli e del Pontificio Istituto di Spiritualità del Teresianum, Città Nuova Editrice, Roma 1990, 1776.
[2] Vgl. J.-C. Larchet, Thérapeutique des maladies spirituelles. Une introduction à la tradition ascétique de l'Église orthodoxe, I, Les Editions de l'Ancre, Paris 1991, 294-301.
[3] Vgl. E. Bianchi, Orgolio e l'io diventa un idolo, in http//archivio.lastampa.it/LaStampaArchivio/main/History/tmpl viewObj.jsp?objid=8212441
[4] J.C. Cavadini, Orgullo, in Diccionario de San Agustin. San Agustin a traves de su tiempo. Director A.D. Fitzgerald, O.S.A., Monte Carmelo, Burgos 2001, 972-973.
[5] Benedictus  XVI, Angelus (14 september 2008), in www.vatican.va
[6] Benedictus  XVI, Angelus..., in www.vatican.va

05/03/2011