Kennismaking met het godgewijde leven/14 

 



CHARISMA EN INSTITUTIE

 


Zoals wij al zagen, heeft de reflectie tijdens Vaticanum II over de plaats van het religieuze leven in de Kerk het mogelijk gemaakt de visie erop te verdiepen.

De definitie door de Kerk vanuit een uitsluitend hiërarchisch perspectief voldeed de Concilievaders immers niet. Want haar bestaan wordt eerst en vooral gekenmerkt door de aanwezigheid van de Heilige Geest die het Volk van God leven schenkt en bron is van haar heiligheid. Zonder deze aanwezigheid zou de Kerk als dusdanig eigenlijk niet bestaan.

Het religieuze leven behoort dus tot de structuur zelf van de Kerk onder het profiel van haar heiligheid die een essentieel kenmerk van haar bestaan is.

De realiteit van de Kerk is niet beperkt tot haar zichtbare aspect. Want zij wordt bezield door een charismatische structuur die veel dieper ligt en die haar echte natuur openbaart. Toch gaat het hierbij niet om twee parallelle structuren, maar om een complexe en levende realiteit van de Kerk die zich in twee dimensies uitdrukt.

Het mysterie van de Kerk

Zo kunnen we dan spreken over een charismatisch-institutionele structuur van de Kerk. Daarin staat het charismatische element nooit afgezonderd van haar institutioneel aspect.

Dit mysterie van de Kerk werd goed uitgedrukt door volgende passus uit Lumen gentium: "Men mag echter de gemeenschap met haar hiërarchische structuur en het mystieke lichaam van Christus, het zichtbare geheel en de geestelijke gemeenschap, de aardse Kerk en de met hemelse gaven verrijkte Kerk, niet beschouwen als twee verschillende dingen; integendeel, ze vormen één alomvattende werkelijkheid, bestaande uit een menselijk en goddelijk element"[1].

Om deze realiteit uit te leggen doet dezelfde passus een beroep op de analogie met Christus: "Daarom kan men de Kerk, op grond van een sterke analogie, vergelijken met het mysterie van het mensgeworden Woord. Want gelijk de aangenomen menselijke natuur ten dienste staat van het goddelijk Woord als een levend heilsorgaan, dat onafscheidelijk met Hem is verbonden, zo kan men eveneens zeggen, dat het sociale geheel van de Kerk ten dienste staat van de Geest van Christus, die er het leven aan geeft tot groei van het lichaam (vgl. Ef 4,16)"[2].

De concilievaders hadden gediscussieerd over de relatie tussen het onzichtbaar charismatische leven dat een gave is van genade, en het zichtbaar element dat gevormd wordt door de institutie en de hiërarchie van de Kerk. De genoemde passus uit Lumen gentium biedt een oplossing voor dit debat op basis van de analogie tussen het mensgeworden Woord en het mysterie van de Kerk. In deze passus wordt tezelfdertijd geleerd dat het charisma en de institutie niet kunnen bestaan als het een van het ander gescheiden wordt.

De instelling van de Kerk komt noodzakelijkerwijs voort uit het charisma dat het geschenk is van God aan zijn volk. Deze gave brengt een immanente structuur met zich mee waardoor het volk van God levend wordt en vruchten draagt in tijd en ruimte. Dat is mogelijk omdat de Kerk sacrament van heil is, mystiek lichaam van Christus en hiërarchische communie[3].

Het charisma en zijn immanente structuren

De fundamentele structuur van de Kerk is daarom bepaald door de gaven van de H. Geest die uit zichzelf een instelling doen ontstaan. Vanuit deze visie kunnen wij de realiteit van het godgewijde leven beter begrijpen en bovendien de relatie die er binnen het godgewijde leven bestaat tussen charisma en institutie.

Met betrekking tot de interpretatie van de charismatische dimensie van het godgewijde leven werden dikwijls verkeerde of gedeeltelijke oriëntaties aangegeven. Het charismatisch element werd tegenover het institutionele geplaatst en het charismatische aan het juridische. Of nog het charismatische aan het disciplinair en ascetisch element.  In het praktische leven liep dat dikwijls uit op het verstaan van het charismatische element als iets 'spontaan', zelfs als iets toevallig. Dit leidde ertoe dat het normatief en disciplinair aspect ondergewaardeerd werd. De waarde van de gehoorzaamheid en de dienst van beleid in het godgewijde leven kregen hier de weerslag van. Die bracht een verzwakking van het broederlijk gemeenschapsleven met zich mee[4].

Het is dus heel belangrijk dat de relatie tussen charisma en institutie juist gezien wordt. Elke genade voor hen die geroepen zijn om een missie in dienst van de Kerk te vervullen, wordt beleefd in de complexe charismatisch-institutionele realiteit van de Kerk. Elk charisma heeft een eigen geaarde structuur en die bepaalt de manier waarop zij beleefd en ontwikkeld moet worden. Ieder charisma  brengt eigen gedragsregels mee, nog voor zij kerkrechtelijk worden bekrachtigd. De charisma's van de families van religieuzen beginnen met het proces van "institutionalisering" door hun eigen gedragsregels te bepalen. Zo wordt er een levensstijl en een manier van beleid en van apostolaat gecreëerd bij de leden die tot een bepaalde familie behoren.

Het specifiek charisma dat aan de Stichter werd meegedeeld, vindt de eerst etappe van institutionalisering in de Regel die door de Stichter aan zijn volgelingen wordt gegeven. Want het charisma brengt de eis met zich mee dat het concreet op die welbepaalde manier beleefd wordt en niet op een andere.

De canonieke institutionalisering van het charisma is een volgende stap die wordt gezet wanneer het charisma officieel erkend wordt als conform aan het heilbrengende doel van de Kerk en onderworpen wordt aan de canonieke discipline die de uitoefening regelt, en ook de interpersoonlijke relaties die er uit voortvloeien.

De Regel wordt door de Stichters gewild opdat de gave die zij ontvingen, kan voortduren in tijd en ruimte. Hij wordt een canonieke instelling wanneer zijn nut voor de zending van de Kerk erkend en goedgekeurd wordt door de Kerk.

Zo wordt het charisma van het godgewijde leven een canonieke instelling omdat de Kerk de algemene regel voor de beleving van de evangelische raden geeft op basis van de eisen van zijn immanente structuur.

Door de werking van dezelfde Geest ontstaan dus zowel het charisma als genade, als de institutie die voortspruit uit de natuur van dergelijke gave en de canonieke institutie die het een zichtbaar 'burgerschap' binnen de Kerk toekent.

Wie tot een godgewijd leven geroepen is, engageert er zich toe om op blijvende manier dat specifiek charisma te beleven volgens de regels van het instituut waartoe hij behoort en de algemene regels van de Kerk. Hij beoefent dus zijn specifiek charisma binnen het meer algemeen charisma van de navolgeling van Christus.

 

Silvia Recchi

 

 

 

 



________________________

[1] Lumen gentium, 8.
[2] Lumen gentium, 8.
[3] Vgl. G. Ghirlanda, La vita consacrata nella struttura carismatico-istituzionale della Chiesa, in M. Augé, G. Ghirlanda et Alii, Carisma e istituzione. Lo Spirito interroga i religiosi, Editrice Rogate, Roma 1983, 163-180.
[4] Vgl. V. De Paolis, La vita religiosa e il Vaticano II, in "Commentarium pro Religiosis et missionariis" 90 (2009), 23.
 



10/08/2010