Jaar van de Priester/14    

 


"In" de Kerk en "tegenover" de Kerk

 


De Postsynodale Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis verklaart in n. 16: "I
n zoverre de priester Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk, vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk".

Deze verwijzing naar de identiteit van de priester, die hem met een ruimtelijke beeldspraak "in" de Kerk en "tegenover" de Kerk plaatst, krijgt haar volle spirituele-theologische betekenis in het kader van de bruid-bruidegom-relatie, zoals de Apostolische Exhortatie die zelf aangeeft.

De bruid-bruidegom-relatie kenmerkt de priester in zijn omgang met Christus, want de Kerk is "lichaam en bruid van Christus"[1]. Van hieruit kan men de tweevoudige opdracht van de priester aanduiden: omdat hij "in" de Kerk staat, moet hij belichamen hoe de bruid van de bruidegom houdt, en omdat hij "tegenover" de Kerk staat, moet hij laten zien hoe de bruidegom van de bruid houdt.

Het bruiloftsbeeld

In de Heilige Schrift, in het bijzonder bij de profeet Hosea, bij Sint-Paulus en in de Openbaring, vinden we het beeld van Jezus, als bruidegom van de Kerk, en dat van de Kerk, als bruid van het Lam, het Jeruzalem dat uit de hoogte neerdaalt. De bruidegom is degene die schenkt, de bruid degene die ontvangt. In het erfgoed van de Kerk zegt H. de Lubac dat dit beeld "het kernsymbool is, de ziel als het ware die de volle betekenis van het Oude Verbond belicht"[2].

Ook de Kerkvaders van de eerste eeuwen hernemen dit beeld en zij weven er een theologie omheen. Rond de 13de  eeuw begint het beeld van de bruid in de theologische reflectie te verdwijnen, alhoewel het verder te vinden is in de werken van de mystici, in hun commentaren op het Hooglied, het uitgelezen boek van monniken en van de theologie van de Kerkvaders. In de 14de eeuw spreidt zich de spiritualiteit van de Devotio moderna uit. De Heilige Schrift wordt in wezen geplaatst binnen het kader van een affectieve dimensie en praktijk van het christelijke leven en ze wordt beschouwd als een hulp voor de innerlijke meditatie. Slechts aan het einde van de 19de eeuw, ten gevolge van de herontdekking van de Kerkvaders, wordt het beeld van de bruid-bruidegom-relatie hernomen[3].

Het beeld van de Kerk als Bruid herinnert ons eraan dat er een onderscheid bestaat tussen de personen onderling en verduidelijkt dat een anders-zijn bestaat tussen Christus en de Kerk. Immers, dit beeld openbaart enerzijds de liefde van God voor de mens en anderzijds de ontrouw van de mens tegenover God. In het bijzonder geeft het symbool van de bruid de inter-persoonlijke relatie aan tussen God en de mens en onderlijnt dat symbool het karakter van de vrijheid van de liefde, van de wederzijdse gave en van het vrije antwoord van de bruid aan de liefde van de bruidegom. Als model voor deze liefde staat de figuur van de Magdalena, die kostbare balsem gebruikt, aan de voeten van Jezus weent en ze met haar haren afdroogt. Deze onverwachte en aanstootgevende liefde, die regels en gedragspatronen van die tijd overtreedt, beklemtoont de voorrang van de persoon, van de inter-persoonlijke relatie, op de sociale normen en maatschappelijke codes van de traditie: deze liefde is het vertrekpunt van de evangelisatie[4].

"In" en "tegenover" de Kerk

De identiteit van de priester krijgt vorm doordat twee dimensies elkaar doorkruisen, namelijk zijn tegelijk staan "in" de Kerk en "tegenover" de Kerk. Sint-Augustinus zei tegenover zijn gelovigen: "Voor jullie, inderdaad, ben ik bisschop, met jullie ben ik christen"[5].

Aan de ene kant is de priester eerst en vooral een christen. M.a.w., hij is ingedompeld in "de diepe gemeenschap die hem verbindt met het volk van God. ... Hij is broeder onder broeders"[6]. Hij is dus voor alles, "in" de Kerk, de bruid van de Bruidegom. Bruid van de Bruidegom zijn betekent dat de priester, zoals elke gelovige, gehoor geeft aan de stem van de Bruidegom, van het Lam. Hij laat die stem in zich binnendringen en laat zich omvormen door het woord van de Bruidegom, van Jezus Christus.

Aan de andere kant staat de priester ook "tegenover" de Kerk, zoals de bruidegom voor zijn bruid. Door de genade gekregen vanuit zijn wijding heeft de priester de taak in zijn geestelijk leven de liefde van Christus-bruidegom tegenover de Kerk-bruid te doen herleven, want hij vertegenwoordigt Christus in de Kerk. Zonder geen enkel twijfel blijft hij "altijd in de gemeenschap waarvan hij als gelovige deel uitmaakt samen met alle andere broeders en zusters die door de Geest bijeengeroepen zijn, maar krachtens zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, staat hij in die positie van bruidegom tegenover de gemeenschap. In zoverre hij Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk"[7].

Bij Christus valt gezag samen met dienstbaarheid, die hij beoefent door het totaal wegschenken van zichzelf, in een offergave die nederigheid uitstraalt en liefde voor de Kerk, zijn bruid. Zo is ook de priester geroepen de mensen die hem toevertrouwd zijn, "met een nieuw, groot en zuiver hart lief te hebben, met waarachtige zelfonthechting, met volle, voortdurende en trouwe toewijding..., met een tederheid die zelfs de nuances van de moederlijke liefde aanneemt, in staat 'weeën' te doorstaan, totdat de gelovigen 'de gestalte van Christus' aangenomen hebben"[8]. Deze pastorale liefde, die de totale gave van zichzelf veronderstelt, komt voort uit het kruis, het eucharistische offer, want de huwelijksliefde is "een sacramenteel teken van de liefde van Christus voor zijn Kerk, een liefde die haar hoogtepunt vindt in het Kruis, dat de uitdrukking is van zijn 'bruiloft' met de mensheid en tegelijkertijd de oorsprong en het middelpunt van de Eucharistie"[9]. De Eucharistie actualiseert en doet op sacramentele wijze het verlossende gebaar van Christus herleven, die de Kerk als zijn lichaam schept. Met dit lichaam verenigt Christus zich zoals de bruidegom met zijn bruid.

Heden ten dage, lopen wij priesters het grote risico om onze pastorale activiteit te reduceren tot het onderhouden van structuren en organisaties. We lopen het gevaar om geen sacramenteel teken meer te zijn van het bruiloftsmysterie van Christus en van zijn Kerk, want wij hebben zelf de liefde van de eerste dag kwijtgespeeld en wij zijn niet langer op zoek naar Christus-bruidegom, zoals de bruid van het Hooglied[10].

Heel gemakkelijk kunnen we naar de moralistische ijver verglijden, wanneer we ons in het begeleiden van een plaatselijke gemeenschap beperken tot de zorg van structuren en groeperingen. Zo doende vergeten we het Mysterie en de nieuwheid van het Evangelie en slaan geen achting op het feit dat de mensen die ons toevertrouwd zijn, het lichaam van de Bruidegom vormen en dus heilig zijn.

Over dit alles moeten we verantwoording geven aan de Heer.

 

 

Maurizio Fomini 

 


________________________

[1] Pastores dabo vobis, 23.
[2] H. de Lubac, Catholicisme. Les aspects sociaux du dogme, Les Éditions du Cerf, Paris 1941, 139.
[3] De Duitse theoloog M.J. Scheeben (1835-1888) had de grote verdienste dit aspect te belichten, waardoor Maria, dankzij haar bovennatuurlijke vereniging met het Woord van God, tegelijk spirituele bruid van Christus wordt, alsook zijn Moeder in het vlees: vgl. M.J. Scheeben, La Mère virginale du Sauveur, Desclée De Brouwer, Paris 1953, 90-105.
[4] Vgl. E. Grasso, "Contemplatief in actie" (RM 91). Maria Magdalena, beeld van de Kerk op missie, in E. Grasso, Lieve Clown. Aantekeningen bij de nieuwe evangelisatie, Colomba, Oegstgeest 1992, 82-96.
[5] Sint-Augustinus, Sermoen 340.
[6] Pastores dabo vobis, 74.
[7] Pastores dabo vobis, 22.
[8] Pastores dabo vobis, 22.
[9] Sacramentum Caritatis, 27.
[10] Vgl. E. Grasso, Sacerdotes: hombres de la oración y de la palabra de Dios. Ejercicios espirituales para el clero, Centro de Estudios Redemptor hominis (Cuadernos de Pastoral 7), Asunción 2006, 40-41.

21/06/2010