Jaar van de Priester/11
   

 
DE PRIESTER EN MARIA

 


Benedictus XVI heeft het Jaar van de Priester aan Maria toevertrouwd met de bede "
in het innerlijk van iedere priester een edelmoedige herleving op te wekken van de idealen van volledige overgave aan Christus en Zijn Kerk, die het denken en handelen van de heilige Pastoor van Ars bepaalden"
[1].Paus Benedictus XVI te Fatima

Dit vertrouwen in Maria is een traditie die de Pausen vaak hernieuwd hebben in de vaste hoop dat de Moeder van de Hogepriester Christus degenen die Hij gekozen heeft om zijn evangelisatie- en heilswerk verder te zetten, zou willen steunen zoals ze haar Zoon gesteund heeft. Hieromtrent is het genoeg te herinneren aan wat Johannes Paulus II schreef in zijn eerste brief aan de priesters naar aanleiding van Witte Donderdag 1979: "In ons ministerieel priesterschap is er ook het wondere en doordringende van de nabijheid van Christus' Moeder. Laten we dan binnen deze dimensie leven"[2].

De gewoonte om deze uitdrukkingen een oppervlakkige en vage betekenis te geven in devotionele en sentimentele zin, belemmert jammer genoeg de bewustwording van het diepe mysterie dat ze uitdrukken. Er heerst een verwarring in verband met het soort "hulp" die Maria aan de priester verleent.

Het Tweede Vaticaans Concilie nodigt de priesters uit om Maria als het volmaakte model van het eigen bestaan te zien en om haar "die de Moeder is van de eeuwige Hogepriester en de Koningin der apostelen, en die de steun is bij hun dienstwerk, met een kinderlijke liefde en godsvrucht te vereren en lief te hebben"[3]. Deze liefde wordt onder het kruis geboren. Inderdaad, van op het kruis vertrouwt Jezus zijn Moeder toe aan de geliefde leerling die "een voorafbeelding is van alle veelgeliefde leerlingen, van allen die door de Heer geroepen zijn om ‘geliefde leerling' te zijn en bijgevolg op bijzondere wijze ook van de priesters"[4].

Het Evangelie vertelt ons dat vanaf dit moment Johannes de moeder van Jezus onthaalt "in de intimiteit van zijn leven, van zijn wezen, ‘eis tà idia', in de diepte van zijn wezen. Maria bij zich opnemen, betekent haar binnenlaten in de dynamiek van heel het eigen bestaan - het gaat niet om iets uiterlijks - en in al wat de horizon van het eigen apostolaat uitmaakt"[5].

Maria binnenlaten in "de dynamiek van het eigen bestaan" betekent voor de priester elke vorm van devotioneel en sentimenteel piëtisme achter zich te laten en de diepste zin van de eigen relatie met Christus terug te ontdekken.

Maria model voor de priester

Om authentiek de genade van de priesterlijke gave te beleven is het heel belangrijk een diepe, sterke en continue relatie met Gods woord te onderhouden. Moest deze relatie op de achtergrond verdwijnen, dan wordt het onmogelijk het priesterlijke ambt in zijn volheid te beleven. Opdat de priester zijn roeping mag beleven, is het daarom fundamenteel dat hij zijn relatie met Gods woord onderhoudt en verstevigt. In die zin stelt Maria zich voor als het na te volgen model. Ze leidt ons binnen in het "mystieke" aspect van het geloofsleven dat aan de ambtelijke en sacramentele functie van de priester voorafgaat en betekenis geeft.

Inderdaad, het model voor de Kerk is niet Petrus, wel Maria. Petrus is lid van de mariale Kerk, en ook hij bevindt zich in die bruidsverhouding, die in Maria haar volheid vindt. Hij heeft voor ogen welke het "archetype" is van de Kerk; Maria vertegenwoordigt deze vorm en ook het geloof van Petrus fundeert zich erop, namelijk het kruis. "Ook Petrus, zonder het zelf te willen, maar door de wil van een ander te laten geschieden, komt uiteindelijk aan waar Maria al stond, nadatSt.-Petrus hijzelf van op de zijlijn verloochende en tranen van spijt huilde"[6]. Het charisma van Maria omvat dus dat van Petrus. Wanneer in het charisma van Petrus de relatie met Maria wegvalt, wordt de functie van Petrus als hoofd van de Kerk een vervangingsvorm van de persoon van Jezus. Zonder Maria zouden we in een machistische Kerk vervallen, een Kerk die niet in staat is tot tederheid, tot zachtheid, tot liefde. We zouden een Kerk krijgen met priesters die in activisme hun bestaansreden vinden en die door von Balthasar zo omschreven wordt: "Geesteloos, sluw, actief en opdringerig, wil hij gehoord worden; hij is de man van de vermenigvuldigingen"[7].

Pal tegenover zo'n beeld van priester staat het nederige en onvoorwaardelijke "ja" van Maria. Daarom werd haar jawoord "de deur waarlangs God in de wereld kon binnenkomen om mens te worden. Zo is Maria werkelijk en ten diepste betrokken in het mysterie van de menswording en van ons heil. En de menswording, het feit dat de Zoon mens werd, was vanaf het begin gericht op de gave van Zichzelf - op de gave van Zichzelf met veel liefde op het kruis om het brood voor het leven van de wereld te worden. Zo gaan offer, priesterschap en Menswording samen, en Maria staat te midden van dit mysterie"[8].

Maria binnenlaten in "de horizon van ons priesterlijk apostolaat" betekent ook begrijpen hoe ze de figuur is van de moeder van Christus, opdat ook wij dat mogen worden. Maria is moeder omdat zij, door haar eigen lichaam aan het Woord te geven, zwanger van het Woord geworden is en zo het Woord tot leven heeft laten komen in de wereld.

Tertullianus spreekt over een vorm van docetisme[9], volgens dewelke het lichaam van Christus uit de hemel zou neergedaald zijn en slechts gepasseerd door het lichaam van Maria, zonder echter in haar en door haar tot leven gekomen te zijn. Maria zou voor Jezus zijn als een weg, niet een moeder; en Jezus zou slechts een gast voor Maria zijn en niet haar zoon[10].

Om deze vorm van docetisme niet te herhalen, kan de priester zich niet beperken tot het doorgeven aan anderen van een abstracte Christus, uit de boeken geleerd, als deze niet zelf vlees van zijn vlees en bloed van zijn bloed gewordenmaria_e_ges.jpg is. Zoals Maria die - naar het beeld dat Sint-Bernardus van Clairvaux gebruikt - lijkt op een waterbekken dat laat overlopen waarvan het zelf vol is, evenzo kan de priester niet een soort kanaal zijn dat zich beperkt tot het doorlaten van het water zonder zelf erdoor te veranderen. Als hij zwanger van het Woord is, zal hij het doorgeven omdat hij er zelf vol van is.

In zulke visie krijgt ook het celibaat een nieuw licht. Het kan niet gereduceerd worden tot een ethische kwestie. Dan zou zijn diepste betekenis verloren gaan. Het celibaat brengt ertoe zich over te geven aan Christus' liefde. Het is een relatie met de Heer in lichamelijke, fysieke, spirituele en persoonlijke liefde. Het is Christus die onze gedachten, onze schoot, ons hart vervult, opdat wij zijn Kerk mogen baren naar het model van Maria.

 

Maurizio Fomini

 

 



________________________

[1] Benedictus XVI, Brief aan het begin van het Jaar van de Priesters (16 juni 2009), in www.rkdocumenten.nl/rkdocs
[2] Giovanni Paolo II, Lettera ai sacerdoti in occasione del Giovedì Santo 1979, in www.vatican.va
[3]  Presbyterorum ordinis, 18.
[4] Benedetto XVI, Udienza Generale (12 agosto 2009), in www.vatican.va
[5] Benedetto XVI, Udienza Generale..., in www.vatican.va
[6] H.U. von Balthasar, Cordula ovverosia il caso serio, Queriniana, Brescia 1968, 41.
[7] H.U. von Balthasar,  Punti fermi, Rusconi, Milano 1972, 187.
[8] Benedetto XVI, Udienza Generale ..., in www.vatican.va
[9] Het docetisme is een christologische dwaalleer, nl. een verkeerde opvatting over de echte natuur van Christus. De term komt uit het Griekse werkwoord dokéin, schijnen. Volgens deze ketterij zouden het lijden en de menselijkheid van Jezus alleen maar schijn en geen werkelijkheid zijn.
[10] Vgl. Tertulianus, De carne Christi, 20-21.

19/05/2010