Jaar van de Priester/10   

 
DE PRIESTER EN HET GEBED

 

In de Handelingen van de Apostelen komen we een passage tegen die beschrijft hoe de apostelen, geconfronteerd met de steeds dringender materiële noden van de gemeenschap, concrete maatregelen nemen om zich hoofdzakelijk teSint Petrus wijdt Sint Stefanus tot diaken wijden aan het gebed en aan de bediening van het Woord: "De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: 'Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden, terwijl wij onszelf zullen blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord'. Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Dezen werden aan de apostelen voorgedragen die na gebed hun de handen oplegden" (Hnd 6, 2-4). In deze perikoop worden op zeer duidelijke wijze twee activiteiten van primordiaal belang in het priesterlijk dienstwerk bevestigd: het gebed en de verkondiging. Het gebed krijgt de eerste plaats toegewezen ook al wordt het nooit losgemaakt van de verkondiging van het Woord. Inderdaad, verkondiging en gebed verwijzen naar elkaar en ondersteunen elkaar wederzijds.

Dikwijls echter is het gebed niet de prioriteit in ons priesterlijk leven. De opdrachten en de pastorale taken vormen vaak een voorwendsel om niet te bidden. Men ervaart het gebed niet als bron voor het eigen leven en voor het apostolisch engagement. In verband hiermee zei Benedictus XVI: "Het normale activisme kan zelfs heldhaftig zijn. Per slot van rekening echter blijft het uitwendig handelen zonder vrucht en verliest het aan efficiëntie wanneer het niet geboren wordt uit diepe intieme gemeenschap met Christus. De tijd die wij hierin investeren is werkelijk tijd van pastorale activiteit; een authentieke pastorale activiteit. De priester moet boven alles een man van gebed zijn"[1]. De toenmalige Kardinaal Ratzinger schreef dat de wereld niet meer in staat is te knielen "omdat zij Diegene niet meer kent ten overstaan van Wie enkel een kniebuiging de juiste, ja zelfs de innerlijk noodzakelijke houding is. Wie leert geloven, leert knielen. Een geloof of een liturgie die niet meer de handeling van het knielen kent, is op een centraal punt ziek"[2].

Deze woorden nodigen ons uit tot een ernstig gewetensonderzoek. Want als een priester niet meer bidt, verraadt hij God, de Kerk, zijn volk en zijn eigen roeping. Hoe zal hij het authentieke gebed kunnen leren aan het volk? Indien een priester zich niet omvormt in een meester in het gebed en niet neerknielt om te bidden voor zijn volk, hoe zal hij dan het Woord van God verkondigen? In de brief bij de opening van het Jaar van de Priester benadrukt de Paus dat de pastoor van Ars "vooral met het getuigenis van het leven zijn parochianen onderwees. Door zijn voorbeeld leerden de gelovigen bidden, graag even halt houden voor het tabernakel om een bezoek te brengen aan de Eucharistische Jezus"[3]. Deze dimensie van het gebed is een dringende prioriteit voor onze dienst aan het Evangelie.

Het gebed is relatie

Veel priesters bidden weinig en sommigen bidden op een verkeerde manier. Zeer vaak kent of beleeft men de kern van het christelijk gebed niet[4].

Voor alles is het gebed het antwoord van de mens op Gods gratuite en prioritaire beslissing om met de mens in relatie te treden. Het is God, volgens de Schrift, die de mens zoekt, ondervraagt en roept. De mens wordt gebracht tot luisteren in het geloof en vanuit het geloof te reageren door het gebed. Indien in zekere zin het gebed antwoord is aan God die het eerst tot ons het woord heeft gericht, is het ook van de kant van de mens aanroeping en zoektocht naar God die zich verbergt. De liefdevolle dialectiek van het Hooglied, het spel van verlangen en zoeken tussen minnaar en beminde kan ook toegepast worden op het gebed. De liefdevolle dialoog in het Hooglied is in de grond de werkelijkheid waarnaar de Schrift de mens wil voeren in zijn verhouding met God: "Het is misschien deze relationele dimensie die het best tot uitdrukking brengt het eigene van het christelijk gebed; een gebed dat zich begeeft naar en leeft aan de binnenkant van de verbondsrelatie die God met de mens aangaat"[5].

Het gebed is luisteren

Het luisteren maakt een noodzakelijke voorwaarde uit voor het gebed. Dit geldt op een heel bijzondere wijze voor de priester want wat hij verkondigt en getuigt, hangt af van wat hij hoort. Daarom moet de priester, geroepen om de gemeenschap van de Heer voor te zitten, aan God een volgzaam hart vragen (1 Kon 3, 9), bekwaam om te luisteren. Als wachter van het volk van God moet hij altijd er op uit zijn om het Woord te horen dat komt uit de mond van God om het vervolgens door te geven aan zijn gemeenschap. Het luisteren is dus de eerste oefening van het gebed. Indien men enkel bidt om tot God te spreken dan loopt het gebed uit op een frustratie en men eindigt met God te beschuldigen omwille van zijn stilte. Terwijl we eerder zouden moeten bekennen dat wij doof zijn en niet in staat Zijn stem te horen.

Het luisteren is daarnaast ook fundamenteel voor de onderscheiding. In het Hebreeuws betekent de term "gebed" (tefillà), letterlijk "oordeel". Het gebed neigt ernaar om onze gedachte te linken aan de wil van God: het is de mogelijkheid de werkelijkheid te zien met de ogen van God. Hij helpt ons om ons leven helder te zien; onze relatie met de anderen. De priester die geroepen is om voor te gaan in de Kerk van God; om haar op te bouwen en te leiden door zijn apostolisch dienstwerk, heeft nood aan de gave van onderscheiding als aan een charisma dat inherent is aan zijn bediening. Deze bekwaamheid tot onderscheiding moet aan God worden gevraagd. Samengevat leidt het luisteren ons binnen in de beoordelingscriteria van de Heer zelf om de werkelijkheid te zien met zijn eigen ogen[6]. Het gemeenschappelijk denken dat ontspringt aan het frequenteren van het Woord is niet enkel iets intellectueels maar is gemeenschap van gevoelens en wil en dus ook van handelen. Dit betekent dat wij Jezus moeten kennen op een steeds persoonlijkere manier terwijl we naar Hem luisteren, samen met Hem leven en ons ophouden bij Hem.

De praktijk van de lectio divina is het geprivilegieerde kanaal van het luisteren naar het Woord. Door de Schrift op een niet-academische maar geestelijke wijze te lezen "leren we om de aanwezige Jezus die tot ons spreekt te ontmoeten. We moeten discussiëren en nadenken over zijn woorden en over zijn handelen voor zijn Aanschijn en met Hem. De lezing van de Heilige Schrift is gebed; moet gebed zijn; moet opkomen vanuit het gebed en leiden naar het gebed. De evangelisten zeggen ons dat de Heer herhaaldelijk - hele nachten lang - zich terugtrok 'op de berg' om alleen te bidden. Aan die 'berg' hebben ook wij nood: het is de innerlijke hoogte die wij moeten beklimmen, de berg van het gebed... Alleen zo kunnen wij ons priesterlijk dienstwerk ontplooien. Alleen zo kunnen wij Christus en zijn Evangelie naar de mensen dragen"[7].

Als priesters zijn wij geroepen om het Woord te verkondigen, niet om ons te beperken tot het herhalen van wat wij gestudeerd hebben. Onze verkondiging zal efficiënt zijn indien wij geruggensteund worden door een werk van persoonlijk luisteren, meditatie en contemplatie van het Woord zelf. Alleen dan zal het Woord van God, als subjectgenitief (God die spreekt) en niet als objectgenitief (woord over God) tegenwoordig zijn in onze prediking.

 

Maurizio Fomini

 

 

________________________

[1] Benedetto XVI, Omelia nella Santa Messa Crismale (13 aprile 2006), in www.vatican.va
[2] J. Ratzinger, Introduzione allo spirito della liturgia, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 2001, 190.
[3] Benedictus XVI, Brief aan het begin van het Jaar van de Priesters (16 juni 2009),  in www.rkdocumenten.nl/rkdocs/ 
[4] Vgl. E. Bianchi, Aan de priesters, Halewijn/CCV, Antwerpen 2010, 31.
[5] Vgl. E. Bianchi, Le parole della spiritualità. Per un lessico della vita interiore, Rizzoli, Milano 2003, 106.
[6] Vgl. E. Bianchi, Aan de priesters..., 33-34.
[7] Benedetto XVI, Omelia nella Santa Messa Crismale (13 aprile 2006), in www.vatican.va

13/05/2010