Thema's van Spiritualiteit/7   

 

De lauwheid: noch koud noch heet

 



Als wij de Bijbel openen, dan ontmoeten wij vele, echt harde uitdrukkingen die ons diep raken. Één ervan bevindt zich in het boek Apocalyps van Sint-Jan: "Ik ken uw daden: u bent noch koud noch heet. Was u maar koud of heet! Omdat u lauw bent en heet noch koud, zal ik u uitbraken uit mijn mond" (Apk 3, 15-16).

Deze aan de gemeente van Laodicea gerichte boodschap is de hardste van allemaal. Ze keurt de spirituele toestand af waarin de christenen in hun verwaandheid slapen, en waarin zij door hun rijkdom verblind zijn. God spoort hen aan om tot inkeer te komen en raadt hen aan om van Hem te kopen wat hun werkelijk rijk kan maken (vlg. Apk 3, 18).

Ook wij, christenen van het oude continent, mogen ons geen illusies maken. Ook wij zijn niet behoed tegen de slaap van de verwaandheid en tegen de blindheid die voortkomt uit de vele rijkdommen. Ook wij, zoals de gemeente van Laodicea, slapen gemakkelijk in onze verwaandheid in. Ook wij worden verblind door het bezit van materiële goederen. Ook wij leven zo goed en zo kwaad als het gaat met een verdeeld hart waarvan men niet weet aan welke kant dit staat.

Wanneer zetten wij ons in zodat de vrijheid en de genade samen de daden van de Heer realiseren?

De lauwheid is veroorzaakt door onze onverschilligheid die op haar beurt de goddelijke afkeer veroorzaakt. Het gaat om een houding die God echt betreurt: "Vervloekt, wie deze opdracht van Jahwe nalatig volvoert" (Jr 48, 10).

God heeft ons niet geschapen om zijn daden nalatig uit te voeren, maar Hij heeft ons al de vermogens gegeven om in onze vrijheid deze te verkiezen en om ze te realiseren met actieve medewerking, met onze intelligentie en wil, met de hulp van zijn genade.

Daarom is ons voorbeeld Maria omdat zij als gezellin van Christus al haar menselijke capaciteiten en al haar menselijke verantwoordelijkheden tot ontwikkeling brengt[1].

Één van de ondeugden die de mens beletten om actief mee te werken aan de daden van de Heer, en op deze wijze onze volheid als mens bereiken, is inderdaad de lauwheid.

De lauwheid is de spirituele toestand van wie zich middelmatig in het leven van de genade inzet. Het is een toestand die zowel de haat tegenover God door de zonde als de toewijding met de edelmoedigheid van de persoonlijke inzet in zijn geheel uitsluit. Het is een soort spirituele slaap waarin men zich met het minimale - om de genade niet te doven - tevreden stelt, zonder veel moeite en zonder veel inzet. Het is een onverschilligheid tegenover de heiligheid en de volmaaktheid die, zonder officieel de genade van God te minachten, het innerlijke leven niet lijkt te animeren en in leven te houden[2]. Daarom wordt alles uitgevoerd en tot stand gebracht zonder een innerlijke medewerking. Het is als een last die door anderen op ons wordt gelegd, waarvan wij de betekenis niet begrijpen en het dynamisme ervan niet grijpen.

De lauwe is altijd aanwezig als een vreemde toeschouwer. Hij behoort tot de categorie van personen die zich in een plaats altijd per toeval bevinden. Ze zijn aanwezig maar werken niet mee. Ze zijn fysiek aanwezig, maar spiritueel afwezig.

De lauwe is gelijk aan die persoon die zijn ontvangen talent heeft verborgen, maar toch hoopt bij de terugkomst van de Heer beloond te worden omdat hij zijn intelligentie, zijn wil, zijn vrijheid, zijn handen, zijn mond, zijn voeten, zijn hart in een graf en in de slaap van de dood heeft verborgen.

In de lauwe ziel weigert de intelligentie het licht dat God haar verleent, te ontvangen en waarde te geven. De wil heeft geen energie meer. Het hart wordt stil aan ongevoeligheid t.o.v. Gods liefde. In de Katechismus van de Katholieke Kerk verklaart men: "De lauwheid betekent een aarzeling of een nalatigheid in het beantwoorden van de goddelijke liefde"[3].

De onverschilligheid veroorzaakt door de lauwheid is voor God een grotere belediging dan de breuk, de weigering, de zonde. De duidelijke weigering, de diepe zonde, kan een begin zijn van bekering, maar wie zich tevreden stelt met het minimum zal nooit in staat zijn naar iets meer te zoeken, zal nooit zoeken naar de volheid van de vriendschap.

Wij moeten nooit vergeten dat in het christenleven alles zich baseert op een relatie van persoonlijke vriendschap met de Heer. En wanneer deze relatie zwak wordt, inslaapt, ziek wordt, dan verliest al de rest zijn zin en vroeg of laat verlaat men de Heer.

Soms kunnen de fysieke moeheid, de morele proeven of de onbekwaamheid leiden tot een ontmoediging, tot het gevoel van nutteloosheid, tot het verlangen om alles te verlaten. Wij moeten goed weten dat dit niet raar en niet zondig is. Ook de grootste heiligen hebben deze ervaringen meegemaakt. Wij moeten ons altijd eraan herinneren dat de spirituele groei langzamerhand gebeurt en met geduld. "Heb dus geduld, broeders,... De boer die uitziet naar de kostelijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig wachten, totdat de winter- en voorjaarsregen gevallen zijn" (Jak 5, 7)[4].

Sint-Lucas herinnert er ons aan dat "wie betrouwbaar is in het kleinste, ook betrouwbaar is in het grote" (Lc 16, 10).

Trouw zijn in het kleine behoedt ons van de slaap van de verwaandheid en houdt ons zicht helder om te kunnen weten waar wij kunnen kopen wat ons werkelijk rijk maakt.

 

Irene Iovine



________________________

[1] Vgl. Statuten van de Gemeenschap Redemptor hominis, art. 15.
[2] Vgl. C. Gennaro, Tiepidezza, in Dizionario Enciclopedico di Spiritualità, III. A cura di E. Ancilli e del Pontificio Istituto di Spiritualità del Teresianum, Città Nuova Editrice, Roma 1990, 2519.
[3] Katechismus van de Katholieke Kerk, 2094.
[4] Vgl. E. Grasso, Très chers amis... Thèmes choisis de spiritualité, Centre d'Études Redemptor hominis, Mbalmayo 2000, 215-219.


10/05/2010