Kennismaking met het godgewijde leven/5
 


WAT SCHOON DAT WE HIER ZIJN!


Het evangelisch fundament van het godgewijde leven moet gezocht worden in de bijzondere relatie die Jezus in zijn aardse bestaan tot stand bracht met enkele leerlingen. Hij heeft hen uitgenodigd niet alleen om het Rijk Gods in hun leven te aanvaarden, maar ook om het eigen bestaan volledig in dienst ervan te stellen door alles achter te laten in navolging van zijn eigen manier van leven
[1].

Het gaat om een uitnodiging tot een bijzondere navolging van Christus, die de godgewijde personen als roeping hebben ontvangen. Zij bootsen trouwer het leven na dat de Zoon van God koos, toen Hij in de wereld kwam om de wil van zijn Vader te volbrengen, en dat Hij ook voorstelde aan zijn leerlingen[2].

Na de uitleg over het drievuldig karakter van het godgewijde leven in voorgaand artikel, moeten we nu die christologische connotatie ontleden.

Hem van dichterbij volgen

De navolging van Christus is zeker de verplichte weg voor alle christenen, en is niet het voorrecht van een categorie van gelovigen. Het christendom is altijd en wezenlijk Jezus volgen.

De opdracht van het godgewijde leven binnen de Kerk is precies aan deze eenvoudige waarheid te herinneren: christen zijn is Jezus Christus volgen. De leden van het godgewijde leven zijn door hun roeping opgeroepen tot deze navolging die hen, door haar objectieve eigenschappen, dichter bij de manier van leven van de Heer brengt[3].

"Jezus Christus" zeggen, is geen verwijzing naar de naam en voornaam van iemand, zoals we zouden zeggen: "Jan Janssen". Het uitspreken van de woorden "Jezus Christus" houdt steeds een geloofsbelijdenis in; het is verklaren dat Jezus van Nazareth, uniek, onherhaalbaar, de Christus is, de gezondene van de Vader, de redding van de wereld, de vervulling van de geschiedenis[4].

Hem volgen betekent niet eenvoudigweg in Hem een te bewonderen en te vereren personage herkennen, maar ook een "weg" voor ons. Christen zijn betekent in zijn voetspoor treden. Enkel door Hem te volgen kunnen we weten wie Hij is en op wie wij onze hoop gesteld hebben.

Gedurende eeuwen getuigt het godgewijde leven dat het christendom niet enkel een leer is over Jezus, maar dat het zich, tegen de prijs van zijn eigen waarheid, voedt door Hem metterdaad te volgen.

Hem volgen is nooit een imitatie zonder geschiedenis, buiten concrete situaties, in een wereld die voortdurend verandert. Hem volgen kan voor zijn volgelingen betekenen dat ze voortdurend veranderen van plaats, bezigheden en menselijke verwachtingen, omdat elke dag van ons geëist wordt dat we ons leven op zijn echtheid onderzoeken en valse zekerheden afwijzen.

De trouw in de navolging ligt niet in het afwijzen van verandering, maar in het verwezenlijken van alle veranderingen die nodig zijn om achter Hem te blijven gaan. Die trouw betekent niet standvastigheid van plaats, van werk of van levensstijl, maar van keuze van het hart. Het vraagt ons aan het leven vorm te geven tot het einde toe, zonder ooit iets als vanzelfsprekend te beschouwen, "strijdend totdat de strijd niet eindigt"[5], en zonder van weg te veranderen alleen maar omdat de weg die we kozen bij de aanvang, vandaag moeilijk te bewandelen is geworden.

De beklimming van de berg

Johannes Paulus II bracht, volgens een onmiskenbare pastorale stijl, voor elke categorie van gelovigen een evangelisch beeld in herinnering dat in het bijzonder bij die categorie past. Inderdaad, wanneer hij zich richt tot de priesters, herinnert hij aan de parabel van de Goede Herder die zijn leven geeft voor zijn kudde; wanneer hij spreekt over de gelovige leken, herneemt hij het beeld van de arbeiders die de Heer erop uit stuurt om in zijn wijngaard te werken; wanneer hij zich richt tot de godgewijde personen, stelt hij de episode van de gedaanteverandering van de Heer voor.

"Het is schoon dat we hier zijn!" (Mt 17, 4), roept de leerling uit die zijn blik richt op het stralende gelaat van Christus, in de luister van zijn goddelijkheid.

Zij die tot het godgewijde leven geroepen zijn, worden uitgenodigd een bijzondere ervaring te maken van het licht dat straalt uit het mensgeworden Woord. Die uitroep drukt welsprekend het allesomvattend karakter uit, dat het dynamisme uitmaakt van de roeping tot het godgewijde leven: het is schoon bij de Heer te verblijven, zijn leven aan Hem te wijden, het eigen bestaan op Hem te concentreren[6].

Die ervaring impliceert een "bestijging van de berg" ("Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jacobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op", Mt 17, 1), en dus een zich verheffen, zich verwijderen van de massa, dicht bij de Heer zijn.

Voor de leerlingen is het een ervaring van licht, een avontuur van vrijheid en genade.

In deze ervaring schemert ook een theologie van het "gelaat" door, die de gedaanteverandering doet oprijzen. De schoonheid van het gelaat van de Heer legt zich uit zichzelf op; ze heeft geen woorden nodig, geen bewijs. Zij zuivert de blik en het hart van de volgelingen.

Op dezelfde manier zijn de religieuze gemeenschappen geroepen zich voor te stellen, niet als anonieme werkelijkheden, maar als een gemeenschap van concrete gezichten, die de schoonheid van God zichtbaar maken.

De gedaanteverandering en het licht dat ervan uitgaat, verwijzen naar de werkelijkheid van het Koninkrijk. Die schoonheid is in staat het hart van de mens te openen naar zijn eschatologische bestemming; terwijl ze nooit volledig gegrepen en bezeten is, laat ze een toekomst van geluk vermoeden, oefent ze aantrekkingskracht uit en voedt ze het dynamisme tot navolging bij de leerlingen.

De afdaling van de berg

De episode van de gedaanteverandering is een gebeurtenis die het geloof van de leerlingen versterkt, hen op het drama van het kruis voorbereidt en op het zien van de glorie van de verrijzenis vooruitloopt.

De ervaring is kort; daarna moeten de leerlingen van de berg afdalen en terugkeren naar het dal. Ze hebben genoten van de intimiteit van de Heer en onmiddellijk worden ze teruggebracht naar de dagelijkse realiteit, waar ze Jezus zien in de nederigheid van de menselijke natuur.

Uit de bijzondere genade van de beleefde intimiteit en vriendschap in het godgewijde leven vloeien de mogelijkheid en de noodzaak voort zichzelf totaal te geven om het werk van het plan van God op zich te nemen en de weg van het kruis te gaan[7].

Wanneer we niet in staat zijn die vriendschap te beleven en ons te laten doordringen van dat licht, slagen we er enkel in aan de mensen alleen onszelf te geven, de illusies van onze projecten en de verveling van onze woorden. Het is dan nodig uit te leggen en aan te tonen waarom we niet in staat zijn het gelaat van Hem die we verkondigen, zichtbaar te maken.

We verliezen ons tenslotte tussen duizenden bezigheden die, zonder de weerspiegeling van die schoonheid zoals het gelaat van de verheerlijkte Heer, ons niet toelaten aan de mensen de reddende werkelijkheid van het kruis mee te delen, en hen ontvankelijk te maken voor de toekomst en de belofte van het Rijk.

Silvia Recchi




________________________

[1] Vgl. Vita consecrata, 14.
[2] Vgl. Lumen gentium, 44.
[3] "Met betrekking tot de opdracht van de Kerk, heiligheid zichtbaar te maken, moet erkend worden dat het godgewijde leven objectief een zeer vooraanstaande plaats inneemt, want het weerspiegelt Christus' eigen wijze van leven. Juist daarom is het een bijzonder rijke manifestatie van de evangelische waarden en een volmaakter verwerkelijking van het doel van de Kerk, de heiliging namelijk van de mensheid", Vita consecrata, 32.
[4] Vgl. W. Kasper, Jésus le Christ, Éd. du Cerf, Paris 1976, 14.
[5] J. Chittister, Il fuoco sotto la cenere. Spiritualità della vita religiosa qui e adesso, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 1998, 96.
[6] Vgl. Vita consecrata, 15.
[7] Vgl. Vita consecrata, 15.





03/03/2010