Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Geschriften van Emilio Grasso arrow Artikelen arrow De verheerlijking van Maria: haar tenhemelopneming
Afdrukken Verzenden naar een vriend






De verheerlijking van Maria:

haar tenhemelopneming

 

 

     

De Heilige Schrift spreekt niet expliciet over de tenhemelopneming van Maria. In het Nieuwe Testament wordt niet naar deze gebeurtenis verwezen. Er zijn alleen maar enkele aanwijzingen, enkele sporen van reflectie hierover. Sinds de Kerk na Jezus' dood en verrijzenis de Geest van de Heer heeft ontvangen, die haar alles wat Jezus heeft gedaan in herinnering brengt en ten diepste doet begrijpen, houdt zij niet op voortgang te maken in het begrijpen van de geopenbaarde mysteries.

Bijgestaan door de Heilige Geest heeft de Kerk in haar goddelijke wijsheid erkend dat deze vrouw, die de Heer nooit in de steek heeft gelaten, zelfs niet op het ogenblik van het kruis en van de dood, en die deelgenote werd gemaakt van zijn lijden, in haar lichaam niet het bederf van de dood kon kennen. De diepe eenheid van Maria met het mensgeworden en verlossende Woord kon niet eindigen met het einde van haar aardse bestaan, en evenmin wachten op de uiteindelijke verrijzenis om zich ten volle te verwezenlijken.

Aangezien de dood van Jezus ook de dood van Maria is, werd, "zoals Jezus is opgestaan uit de dood en is opgestegen om te zitten aan de rechterhand van de Vader, zo ook Maria in de hemel opgenomen, toen de loop van haar bestaan op aarde ten einde was" (Benedictus xvi, Angelus, 15 augustus 2006). Waar het uit de doden opgewekte en verheerlijkte lichaam van Jezus is, daar is ook het lichaam van Maria, die verenigd is met de triomf van haar verrezen Zoon.

De afkondiging van het dogma van de tenhemelopneming van Maria met haar verheerlijkte lichaam heeft plaatsgevonden met de apostolische constitutie Munificentissimus Deus van 1 november 1950, die na overleg met de bisschoppen van heel de wereld door Pius XII is uitgevaardigd. Hierin liet men zien dat deze verering al eeuwen bestond, zoals ook de datum van de stichting van de stad Asunción in Paraguay in 1537 aangeeft. Dit dogma laat zien hoe nauw de verrijzenis van het lichaam samenhangt met het christelijk geloof. Onze godsdienst stelt niet eenvoudig de onsterfelijkheid van de ziel, gescheiden van het lichaam, zoals de Griekse filosofen geloofden. Wat eigen is aan het christelijk mysterie, is het geloof in de verrijzenis van het lichaam, een ware aanstoot voor de Grieken. Zij hoorden de apostel Paulus op de Areopaag aan en waardeerden zijn verhaal, totdat hij begon te spreken over de verrijzenis, die zij voor een fabeltje hielden (vgl. Hand. 17, 16-34).

Denken dat men blijft voortleven in het leven van zijn kinderen, in werken, in boeken, in de herinnering van zijn dierbaren, is een pure illusie en beantwoordt niet aan de christelijke boodschap. Er is een innige relatie tussen lichaam en geest. De ervaring laat dat zien: als men niet slaapt, wordt men nerveus; vermoeidheid verzwakt de wil; honger of dorst hebben doet alle andere zorgen vergeten en een moeilijke spijsvertering laat niet toe een verhaal aandachtig te volgen; ziekte bepaalt het dagritme. Daarom kan het lichaam, dat de geest het hele leven lang heeft begeleid door het te helpen en het de mogelijkheid tot goed doen te bieden, ook na de dood niet ophouden, de bestemming van de geest te volgen.

De christelijke leer zegt dat lichaam en ziel één zijn, zonder echter beide te reduceren tot één enige werkelijkheid. Bovendien beperkt het heil dat de christen verwacht zich niet tot het lichaam, maar het omvat de hele schepping. De Kerk beschouwt de tenhemelopneming van Maria in het beeld dat de Apocalyps laat zien van de vrouw die bekleed is met de zon, omgeven door twaalf sterren, met de maan onder haar voeten (vgl. Apoc. 12, 1). Dat wil zeggen dat ook de zon, de maan, de hemel, de sterren, het licht en alle elementen van de schepping deelnemen aan haar verheerlijking. Als iemand liefheeft, behoort hem immers alles toe. Hier komt ook de kwestie van de ecologie aan bod. In een persoon die werkelijk liefheeft, komt heel de aarde binnen, heel de schoonheid van de natuur en van de werken der mensen.

Wat mooi is, wat waarde heeft, wordt gered. Dat is het wonder van ons geloof, dat de verrijzenis van het lichaam en het eeuwige leven verkondigt. Daarom volgt uit de tenhemelopneming van de Maagd Maria de leer van de eeuwige liefde.

 

Van mij zijn de hemelen en van mij is de aarde. Van mij zijn de heidenen, de rechtvaardigen horen mij toe en de zondaars. De engelen zijn van mij en de Moeder van God en alles is van mij. God zelf is van en voor mij, omdat Christus de mijne is en helemaal voor mij. Wat vraagt ge dan nog en wat zoek ge, zijn ziel? Van u is dit alles en alles is voor u".

                 (Heilige Johannes van het Kruis, 2. Spreuken van licht en liefde. Geestelijke raadgevingen en
       kernachtige gezegden, 25. Gebed van een op God verliefde ziel,
                                 in heilige Johannes van het Kruis, Volledige werken, Uitgeverij Paus Brand N.V., Hilversum-Antwerpen 1963, 1090)

 

 

Emilio Grasso, Maria. Dochter, Bruid en Moeder van het Woord,
Uitgeverij Averbode/ Erasme N.V. 2016, 56-58.





12/08/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis