Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/15. De techniek: bondgenoot en tegenstander van de mens..
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/15


 

 
DE TECHNIEK: BONDGENOOT EN TEGENSTANDER VAN
DEMENS IN HET SOCIALE ONDERRICHT VAN
JOHANNES PAULUS II

 


De techniek is in haar objectieve perspectief "een geheel van instrumenten waarvan de mens zich bedient bij zijn werk" en als zodanig "ongetwijfeld een bondgenoot van de mens" (Laborem exercens, 5). Zij heeft de mens van enorme inspanningen bevrijd, welzijn en rijkdom in overvloed voortgebracht, de verbreiding van menselijke creativiteit en vermogen mogelijk gemaakt, onbekende horizonten geopend. Johannes Paulus II brengt bij een ontmoeting met arbeiders in herinnering: "In uw beroep ziet u dat de techniek het werk gemakkelijker maakt, vermenigvuldigt, sneller maakt, vervolmaakt. Juist uit de techniek komt ook een betere en ruimere mogelijkheid voort van toegang van allen tot de noodzakelijke, nuttige, consumptiegoederen"[1].

De techniek "kan" echter "ook veranderen in bijna een tegenstander van de mens, zoals wanneer de mechanisering van het werk de mens ‘verdringt' door hem iedere persoonlijke voldoening en een stimulans tot creativiteit en verantwoordelijkheid te ontnemen; wanneer zij werkgelegenheid onttrekt aan arbeiders die eerst een baan hadden, of wanneer zij de mens tot een slaaf reduceert" (Laborem exercens, 5).

"De ontwikkeling van de techniek stelt vandaag op een nieuwe wijze het probleem van het menselijke werk. De techniek, die heeft bijgedragen en nog bijdraagt aan de economische vooruitgang, kan immers veranderen van een bondgenoot in een tegenstander van de mens... Het is bekend hoe het technisch-industriële tijdperk diepgaande vernieuwingen, radicale veranderingen in de maatschappij heeft bevorderd. De aanwezigheid van de machine in de ondernemerswereld heeft niet alleen de traditionele vormen van het werk veranderd, maar ook wezenlijk invloed gehad op het soort leven van de arbeider, zijn psychologie, de cultuur van de volkeren door een nieuw type maatschappij te doen ontstaan. Vervolgens is met het zich doorzetten van de wetenschappelijke organisatie van het werk en de daaruit voortvloeiende lopende band de situatie van de vervreemding van de mens en zijn onvermogen om op verantwoordelijke wijze deel te nemen aan het werk dat hij uitvoert, steeds duidelijker geworden. In de laatste decennia heeft bovendien op het terrein van de industrie de automatisering haar intrede gedaan; het innovatieve karakter ervan, gebaseerd op de elektronica en de informatica, is niet altijd volledig ten gunste van de mens"[2].

Niet alles wat een product of resultaat is van de techniek en de rationaliteit die haar ondersteunt, is daarom nuttig voor het ware goede van de mens en zijn authentieke ontwikkeling, de technische vooruitgang heeft niet altijd op de juiste wijze rekening gehouden met het respect voor de mens en zijn omgeving. "De techniek heeft vaak, ook al is zij bewonderenswaardig in haar verworvenheden, de mens in zijn mens zijn verarmd door hem van zijn innerlijke, geestelijke dimensie te beroven, door in hem het gevoel voor ware, hogere waarden te verstikken. Het is noodzakelijke het primaat aan het geestelijke terug te geven"[3].

De dubbelzinnigheid van de technisch-wetenschappelijke rationaliteit

De fundamentele kenmerken die de betekenis en de problemen van het werk in de westerse postindustriële of informaticamaatschappij illustreren, zijn ongetwijfeld die welke worden bepaald door de technologische verworvenheden, veranderingen en de technisch-wetenschappelijke rationaliteit die zij veronderstellen.

De techniek heeft enorme mogelijkheden voor de heerschappij van de mens over de aarde geopend, het leven zelf van de mensen veranderd, diepgaand de cultuur en de maatschappelijke werkelijkheid in het algemeen beïnvloed. In de eerste fase van de industrialisatie heeft zij in de postindustriële maatschappij met haar ontwikkelingen de objectieve en economische dimensie van het werk bepaald en doet dit nog.

Ten gevolge van de aanzienlijke voordelen die door de techniek voor het leven van de mens als fundamentele factor van de vooruitgang tot stand zijn gebracht, heeft zich in een eerste fase van de industrialisatie ten opzichte daarvan een vaak kritiekloos optimisme ontwikkeld. Vervolgens is een, soms even kritiekloos pessimisme hiervoor in de plaats gekomen, dat wordt teweeggebracht door de ontaarde en niet altijd te controleren effecten van de technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zelf, niet alleen op economisch vlak, in verband met de ontwikkeling en onderontwikkeling van de wereld, maar ook op sociocultureel vlak.

Op het vlak van de werkgelegenheid is de crisis die teweeggebracht door het invoeren van nieuwe informatietechnologieën in de industrie en de kantoren, een ernstig probleem van onze tijd en vooral aanwezig in de toespraken en de zorgen van de paus[4].

Ook al heeft dezezelfde technologische revolutie zware krachtsinspanningen voor de mens weggenomen, zij heeft echter andere types van vervreemding voortgebracht.

In de plaats van de oorspronkelijke vervreemding die verband hield met het werk in een fabriek en een daarop volgende conceptualisering ervan die in verband stond met een uitbreiding van de publieke en privé-bureaucratie en die vooral het probleem van de arbeider benadrukte, en voor ieder die actief was in de maatschappij, om de effecten van eigen activiteiten te controleren en te voorzien, is vandaag in de moderne, postindustriële maatschappij een andere gekomen: een vervreemding die een vervreemding is van processen van intellectuele, cognitieve aard, verbonden met de hoogste en karakteristieke sfeer van het menselijk bestaan. Het betreft de vervreemding die de sociologische literatuur conceptualiseert met de term "complexiteit", waardoor de mens, die ten opzichte daarvan niet in staat zou zijn haar te beheersen, wordt omgeven en uitgedaagd.

De mens blijkt verarmd, vervreemd te zijn op het vlak van doeleinden en zin, niet alleen op het terrein van zijn werk, maar in de ruimste maatschappelijke context.

Ook als hebben de techniek en haar rationaliteit als basis van de ontwikkeling van de industriële en postindustriële maatschappij enerzijds onvoorstelbare niveaus van welzijn en beschikbaarheid van goederen mogelijk gemaakt in een traditionele pre-industriële maatschappij, anderzijds liggen zij ook ten grondslag aan wat Johannes Paulus II aanklaagt als een materialistisch economisme en consumisme van de westerse maatschappij. Dit laatste verarmt als psychologisch-cultureel verschijnsel, typisch voor onze maatschappij, de menselijke subjectiviteit, omdat het alleen maar kijkt naar de mens in zijn passieve rol van geestelijk lege en van een ethische kwalificatie verstoken consument, door hem ertoe te brengen van het bestaan te genieten als een doel op zich en zo de vernietiging van niet alleen zijn natuurlijke, maar ook menselijke omgeving te veroorzaken.

Wetenschap en techniek voor een authentieke menselijke ontwikkeling

De dubbelzinnigheid van de techniek betreft niet alleen de relatie van de mens met zijn werk en met de andere mensen in het maatschappelijk leven, maar onvermijdelijk ook de relatie van de mens met de natuur. Die heerschappij over de schepping, waartoe de mens is geroepen, verandert vaak in een vernietigende en plunderende heerschappij.

Het ecologisch probleem raakt vandaag niet alleen het individu of een enkele staat, maar heel de internationale gemeenschap.

"Het is een feit... dat werkelijke angstaanjagende en zorgwekkende hoogtepunten in de vervuiling van het milieu zijn bereikt"[5].

De aspecten van dit grote probleem zijn allen bekend, van de bedreiging van het evenwicht van het ecosysteem van de planeet, van de uitputting van niet vernieuwbare bronnen tot het uitsterven van dier- en plantensoorten, van de vervuiling van de atmosfeer, het water, de aarde en de zee tot de hydrogeologische ontwrichting, de ontsiering van het landschap, de ontwikkeling van ziekteverwekkers die resistent zijn voor geneesmiddelen.

Ten opzichte van deze problemen doet zich dus de noodzaak voor de instrumenten te vinden die in staat zijn de wereldwijde negatieve effecten van deze technologieën te corrigeren, de vruchten van het werk en de menselijke creativiteit te richten op doeleinden en doelen die niet zozeer met het technologisch-wetenschappelijk succes rekening houden, met als prijs dat het menselijke leven in gevaar wordt gebracht, maar een authentieke verwezenlijking van de mens en zijn integrale ontwikkeling.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)





[1] Johannes Paulus II, Het morele criterium van de solidariteit, waarborg voor de rechten van de arbeider. Tot de arbeiders in de schoenfabriek van Vigevano (1/4/1989), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, XII/1, 702.

[2] Johannes Paulus II, De waardigheid van het werk maakt deel uit van de waardigheid van de mens. Tot de arbeiders van de Solvay-fabriek (19/3/1982), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, V/1, 915-916.

[3] Johannes Paulus II, Turijn, de Kerk is met u! Wees een trouwe en veilige stad. Ontmoeting met de stad op Piazza Vittorio (13/4/1980), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, III/1, 912-913.

[4] Vgl. behalve in de sociale encyclieken in het bijzonder Laborem exercens 18, Solliditudo rei socialis 18, behandelt de paus ook in talrijke toespraken met grote bezorgdheid het thema van de werkeloosheid en de negatieve effecten ervan op individueel en maatschappelijk vlak.

[5] Johannes Paulus II, Arbeiders: het geloof laat het geweten niet inslapen, het ondersteunt, leidt en oriënteert op de vrijheid. De wereld van het werk in de centrale van Torre Valdaliga-Nord (Civitavecchia) (19/3/1987), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, X/1, 608.



04/08/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis