Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/14. De objectieve dimensie van het werk...
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/14

 

 

DE OBJECTIEVE DIMENSIE VAN HET WERK
IN DE SOCIALE LEER VAN JOHANNES PAULUS II

 



Heeft sociale leer van de Kerk zich in het verleden vooral bezig gehouden met het objectieve doel van het werk en heel de sociaal-economische orde, met het sociale onderricht van paus Wojtyla begint er volgens de conciliaire lijnen van Gaudium et spes een belangrijke ontwikkeling die de interactie en het evenwicht tussen de twee aspecten van de menselijke activiteit benadrukt: het subjectieve en het objectieve aspect.

In het conciliedocument had men zich immers al gefocust op de twee dimensies van het werk en daarin enerzijds de geweldige inspanning waarmee de mens zijn eigen levensomstandigheden tracht te verbeteren (vgl. Gaudium et spes, 34) en met behulp van wetenschap en techniek de heerschappij over de natuur uit te breiden (vgl. Gaudium et spes, 33) en anderzijds tegelijkertijd de mens bevestigt als maker, middelpunt en doel van heel het economisch-maatschappelijke leven (vgl. Gaudium et spes, 63).

Het werk laat altijd zijn twee complementaire aspecten zien door op grond van zijn oorsprong te verwijzen naar het persoonlijke subject en zich op grond van zijn doel te richten op een extern object.

Het primaat van de mens in het werk en daarom het subjectieve aspect van de menselijke activiteit die wij in de sociale onderricht van Johannes Paulus II tegenkomen, ontkent de objectieve dimensie en finaliteit ervan niet en sluit deze niet uit. Verstaan als uitoefening en verwezenlijking van de heerschappij van de mens over de aarde, geeft het objectieve aspect van het werk, zo wordt gezegd in Laborem exercens, zin aan de menselijke inspanning en draagt bij aan de subjectieve ontwikkeling zelf van de persoonlijkheid van de werker (Laborem exercens, 5).

In die zin zijn de persoonlijke zelfverwezenlijking enerzijds en de heerschappij over en de verandering van de wereld anderzijds twee noodzakelijke ogenblikken die met elkaar in één proces zijn verbonden. Door de heerschappij over de aarde, in en door het werk kan de mens zich verwezenlijken in zijn mens zijn, aangezien het zijn in de wereld historisch en concreet een constituerend deel is van de definitie zelf van mens zijn en daarom een onmisbare voorwaarde is voor het begrijpen van zichzelf en voor zijn subjectieve verwezenlijking.

Uitgaande van de Bijbels-theologische legitimering van de heerschappij van de mens over de wereld, die zich voltrekt in de transitiviteit van het werkend handelen (Laborem exercens, 4), komt het reusachtige proces van het werk dat alle mensen en iedere mens in het bijzonder omvat, tot stand en brengt zo de objectieve dimensie naar voren van de menselijke activiteit, die "haar uitdrukking vindt in de verschillende tijdperken van de cultuur en de beschaving" (vgl. Laborem exercens, 5).

Zich ten volle de waarden van de industriële cultuur eigen makend, schat Johannes Paulus II in deze visie van hem de rol van heerschappij die de mens in de wereld moet uitoefenen, op haar juiste waarde. Hij neemt in overweging hoe in de huidige industriële en post-industriële maatschappij deze heerschappij zich enorm heeft uitgebreid met de ontwikkeling van techniek en wetenschap, die als vrucht van het verstand en de creativiteit van de mens een historische bevestiging zijn van de macht van de mens over de wereld (Laborem exercens, 5).

De techniek: uitdrukking van de menselijke creativiteit

De verschillende vormen van werk, de objectieve verwezenlijkingen ervan, de organisatie zelf van het werk zijn in dit perspectief niet alleen belangrijk, omdat zij goederen produceren en voldoen aan behoeften, maar ook omdat zij steeds nieuwe aspecten van de creativiteit van de mens openbaren, nieuwe ethische problemen en nieuwe menselijke bronnen die op hun waarden moeten worden geschat en moeten worden ontwikkeld. Door te werken en te produceren begrijpt de mens zichzelf steeds beter en bouwt aan zijn persoonlijke en gemeenschappelijke geschiedenis.

Dit is een voortdurende verworvenheid in het sociale onderricht van Johannes Paulus II, dat hij in veel van zijn toespraken tot arbeiders herhaalt: hij ziet en verheldert hierin de meest vitale en positieve aspecten van de hedendaagse maatschappij betreffende de veranderingen van de wereld van het werk en de economie en de wetenschappelijk-technologische vernieuwingen en ontwikkelingen.

Niet iedere structuur van het productieproces bevordert en begunstigt echter de persoonlijke ontwikkeling van de mens.

Zonder de aspecten van dubbelzinnigheid, de vraagtekens, de problemen die vandaag eigen zijn aan de ontwikkeling van de techniek, als een bepalend en prominent aanwezig element, van niet alleen het werk, maar ook van de kwaliteit en de modellen van het leven van de mensen te verwaarlozen en door deze zelfs naar voren te brengen ziet men in de techniek een uitdaging die de tegenwoordige wereld vragen stelt, dat wil zeggen in de zin van een juist succes van een techniek die een meer wereldwijde menselijke verwezenlijking niet in gevaar brengt.

In de industriële en post-industriële maatschappij wordt het zoeken naar een interactie tussen de beide aspecten van het werk bij de overgang van een mechanistische naar personalistische opvatting van werk en in het doel van een authentieke menselijke en persoonlijke groei een fundamenteel kritisch probleem.

Het sociale onderricht van de Kerk, vooral in de tijd na het Concilie, heeft op het gebied van een vernieuwde theologische opzet betreffende de aardse werkelijkheden ongetwijfeld een positieve beoordeling ontwikkeld van het proces van de industrialisatie en de innovatieve rol die de techniek heeft gespeeld in het productie- en culturele proces, maar tegelijkertijd echter met kritische aandacht de daarin aanwezige aspecten van dubbelzinnigheid in overweging genomen[1].

Johannes Paulus II brengt in zijn eerste encycliek de risico's en bedreigingen naar voren die voor de mens voortkomen uit de technologische ontwikkelingen, uit de resultaten zelf van zijn werk: "De mens van vandaag lijkt steeds meer bedreigd te worden door wat hij voortbrengt, dat wil zeggen door het resultaat van het werk van zijn handen en nog meer van het werk van zijn intellect, van de neigingen van zijn wil" (Redemptor hominis, 15-16). Dat wordt echter in de ontwikkelingen van zijn onderricht niet een voorwendsel om de technisch-wetenschappelijke vooruitgang en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke verandering die deze teweeg brengt, af te wijzen, integendeel, het wordt een gelegenheid om opnieuw de ethische vraag over het gebruik, de betekenis en de doeleinden van deze geweldige mogelijkheden van de technisch-wetenschappelijke rationaliteit te stellen en voor te houden met verwijzing naar het fundamentele karakter van de mens en zijn primaatschap over de dingen"[2].

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)





[1] Vooral Paulus VI begon in zijn sociale encyclieken de dubbelzinnigheden van de techniek en van de ideologie van de daarmee verbonden onbegrensde vooruitgang aan te klagen. Vgl. Populorum progressio, 14; 34; vgl. Octogesima adveniens, 41.

[2] Dit is een centraal punt in de problematiek van het werk, dat de paus leerstellig tot uitdrukking brengt in Laborem exercens, maar dat hij ook ontwikkelt in talrijke toespraken tot de arbeiders die direct met de werkelijkheid van de geïndustrialiseerde landen te maken hebben.



24/06/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis