Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Uitdiepingen arrow Film voor en tegen volkerenmoord Armeniërs
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Uitdiepingen



FILM VOOR EN TEGEN VOLKERENMOORD ARMENIËRS

Op 21 april gaat de film "The Promise", over de Armeense genocide in première
in de VS, maar dan wel na een film die de gebeurtenissen minimaliseert


 

 

In de kleine (een 50-tal zitplaatsen) bioscoopzaal van het Vaticaan is The Promise in première gegaan. De film van de cineast Terry George en producent Eric Esrailian is de eerste Hollywoodproductie waarin de genocide tegen de Armeniërs centraal staat. Het verhaal wordt verteld aan de hand van de liefdesgeschiedenis van een Armeense vrouw, tegen de achtergrond van de verschrikkelijke gebeurtenissen. De hoofdrollen worden vertolkt door Christian Bale, Charlotte Le Bon en Oscar Isaac. De hoofdacteurs waren niet aanwezig, maar Chris Cornell, de componist van het titellied, was wel in Rome present. De productie werd mogelijk dankzij een aanzienlijke persoonlijke investering van de miljonair Kirk Kerkorian.

Paus Franciscus bezocht in juni 2016 Armenië. Hij veroordeelde toen de Metz Yerghern (het Grote Kwaad), de volkerenmoord van het Ottomaanse Rijk tegen de Armeniërs in 1915. Opmerkelijk was dat hij daarna, in weerwil van de oorspronkelijk vrijgegeven tekst en op eigen initiatief, ook expliciet het woord genocide in de mond nam. Dat lokte fel Turks protest uit. Turkije minimaliseert tot op vandaag de omvang van de gebeurtenissen in het Ottomaanse Rijk waarbij er volgens sommigen 1,5 miljoen Armeniërs werden omgebracht en ontkent nadrukkelijk dat er sprake was van een georganiseerde uitroeiing van de Armeniërs.

De strijd van de voorvechters van de erkenning van de genocide en diegenen die de ernst ervan ontkennen, wordt ook in de bioscopen voortgezet. De film The Promise gaat op 21 april in meer dan 2.000 zalen in première in de VS. Maar in maart al ging de film De Ottomaanse Luitenant, met de acteurs Josh Hartnett en Ben Kingsley, in première. Die film werd geproduceerd door het Turkse Eastern Sunrise Films en kan voor de promotie van de film rekenen op flinke steun van de Turkse staat. In deze prent komt het geweld tegen de etnische minderheden, in het bijzonder de Armeniërs, en de politieke context daarvan slechts terloops aan bod en wordt het geminimaliseerd.


© kerknet.be - 6 april 2017
    Foto's verzorgd door de redactie van www.missionerh.it




Naar aanleiding van deze film willen we een artikel over de genocide van de Armeniërs onder de aandacht van onze lezers brengen.



PAUS FRANCISCUS EN DE MARTELDOOD VAN DE ARMENIËRS

De eerste genocide van de 20e eeuw

 



De definitie “genocide”, door paus Franciscus gegeven aan de gebeurtenissen waarvan de Armeniërs het slachtoffer waren in 1915, heeft de harde reactie uitgelokt van de Turkse autoriteiten: na de apostolisch nuntius in Ankara, Z.E. mgr. Antonio Lucibello te hebben ontboden hebben zij besloten de eigen ambassadeur bij de Heilige Stoel terug te roepen uit protest tegen de woorden van de paus, die werden beschouwd als beledigend en zonder historisch fundament.

De paus heeft de honderdste gedenkdag van de marteldood van de Armeniërs herdacht met een mis in concelebratie met Nerses Bedros XIX Tarmouni, patriarch van Cilicië van de Armeense Katholieken, waarbij aanwezig waren Karekin II, Hoogste Patriarch en Katholicos van Alle Armeniërs, van Aram I, Katholicos van het Grote Huis van Cilicië, en de president van de Republiek Armenië, Serž Sargsyan.

In de homilie gedurende de eucharistieviering heeft de Heilige Vader verklaard: “Onze mensheid heeft in de afgelopen eeuw geleefd tussen drie grote, ongehoorde tragedies: de eerste, die in het algemeen wordt beschouwd als de eerste genocide van de 20e eeuw; zij heeft uw Armeense volk de eerste christelijke natie getroffen, samen met de katholieke en orthodoxe Syriërs, de Assyriërs, de Chaldeeën en de Grieken. Bisschoppen, priesters, religieuzen, vrouwen, mannen, bejaarden en zelfs kinderen en weerloze zieken werden gedood”[1].

De tekst, die bekend werd gemaakt door het Perscentrum van het Vaticaan, heeft de herinnering aan de eerste genocide van de 20e eeuw tussen haakjes geplaatst, omdat het een citaat betreft uit de Gemeenschappelijke Verklaring, ondertekend door Johannes Paulus II en Karekin II op 27 september 2001 in Etchmiadzin, de historische hoofdstad van Armenië; bij het voorlezen van de tekst heeft de paus echter niet dat document vermeld en daarmee integraal de inhoud van die woorden overgenomen.

Ook al betreft het niet de eerste keer dat de term “genocide” wordt gebruikt door een paus met betrekking tot wat de Armeniërs Metz Yeghern, “het grote kwaad”, noemen, de reikwijdte van de woorden van paus Franciscus kan moeilijk worden onderschat. Het gaat niet meer om een geschreven tekst, bekend gemaakt in een stad met de onuitsprekelijke, maar zeer mooie naam Etchmiadzin betekent: “Gods Zoon is neergedaald” en dus bestemd om op unieke wijze de aandacht te wekken van de meest gevoelige personen, maar om het woord dat wordt uitgesproken door de plaatsvervanger van Christus op het graf van Petrus, met een enorme weerklank, weinig dagen voor het begin van de vieringen van de honderdste gedenkdag van de gebeurtenissen in 1915.

Bij de woorden van de homilie hebben zich nog de woorden gevoegd van de Boodschap aan de Armeniërs, aan het einde van de mis aangeboden in eigenhandig geschreven kopieën aan de aanwezige Armeense autoriteiten. Men leest er opnieuw het citaat uit de Gemeenschappelijke Verklaring van 2001: “Dit geloof heeft uw volk ook begeleid en gesteund in de tragische gebeurtenis van honderd jaar geleden, die 'in het algemeen wordt gedefinieerd als de eerste genocide van de 20e eeuw” (Johannes Paulus II en Karekin II, Gemeenschappelijke Verklaring, Etchmiadzin, 27 september 2001). Paus Benedictus XV, die de Eerste Wereldoorlog veroordeelde als een 'nutteloze slachting' (AAS, IX [1917], 429), zette zich tot het laatste ervoor in hem te verhinderen, daarbij de bemiddelingspogingen, reeds ondernomen door Leo XIII ten overstaan van de 'rampzalige gebeurtenissen' van de jaren 1894-1896 hernemend. Hij schreef hiervoor aan de sultan Mohammed V met de smeekbede dat zoveel onschuldigen werden gespaard (vgl. Brief van 10 september 1915) en hij was het ook die in het geheime consistorie van 6 december 1915 met sidderende verbijstering zei: 'Miserrima Armenorum gens ad interitum prope ducitur' (AAS, VII [1915], 510). Herinneren aan hetgeen is gebeurd, is niet alleen verplicht jegens het Armeense volk en de universele Kerk, maar jegens de hele mensenfamilie, opdat de waarschuwing die van deze tragedie uitgaat, ons ervan bevrijdt weer te vervallen tot dezelfde gruweldaden, die God en de menselijke waardigheid beledigen. Ook vandaag ontaarden immers deze conflicten soms in niet te rechtvaardigen gewelddaden, die worden aangewakkerd door het instrumentaliseren van etnische en religieuze verschillen”[2].

Men zat al verschillende weken te wachten op de woorden die de paus zou uitspreken gedurende de mis voor de marteldood van de Armeniërs. Men vroeg zich af of hij het verboden woord “genocide” zou uitspreken, omdat dat gemakkelijk kon leiden tot een serieus diplomatiek incident met Turkije, dat niet alleen ontkent dat het genocide betrof er was nooit, zo beweert het, een plan om het Armeense volk in zijn geheel te vernietigen , maar zover gaat slachtoffers en beulen op één lijn te zetten of zelfs de rollen om te draaien: het zo gegaan zijn om een burgeroorlog waarbij het aan beide zijden niet ontbrak aan excessen.

“Het prototype van alle genocides”

Het is de moeite waard enkele fases van dit dossier weer eens na te gaan. Vanaf het ontstaan ervan wordt het woord “genocide” toegekend aan de Armeniërs. Het werd in 1944 door Raphaël Lemkin gevormd, een Jood, die zijn toevlucht had gezocht in de Verenigde Staten en die in de jaren '30 al had nagedacht over de misdaden tegen de Armeniërs en het ongestraft blijven ervan, een voorspel zo vreesde hij op het zich herhalen van dergelijk drama’s. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij van de Verenigde Naties de opdracht de Conventie voor het voorkomen en onderdrukken van de misdaad van Genocide op te stellen. Voor hem was er geen twijfel dat het in het geval van de Armeniërs om genocide ging.

Volgens Yves Ternon, een van de grootste experts op het terrein van genocides in de 20e eeuw, vertegenwoordigt de Armeens genocide “het prototype van alle genocides”[3] en “het bewijs van een misdadige intentie wordt geleverd door een geheel van bronnen dat geen ruimte laat voor twijfel”[4].

De werkelijkheid van de feiten werd aanvankelijk ook door de Turken erkend. Op het ogenblik van de wapenstilstand die een einde maakt aan de Eerste Wereldoorlog, wenste sultan Mohammed VI dat er licht werd geworpen op de massaslachtingen van de Armeniërs, waarvan alle betrokken partijen wisten, voordat Turkije zich presenteerde bij de vredesconferentie. Zo werd, behalve militaire rechtbanken in de verschillende provincies, een onderzoekscommissie ingesteld. Het gerechtelijk onderzoek was problematisch: vóór het einde hadden de Jonge Turken, die verantwoordelijk waren voor de genocide, alle geschreven documenten vernietigd. Enkele functionarissen hadden echter documenten bewaard die zij gebruikten als wisselgeld om immuniteit te verkrijgen: het betrof vooral gecodeerde telegrammen, waarbij nog getuigenissen onder ede en onderzoeksrapporten kwamen. Het resultaat van het onderzoek liet het bestaan zien van wat zoveel verslagen van consuls en ooggetuigen van de massaslachtingen niet wisten: het in het leven roepen van een “Bijzondere Organisatie”, die bewees dat de tegen de Armeniërs genomen maatregelen deportatie en inbeslagname van goederen een voorwendsel waren om de wil tot hun uiteindelijke vernietiging te verheimelijken.

In de processen die werden gehouden, bestond de lijn waarlangs de verdediging van de verdachten zich bewoog, niet in het ontkennen van de feiten, maar, zoals de nazi’s vervolgens in Neurenberg deden, in het verklaren dat zij orders hadden uitgevoerd waaraan zij zich niet konden onttrekken. Overigens hadden reeds in de loop van de Eerste Wereldoorlog de verantwoordelijke Turken, Enver en Talaat, door de neutrale of geallieerde machten naar hun mening gevraagd inzake de in gang zijnde massaslachtingen, deze niet hadden ontkend, maar gerechtvaardigd.

Er werden verschillende veroordelingen uitgesproken, ook de doodstraf, maar zij werden niet uitgevoerd.

De langzame opmars van het Turkse negationisme

Het Turkse negationisme heeft verschillende fases gekend. De eerste fase, reeds in 1923 begonnen met Ataturk, bestond erin de Armeniërs ervan te beschuldigen verantwoordelijk te zijn voor de ondergane rampen, het waren gewettigde represailles tegen opstandelingen.

De tweede, in het volgende decennium, gepromoot door het Historisch Genootschap van Turkije, propageerde een meer cynische visie op de gebeurtenissen: het uitroeien in Anatolië van de Armeense en Griekse volken was noodzakelijk voor het scheppen van een nationale, homogene Turkse staat.

De laatste fase heeft plaats na 1965, toen men de vijftig jaar van de genocide van de Armeniërs vierde. Turkije, dat lid was geworden van de Verenigde Naties en de Conventie over genocide had getekend, promootte toen historiografische initiatieven rond enkele fundamentele richtingen.

Een eerste richting ontkent het bestaan van een Armeens volk: er is nooit een historisch Armenië, noch een Armenië van Armeniërs geweest, alleen van Hettieten, die geloofden Armeniërs te zijn. Wil er sprake zijn van “genocide”, is immers een groot aantal slachtoffers niet voldoende: belangrijk is dat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden met een homogene “groep mensen”, met een specifieke etnische, culturele of religieuze identiteit.

Een andere richting herneemt de argumentaties van Ataturk de Armeniërs hebben het vertrouwen van de Turken verraden en misbruik gemaakt van hun geduld en radicaliseert deze: de Armeniërs hebben een genocide verwezenlijkt ten opzichte van de Turken. Dit is een beschuldiging die de massaslachtingen onder de Armeniërs in 1915 op één lijn stelt met acties die in 1917 ondernomen werden door Armeense benden, afkomstig uit Rusland, tegen Turkse dorpen in Oost-Anatolië. Een variant van deze richting, geïnspireerd door de marxistische geschiedschrijving, verbindt het nationaal conflict met de klassenstrijd door de Armeniërs gelijk te stellen aan onderdrukkende kapitalisten en de Turken aan het proletariaat.

Een laatste richting erkent de historiciteit van de deportaties en de massaslachtingen, maar ontkent de programmering ervan, dat wil zeggen de genocide.

Deze argumentaties gaan gepaard met de querelle over de aantallen. Dat van de Armeniërs die leefden in het rijk: 2.100.000 volgens het patriarchaat, 1.290.000 volgens de Ottomaanse telling. En die van de Armeense slachtoffers: 1.500.000 volgens het patriarchaat, van 200.000 tot 800.000 volgens de Turkse historici.

De conclusie van Ternon is sarcastisch: “In deze opeenvolging van huichelarijen en aanvallen sluiten de Turkse historici zich op in hun tegenstrijdigheden. De Armeniërs hebben nooit als zodanig bestaan; Turkije heeft nooit gepland hen te vernietigen; integendeel, zij hebben een genocide tegen de Turken voorbereid en zijn deze begonnen; als de Armeniërs zijn vernietigd, dan is dat hun schuld; het aantal slachtoffers is vervolgens niet zo hoog. De absurditeit van dit standpunt kan men samenvatten in één formulering: er is niets gebeurd, maar zij hebben het verdiend”[5].

“Wie spreekt er vandaag nog over de uitroeiing van de Armeniërs?”. Ook deze frase, toegeschreven aan Hitler, die deze negen dagen voor de invasie van Polen zou hebben gezegd in een toespraak tot zijn meest directe medewerkers, waarin hij zijn vastbeslotenheid belichtte de Polen uit te roeien om de “Lebensraum” te creëren voor het Duitse volk, ontgaat het Turkse negationistische paroxisme niet. Voor de Turkse historici zou deze frase die suggereert dat Hitler zich voor zijn plannen heeft laten inspireren door de genocide van de Armeniërs, en daarom staat geschreven aan de ingang van het Museum van de Holocaust in Washington, niet alleen nooit zijn uitgesproken, maar het zou een vervalsing zijn, verzonnen om de these van een Armeense holocaust te ondersteunen[6].

“Wie spreekt er tegenwoordig nog over de uitroeiing van de Armeniërs?”. Met zijn machtige en moedige homilie tijdens de mis voor de honderdste gedenkdag van de Marteldood van de Armeniërs, heeft paus Franciscus krachtig gezegd dat hij het zich herinnert. En hij heeft alle katholieken verplicht op de weg van de herinnering en de waarheid.

Michele Chiappo

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

________________________

[1] Paus Franciscus, Heilige mis voor de honderdste gedenkdag van de “marteldood” (Metz Yeghern) van de Armeniërs met de rite van het uitroepen tot Kerkleraar van de heilige Gregorius van Narek (12 april 2015).

[2] Boodschap van de Heilige Vader Franciscus aan de Armeniërs (12 april 2015).

[3] Y. Ternon, L’État criminel. Les Génocides au XXe siècle, Éditions du Seuil, Paris 1995, 179.

[4] Y. Ternon, L’État criminel…, 189.

[5] Y. Ternon, L’État criminel..., 196.

[6] Dit is de stelling van een Turkse geleerde, professor Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Ankara, in een tijdschrift dat geaffilieerd is aan het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken: vgl. Türkkaya Ataöv, The Armenian Question: Conflict, Trauma and Objectivity, in “SAM Papers”, Ministry of Foreign Affairs. Center for Strategic Research. Republic of Turkey, nr. 3/97 (1999) (http://web.archive.org/web/20110725052104/web.itu.edu.tr/~altilar/tobi/2023/2023_4/sam_paper_ataov.html). De bron van de frase zijn de persoonlijke aantekeningen van admiraal Canaris. Afgezien van de historiografische controversie, had Hitler reeds in veel voorafgaande toespraken zijn gedachte laten zien. In een interview van 1931 had hij verklaard dat men om zich de toekomst van Duitsland voor te stellen moest denken “aan de deportaties in de Bijbel, aan de massaslachtingen in de Middeleeuwen en aan de uitroeiing van de Armeniërs”. In een publicatie uit 1938 had Rosenberg, de grootste ideoloog van het nazisme, de Armeniërs vergeleken met de joden. De link tussen Hitler en de Armeense kwestie lijkt Max Erwin von Scheubner-Richter te zijn geweest, die naast Hitler stierf in de poging tot een putsch te München in 1922 en aan wie het eerste deel van Mein Kamf is gewijd: hij was Duitse viceconsul geweest in Erzerum in Armenië, waar hij de massaslachtingen had meegemaakt. Von Scheubner-Richter was categorisch in het aanzetten van Hitler tot het zuiveren van Duitsland van vreemde volken door drastische maatregelen: vgl. H. Travis, Did the Armenian Genocide Inspire Hitler? Turkey, Past and Future, in “Middle East Quarterly” (Winter 2013) 27-35 (http://www.meforum.org/meq.pdfs/3434.pdf).



 

21/04/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis