Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/22. Crisis van de ontwikkeling en de zondige structuren..
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/22



 

  CRISIS VAN DE ONTWIKKELING EN DE ZONDIGE STRUCTUREN IN DE SOCIALE LEER VAN JOHANNES PAULUS II

 


De sociale leer van de Kerk over de arbeid, de daarin diep gewortelde solidariteit, heeft in haar wereldwijde dimensie in de jaren '80 en '90 onvermijdelijk geleid tot wat het onmiddellijke gevolg was van deze tweeterm: het probleem van een homogene, proportionele  ontwikkeling en een juist begrip ervan.

De duidelijke mislukking van ideologische en beperkende ontwikkelingsmodellen had in de economistische logica zowel in het moderne kapitalisme als in het socialisme de gemeenschappelijke fundamentele fout naar voren gebracht en verplicht tot een opnieuw overdenken van het idee en het model van ontwikkeling.

Het debat over de opvatting betreffende dit laatste, over de verwezenlijkte modellen en de hypotheses voor de toekomst was intussen al vele jaren geleden geopend en had zich verbreed tegelijk met de mislukking van een bepaald idee over economische vooruitgang en het dramatisch opkomen van de onopgeloste problemen van de onderontwikkeling.

De grenzen van de ontwikkeling

Aanvankelijk werd ontwikkeling immers geïdentificeerd met een snelle economische groei, gevoed door een Prometheïsche duizelingwekkende groei en de successen van de moderne techniek, die de geïndustrialiseerde landen na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte. Deze opvatting, die ook deed hopen op een snelle oplossing voor het dempen van de materiële armoede van wat als de "Derde Wereld" werd gedefinieerd, toonde zeer snel haar beperkingen, haar incongruenties en illusies, zowel in de geïndustrialiseerde landen als in de ontwikkelingslanden[1].

Aanvankelijk dacht men dat de ontwikkelingslanden arm waren, omdat ze nog niet de moderne technieken van industriële productie kenden en het derhalve voldoende was de economische ontwikkeling te ondersteunen door een juiste overdracht van technologieën en financiële middelen om ook in dat deel van de wereld een economische start en de vorming van moderne economische systemen te bereiken die in staat waren zichzelf te ondersteunen. Dat was de theoretische opzet die was gebaseerd op het zogenaamde "paradigma van de modernisering", tot uitdrukking gebracht door de theses over fases van de ontwikkeling van de Amerikaanse economist en politicus Walter Whitman Rostow[2].

Een hele reeks symptomen en gebeurtenissen op het internationaal maatschappelijk economisch toneel stelde de illusie economistisch de problemen van de mensheid door de ideologie van lineaire en onbeperkte vooruitgang op te lossen ter discussie.

In het bijzonder gedurende de jaren '70 deden zich verschillende gebeurtenissen voor die de ogen opende voor de werkelijkheid die gestalte aan het krijgen was en zo definitief het economistisch ontwikkelingsmodel in moeilijkheden bracht. Men ging van de energie- en grondstoffencrisis naar de broosheid van het ecosysteem van de biosfeer en de ecologische problemen, veroorzaakt door een sterke industrialisering; van de aanhoudende haarden van ellende naar de niet opgeloste problemen van de onderontwikkeling en de maatschappelijke en politieke spanningen. Kortom, men stond tegenover de tekenen van wat de Franse economist en socioloog Alfred Sauvy definieerde als "maatschappelijke entropie"[3].

Als enerzijds het verschil Noord-Zuid en het probleem van een onder ziektes, uitbuiting en honger gebukt gaande "Derde Wereld", waarop geen enkele ingreep invloed leek te hebben, voortduurde en zelfs steeds groter werd, anderzijds ontdekte men echter steeds meer dat de kwantitatieve toename van de welstand in de geïndustrialiseerde landen niet altijd gepaard ging met een hogere kwaliteit van leven op het menselijk, intermenselijk vlak, van de waarden en de zin van het leven.

De pogingen die werden gedaan om een uitweg van een hervorming te vinden voor de de onderontwikkeling[4], evenals de volgende met een revolutionair kenmerk, hebben, uitgaande van een analyse van de objectieve structuren van de economie, de werkelijkheid van de andere dimensies van de ontwikkeling, in het bijzonder die van de cultuur en het probleem van de naties, verwaarloosd. In feite ging aan die aspecten ook de opzet van de economen voorbij die de theorie van de modernisering sterk betwistten en die van de afhankelijkheid formuleerden waardoor de onderontwikkeling van de "Derde Wereld" het product was van de kapitalistische economische ontwikkeling[5].

In Latijns-Amerika werd het debat vooral aangezwengeld in katholieke kringen en dit bracht de tegenstrijdigheden en de negatieve en onrechtvaardige gevolgen van het economisch kapitalisme voor de arme landen naar voren door op theologisch vlak het aspect van de bevrijding te onderstrepen[6]. De Latijns-Amerikaanse bisschoppenconferentie te Medellín maakte op deze situatie attent en klaagde deze aan.

Er kwam derhalve steeds meer het bewustzijn naar voren van het belang van de niet economische factoren van de ontwikkeling en daarom de noodzaak van een visie hierop die de verschillende aspecten ervan bevatte, die meer aansloot bij de werkelijkheid en die het wereldwijde karakter van de menselijke dimensies in aanmerking nam.

De zondige structuren

De sociale leer van de Kerk had na het Tweede Vaticaans Concilie in het bijzonder met Populorum progressio het probleem naar voren gebracht van een integrale ontwikkeling van de mens, dat wil zeggen een ontwikkeling die gericht is "op de ontplooiing van iedere mens en van heel de mens" (nr. 14). Deze opvatting hernemend, heeft Johannes Paulus II op grond van de gegroeide mondiale onderlinge afhankelijkheid de ethisch-culturele dimensie onderstreept van de ontwikkeling van de mens en de volken als overheersend historisch proces van de tijd.

De sociale leer van de paus stelt zich wanneer zij het zoeken naar solidariteit als een nieuwe mentaliteit, als organiserend principe van het bestaan op basis van het algemeen welzijn en van de wederkerigheid, als cultuur waarop men zijn hoop moet vestigen voor het derde millennium en de vooronderstelling voor een authentieke ontwikkeling op tegenover de negatieve aspecten van de onderlinge afhankelijkheid, de crisis van de ontwikkelingsmodellen, de dubbelzinnige en negatieve systemen die met verwijzing naar de morele en spirituele dimensie van het menselijk handelen concretiseren wat hij heeft gedefinieerd als "zondige structuren" (Sollicitudo rei socialis, 36).

Zij vormen de objectivering van de persoonlijke zonde in de structurering van de menselijke samenleving. Met hun voortdurende gevolgen, die zijn ingevoegd in het dialectisch proces van de maatschappelijke opbouw van de werkelijkheid, hebben de zondige structuren het vermogen de gewetens te verduisteren, het handelen en de relaties tussen de personen te veranderen in echte morele kwaden, macroscopische ongerechtigheden in de huidige wereld te voeden.

De sociale leer vindt concreet twee houdingen "de exclusieve begeerte naar winst" en "de dorst naar macht tegen elke prijs" (Sollicitudo rei socialis, 37) als wortels van de enorme in de wereld bestaande ongerechtigheden, die gemakkelijk te identificeren zijn in de kloof tussen het rijke Noorden van de geïndustrialiseerde landen en het arme Zuiden van de onderontwikkeling (vgl. Sollicitudo rei socialis, 14). Deze houdingen zijn niet alleen individueel, maar kunnen ook collectief zijn, van de naties zelf, en verbergen "vormen van verafgoding van het geld, van de ideologie van de klasse, van de technologie" (Sollicitudo rei socialis, 37) en daarin de keuzes van personen, van groepen, de mechanismen van de wereldwijde maatschappij te verwikkelen.

Zij materialiseren systemen die draaien om egoïsme en individualisme en werken daarbij ook op het niveau van het wereldwijde systeem.

Wanneer hij de complexiteit van de "structuren van de zonde" beschouwt, brengt Johannes Paulus II deze niet alleen maar eenvoudigweg terug tot het een of andere ontwikkelingsmodel of gestructureerd politiek-economisch systeem en evenmin tot het afwijkend idee van een logica, dat de georganiseerde systemen inspireerde en in die zin identiek was in het liberalisme van het Westen en in het socialisme van het Oosten. Integendeel, omdat de "zondige structuren" het ene en het andere idee tegelijkertijd inhouden, vertegenwoordigen zij de systematische verwezenlijking van een onjuiste culturele en ethische visie. Daarom moet ook een structurele verandering van de organisatie van staat en maatschappij op nationaal en internationaal niveau gepaard gaan met een nieuwe logica die cultureel en ethisch verschilt van een economistische logica, de basis van zowel het kapitalisme als het socialisme.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 



[1] Vgl. J.K. Galbraith, The affluent society, Hamilton, Londen 1958; D. Riesman, Abundance for what? And other essays, Doubleday, Garden City 1964; A. Toffler, Le choc du futur, Denoël, Paris 1971; A.O. Hirschmann, La strategia dello sviluppo economico, La Nuova Italia, Firenze 1968; J. Austruy, Le scandale du développement, Rivière, Paris 1965; D.L. Meadows (en collega's), I limiti dello sviluppo, Mondadori, Milano 1972.

[2] Vgl. W.W. Rostow, Gli stadi dello sviluppo economico, Einaudi, Torino 1962.

[3] Vgl. A. Sauvy, Croissance zéro?, Calmann-Lévy, Paris 1973, 311. Met het begrip maatschappelijke entropie, ontleend aan de thermodynamica, verwijst men naar de mate van orde of wanorde van een systeem en het meten van de mogelijke stadia ervan. Een lage maatschappelijke entropie impliceert systemen met een hoge mate van orde, die ten opzichte van verschillende maatschappelijke gebeurtenissen neigen naar gebrek aan evenwicht en instabiliteit; een hoge waarde van entropie impliceert daarentegen een hoge mate van wanorde met een neiging tot evenwicht en stabiliteit.

[4] Behalve de reeds aangehaalde tekst van Rostow vgl. B.F. Hoselitz, The progress of underdeveloped areas, University of Chicago Press, Chicago 1952; D. McClelland, The achieving society, D. Van Nostrand, Princeton 1961.

[5] Vgl. A. Gunder Frank, Sul sottosviluppo capitalista, Jaca Book, Milano 1971; S. Amin, L'accumulazione su scala mondiale, Jaca Book, Milano 1971; S. Amin, Le développement inégal: Essai sur les formations sociales du capitalisme périphérique, Editions de Minuit, Paris 1973.

[6] Vgl. G. Gutierrez, Teologia della liberazione. Prospettive, Queriniana, Brescia 1972.




24/11/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis