Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/21. Maatschappelijke onderlinge afhankelijkheid...
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/21



 

  MAATSCHAPPELIJKE ONDERLINGE AFHANKELIJKHEID

EN CULTUUR VAN DE SOLIDARITEIT IN DE

SOCIALE LEER VAN JOHANNES PAULUS II

 


De wereldwijde dimensie van het sociale vraagstuk maakt intussen een integraal deel uit van het perspectief van de sociale leer van de Kerk. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is steeds meer het bewustzijn gegroeid van de noodzaak van een internationaal perspectief vanwaaruit men de problemen van het sociaal-economische, maar ook het culturele en religieuze leven moet bekijken om de werkelijke dimensies ervan te begrijpen en passende oplossingen ervoor te vinden.

Elementen in deze zin vindt men in de encyclieken Mater et magistra en Pacem in terris, maar vooral in Populorum progressio (nr. 3), waar Paulus VI, daarbij de constitutie van het Concilie Gaudium et spes hernemend, zegt dat "het sociale vraagstuk een wereldwijde dimensie heeft gekregen" en dit definieert als "het feit van het grootste belang, waarvan ieder zich bewust moet worden".

Dit bewustzijn is in het bijzonder aanwezig in het onderricht van Johannes Paulus II en wordt ook door zijn talrijke reizen geconcretiseerd.

In Laborem exercens (nr. 2) manifesteert deze wereldwijde dimensie zich als juist het terrein waarop zich het arbeidersvraagstuk heeft ontwikkeld, niet meer als een "klasseprobleem", maar steeds meer als een probleem "van de wereld". In Sollicitudo rei socialis en in talrijke toespraken van de paus wordt zij vooral tot uitdrukking gebracht als bewustzijn van een onvermijdelijke wederzijdse onderlinge afhankelijkheid tussen de mensen, de volken en de maatschappelijke problemen. In dit document over de ontwikkeling is de term "onderlinge afhankelijkheid" een element dat de hedendaagse maatschappelijke werkelijkheid bepaalt. Dit blijkt een feitelijk gegeven, waardoor iedere, ook lokale en nationale, kwestie in werkelijkheid relevantie krijgt en internationale en supranationale aspecten krijgt. In Centesimus annus vormen de wereldwijde dimensie en de onderlinge afhankelijkheid intussen het achtergrondscenario van de problemen die de sociale leer onder ogen ziet als nieuwe uitdagingen van de tijd en grenzen van de nieuwe evangelisatie.

Onderlinge afhankelijkheid: de sleutel tot de maatschappelijke werkelijkheid

De maatschappelijke werkelijkheid van de jaren '80-'90 liet ongetwijfeld de noodzaak zien om een holistische en een onderling samenhangende visie te krijgen waarin de beperkte terreinen van een groep, van een "klasse", van een afzonderlijke natie of een ideologie overwonnen bleken.

Er bestonden geen geïsoleerde geschiedenissen meer, noch volken die onafhankelijk en autarkisch zijn wat hun overleven en bestemming betreft, maar er ontwikkelde zich een steeds totalere menselijke onderlinge afhankelijkheid. Dit idee is de sleutel geworden voor een bijzondere interpretatie van de globalisering van de problemen en de maatschappelijke complexiteit en het krijgt in deze zin verschillende dimensies.

De onderlinge afhankelijkheid die op wereldwijde schaal tot stand is gekomen ten gevolge van een opeenvolging van gebeurtenissen, zoals het toegenomen aantal staten, het opengaan van de kloof van onderontwikkeling in verband met het breder worden van de structurele onevenwichtigheid, de ontwikkeling van de internationale organisatie, het toegenomen contractuele gewicht van de ontwikkelingslanden kenmerkte niet alleen de relaties tussen de staten als natie, maar ook de interne subsystemen die deze vormden van het economische tot het politiek-sociale en culturele subsysteem.

Op economisch vlak manifesteerde de internationale en wereldwijde onderlinge afhankelijkheid zich als een proces dat werd gekenmerkt door onderlinge voordelen en wederzijdse kosten, die onderling niet altijd gelijk worden gedeeld en verband houden met de internationale verdeling van het werk[1].

Dat betekende dat technologische, economische, politieke factoren, die een operationele potentie hadden die het mogelijk maakte om de grenzen van een afzonderlijk land te overschrijden, steeds directer zonder filters en bemiddelingen de economische en maatschappelijke systemen van andere naties beïnvloedden en daarbij het niveau van werk en salarissen, de organisatie van de productie, de rechten zelf van de arbeiders bepaalden.

De bijdrage van het werk, de producten ervan was bij het overschrijden van de nationale grenzen en de organisatiesystemen die erop gericht zijn een in zich coherent net van internationale banden te vormen, hoe dan ook een van de meest duidelijke kenmerken van de maatschappij.

Als in de internationale dynamiek het werk enerzijds van nature een band was die bewust maakte van de wederzijdse onderlinge afhankelijkheid tussen mensen en volken en het zo mogelijk maakte het eigen bestaan en de eigen ervaring van het werk in verband te brengen met de anderen in een gedeelde bestemming, anderzijds deden zich vaak juist op het vlak van het werk problemen voor die een ongelijke en onrechtvaardige herverdeling van de rollen voor tussen de verschillende naties en de niet altijd positieve gevolgen van de wereldwijde onderlinge economische afhankelijkheid.

Vanuit het economische terrein verbreedde de onderlinge afhankelijkheid zich tot het maatschappelijk terrein. Dat bracht ook een onderlinge relatie en onderlinge snijpunten van de factoren en de belangen met zich mee die de wereldgemeenschap bijeenhielden als een systeem van onderling samenhangende delen, waarvan ieder daarom onderhevig was aan de verstoringen van het normale evenwicht dat van de ene kant of de andere kant van de wereld de rest van de planeet erbij betrok[2].

De onderlinge afhankelijkheid herinnerde niet alleen aan het niveau van de economische groei, maar ook aan dat van de aspecten betreffende het milieuevenwicht, de demografische ontwikkeling, de coëxistentie van etnisch-culturele groepen, de grote wereldwijde veranderingen in het algemeen en de problemen die op mondiaal vlak naar voren kwamen en die de tendensen vormden die de toekomst van de mensheid bepalen.

Als onderlinge afhankelijkheid enerzijds het toegenomen bewustzijn naar voren bracht deel uit te maken van een mensheid die door eenzelfde lot gebonden is (vgl. Sollicitudo rei socialis, 26), anderzijds liet het de dubbelzinnigheid ervan zien. Zij interpreteerde immers ook een internationale situatie die werd gekenmerkt door een verschil tussen geïndustrialiseerde landen en de ontwikkelingslanden, door talrijke negatieve aspecten die de toekomst van de maatschappij bedreigden, met die steeds duidelijkere "gracht" tussen Noord en Zuid van de wereld, waar alle problemen samenhingen met macroscopische ongerechtigheden die werden belicht door de indexen van de onderontwikkeling.

De onderlinge afhankelijkheid beschreef bovendien al de verschijnselen van verbrokkeling van het mondiale systeem die een net van banden die de werkelijkheid ervan vormden, vermenigvuldigden en complex maakten.

De onderlinge afhankelijkheid en de globalisering van de problemen bleken steeds meer gediagnosticeerd en aangepakt te worden door de verschillende supranationale instellingen en internationale organen, die een steeds beslissendere rol hebben gekregen, niet alleen bij het beschrijven van de wereldwijde werkelijkheden, maar ook in het voorstellen van hypotheses voor een oplossing van de verschillende kwesties.

De bijna jaarlijkse rapporten van de verschillende organen, zoals de UNO, Unesco, WHO, de FAO, Unicef, de Wereldbank, Amnesty International etc., die naar de economische, sociale, culturele, demografische indexen verwijzen, waren al het resultaat van dit globale en onderling afhankelijke perspectief.

Onderlinge afhankelijkheid en globalisering interpreteerden het dichte net van relaties waarbinnen iedere persoon of maatschappelijke werkelijkheid werd gerangschikt, een net dat in hoge mate werd voorgebracht en bevorderd door de technologische revolutie van het informatiesysteem dat steeds meer de dimensies van ruimte en tijd boog in de richting van de verandering van de wereld in een "wereldwijd dorp".

Deze uitdrukking, door Marshall McLuhan aanvankelijk gebruikt aan het einde van de jaren '60, gaf, meer dan een gemakkelijke retorica, in werkelijkheid een fundamentele waarheid treffend weer, omdat ondanks de toch aanwezige middelpuntzoekende krachten men denke aan de verschillende, de kop opstekende nationalismen, de etnische revivals, de sectarische vormingen die heftige spanningen in ieder deel van de wereld opriepen zich ook steeds meer het verschijnsel van een uniformering van de culturen in de wereld door het informatiesysteem consolideerde[3].

Als het enerzijds de verdienste is van deze revolutie de verspreiding te hebben bevorderd van het bewustzijn tot één mensheid te behoren, dan dreigden anderzijds de door de mechanismen ervan tot stand gebrachte contacten de banden met de eigen wortels en de eigen historische en culturele traditie te verzwakken, omdat zij beperkt bleven tot een door de massa media gecontroleerd oppervlakkig en steeds wisselend niveau.

De verscheidenheid en hoeveelheid aan informatie en contacten betekent niet altijd een groei van de kwaliteit van leven en het "meer zijn" van de persoon.

De deugd van de solidariteit

Naast deze aan de onderlinge afhankelijkheid eigen dimensies, waarvan de intensiteit afhing van de mate van wetenschappelijke, technische en culturele ontwikkeling, heeft de sociale leer vooral een morele en culturele dimensie ervan laten zien en blijft deze kenmerken.

Verstaan als systeem van relaties in de huidige wereld in haar verschillende componenten, begrepen als ethische categorie, vertaalt de onderlinge afhankelijkheid zich in de "deugd van de solidariteit" (Sollicitudo rei socialis, 38), in de zin van verantwoordelijke inzet van wereldwijde samenwerking onder de mensen voor het welzijn van de naaste en als leidraad in het handelen en de relaties tussen personen.

Daarom is de onderlinge afhankelijkheid een dynamisch proces dat gericht is op een cultuur van solidariteit, die door de intussen versleten ideologische optiek te overwinnen streeft naar een eenheid van het menselijk geslacht, niet als homologisering, maar met respect voor de wederzijdse culturele en nationale identiteiten. In deze dynamiek komen zo de universele waardigheid en vrijheid van de mens duidelijk naar voren als laatste waarden die boven maatschappelijke en institutionele condities en conditioneringen staan.

Onderlinge afhankelijkheid en solidariteit vinden in dit perspectief niet hun fundament in economisch nut of politieke wil, maar in een theologische visie.

Solidariteit kan alleen maar worden begrepen in het licht van het geloof, van het plan van God met de mensheid en van de ervaring van gemeenschap, die, zoals in Lumen gentium (vgl. nr. 40) wordt gezegd, de basis legt voor een nieuw model van eenheid van het menselijk geslacht als weerspiegeling van de trinitaire gemeenschap.

Uit deze theologische opvatting vloeit het principe voort van de gemeenschappelijke bestemming, door God gegeven aan de goederen van de schepping, die daarom gelijk door allen in gerechtigheid en liefde moeten worden gedeeld. "Wat de menselijke industrie met de bijdrage van de arbeid door de bewerking van de grondstoffen, voortbrengt, moet op gelijke wijze het welzijn van allen dienen" (Sollicitudo rei socialis, 39).

Onderlinge afhankelijkheid en solidariteit wijzen, als ze zo worden verstaan, de wegen aan waarop een authentieke ontwikkeling van de mensheid moet worden gericht, waar de mens met zijn creativiteit en vrijheid de onbetwiste hoofdrolspeler blijft.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)




[1] Een eerste poging tot reflectie over de wereldwijde problemen die voortvloeien uit de toegenomen onderlinge afhankelijkheid wordt gedaan door de tekst van R.N. Cooper, The economics of interdependence, McGraw-Hill, New York 1968. Hierop zijn talrijke studies gevolgd die dit begrip op de verschillende terreinen hebben verbreed en uitgediept. Vgl. J. Sassoon, Dipendenza e interdipendenza nel sistema internazionale, in "Quaderni di Sociologia" 29 (1980-81) 367-392; K. Waltz, The Myth of National Interdependence, in The International Corporation, verzorgd door C.P. Kindleberger, MIT Press, Cambridge 1970, 205-223.

[2] Dit sociologisch begrip is vooral in de jaren '70 tot ontwikkeling gekomen in navolging van de studies van het Massachusetts Institute of Technology en de Club van Rome, die de stelling van de onderlinge afhankelijkheid voor de overleving hebben geformuleerd, zoals die in talrijke studies wordt ondersteund. Vgl. D.L. Meadows (en collega's), I limiti dello sviluppo, Mondadori, Milaan 1972; M. Mesarovic - E. Pestel, L'umanità ad una svolta: Strategie per sopravvivere, Mondadori, Milano 1974.

[3] Vgl. M. McLuhan, The Gutemberg Galaxy, University of Toronto Press, Toronto 1968; M. McLuhan, Gli strumenti del comunicare, Il Saggiatore, Milano 1967; M. McLuhan - B.R. Powers, The global village: Transformations in world life and media in the 21st century, Oxford University Press, New York 1989.

 



13/11/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis