Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/19. Solidariteit: de bevoorrechte weg van de wereld...
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/19



 
  SOLIDARITEIT: DE BEVOORRECHTE WEG VAN DE
WERELD VAN DE ARBEID IN DE SOCIALE LEER VAN
JOHANNES PAULUS II

 

 


Het is niet moeilijk om in de sociale leer van Johannes Paulus II de bijzondere klemtoon vast te stellen die hij legt op de thematiek van de solidariteit. Men kan deze identificeren als leidraad van zijn sociale leer en deze zelfs karakteriseren als een bevoorrechte weg bij het behandelen van de sociale kwestie.

Het is echter niet nieuw te spreken over solidariteit op het terrein van de sociale leer en de problematiek van de arbeid.

In Rerum novarum (nr. 18) wordt deze erkend als "vriendschap" die erop gericht is het conflict tussen de klassen op te lossen. Leo XIII vermijdt het immers om de term solidariteit, zoals die door leken en marxisten wordt gebruikt, te noemen en hij rechtvaardigt een solidariteit van de klasse niet, terwijl hij daarentegen ertoe neigt de twee klassen weer tot elkaar te brengen en bevriend te maken.

Het bewustzijn van intrinsieke solidariteit heeft zich in de wereld van de arbeiders ontwikkeld vanaf het begin van de industriële revolutie. De "arbeidersklasse" reageerde het eerst op de uitbuiting van mens en arbeid. Tegen de achtergrond van de "arbeiderskwestie" brengt solidariteit een grote maatschappelijke reactie tegen onrecht teweeg, veroorzaakt een wijd verbreide beweging van eenheid onder de arbeiders en leidt in de vorige en de huidige eeuw tot diepgaande veranderingen.

In deze zin is zij vanaf het begin van de christelijke sociale leer aanwezig en wordt in de daarop volgende ontwikkelingen het fundamentele ordenende principe van de maatschappij. Quadragesimo anno zal de weg wijzen van een op solidariteit gerichte maatschappelijke orde. Met Mater et Magistra zal de horizon van de solidariteit zich verbreden tot de samenwerking tussen de volkeren (nrs. 165-167) en de oplossing van het economisch-sociale gebrek aan evenwicht daartussen (nrs. 161-164) en opengaat voor een globale dimensie. Deze zal verdiept en benadrukt worden door Populorum progressio, die in het bijzonder deze internationale globale horizon onderstreept die de solidariteit moest verwerven (Populorum progressio, 1-5).

Het "gericht zijn op solidariteit" werd, zo gedefinieerd, in de voorbije tijd beschouwd als de specifieke bijdrage van het christendom aan de oplossing van de maatschappelijke problemen.

Het was de verdienste van christelijke denkers die tussen het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw leefden, zoal H. Pesch en G. Gundlach, solidariteit te hebben gebaseerd op de onvervreemdbare waardigheid van de menselijke persoon, die zich altijd ontwikkelt in intermenselijke relaties: ook al blijft dit idee op een vrij abstract en filosofisch niveau, het overstijgt dat van een niet-religieuze ideologie.

Men moet immers ook een niet-religieus idee van solidariteit erkennen, dat in de voorafgaande eeuwen zo een groot succes kende dat het zelfs de officiële filosofie van de Franse Republiek werd.

Het maatschappelijke fysicisme van Saint-Simon stelde in een poging een nieuw christendom te stichten de broederschap tussen de volken als principe van een nieuw maatschappelijk systeem. Auguste Comte baseerde in zijn filosofisch positivisme de sociale cohesie en de nieuwe Godsdienst van de Mensheid, gegrondvest op een atheïstisch postulaat dat echter een invloed van christelijke oorsprong niet verborg, op de solidariteit.

Men mag niet vergeten dat de drieterm van de Franse Revolutie "Liberté, Égalité, Fraternité" bejubelde en dat voor een van de grootste theoretici van die maatschappelijke filosofie, Émile Durkheim, de Franse Republiek een leerstoel sociologische moraal zal instellen als uitdrukking van een positivisme dat zich wilde opwerpen als een normatieve wetenschap.

Ook na de crisis van de wetenschap en het geweten die in Europa in het bijzonder met de Eerste Wereldoorlog naar voren kwam met het in zwang raken van de theorieën betreffende conflict en collectivisme en met het tegenover elkaar stellen van de mensheid in blokken, behield de solidariteit, ook al elimineerde zij het utopisch irrealisme van de positivistische theorieën, haar onontkoombaar karakter en de mogelijkheid van een steeds noodzakelijker alternatief denken.

De christelijke betekenis van de solidariteit

Bevrijd van ideologische connotaties, maar lettend op de niet-religieuze betekenis ervan, wordt solidariteit omschreven als "de relatie van broederschap en wederzijdse ondersteuning die de gedragingen van een collectiviteit verbindt in het voelen van dit toebehoren ervan tot eenzelfde maatschappij en in het bewustzijn van gemeenschappelijke belangen en gemeenschappelijke doeleinden"[1].

Johannes Paulus II herneemt en verdiept de christelijke betekenis van solidariteit, uitgaande van de antropologische christelijke visie, die hij in het bijzonder na de crisis en het falen van de niet-religieuze opvattingen over vooruitgang en het betreffende model van de mens opnieuw bevestigt. Hij definieert deze niet als "een gevoel van vaag medelijden of oppervlakkige vertedering voor de ellende van zoveel mensen", maar als "de onwrikbare vastberadenheid zich in te zetten voor het algemeen welzijn" (Sollicitudo rei socialis, 38).

Hij onderstreept de op gemeenschap gerichte sociale dimensie van het mens zijn naast het personalistische karakter ervan dat zich ontwikkelt in de waarden van creativiteit, vrijheid en verantwoordelijkheid. Hij herinnert eraan dat de christelijke opvatting van solidariteit haar fundament vindt juist in de zelfopenbaring van God in Christus, in de zekerheid van de eenheid onder de mensen door hun gemeenschappelijke oorsprong en hun gemeenschappelijk doel in God en in de broederschap in Christus.

In dit perspectief wordt de sociale leer van Johannes Paulus II, wanneer zij de hedendaagse realiteit overziet, ertoe gebracht in het bijzonder de nadruk te leggen op solidariteit. "In de huidige historische contingentie komt steeds sterker de behoefte naar voren aan nieuwe edelmoedige en daadwerkelijke solidariteit. Een solidariteit die helpt om nieuwe wegen van ontwikkeling te vinden"[2] en als bijdrage die iedere mens met zijns gelijken moet leveren voor het gemeenschappelijk welzijn van de maatschappij, tegen een maatschappelijk en politiek egoïstisch individualisme (vgl. Libertatis conscientia, 73). Dat brengt met zich mee dat men het individu zijn vrijheid van beweging garandeert en dat men natuurlijk verwacht dat ook de ander zich op dezelfde wijze voor anderen inzet.

De christelijke solidariteit manifesteert zich als wil om de menselijke onderlinge afhankelijkheid overeenkomstig relaties van samenwerking en wederzijdse aanvulling van elkaar te verwezenlijken. De solidariteit van allen en de verantwoordelijkheid van ieder worden wederzijds geconditioneerd en bepaald. Zoals de theoloog W. Kasper schrijft, "zolang als slavernij, ongerechtigheid, vijandigheid nog ergens in de wereld heersen, zal ook onze persoonlijk vrijheid niet gegarandeerd en ten volle verwezenlijkt zijn"[3].

Respect voor en waardigheid van de persoon herinneren aan en verbinden zich onvermijdelijk met solidariteit, evenals persoon en maatschappij de twee met elkaar verbonden polen zijn, telkens wanneer de katholieke Kerk thema's van werk en maatschappelijk leven aanroert. Het denken dat persoon en maatschappij met elkaar in verband brengt, blijkt in werkelijkheid de sleutel te zijn van de christelijke opvatting over de maatschappelijke realiteit.

Solidariteit en arbeid: een niet te scheiden tweeterm

Solidariteit wordt daarom een wezenlijke dimensie van het menselijke en maatschappelijke leven en is een bijzonder kenmerk, verankerd in de natuur zelf van de arbeid, onlosmakelijk verbonden met de problemen ervan. Tegelijkertijd is zij ook "vereiste" ervoor en "programma" ervan[4].

Daarom wijst Johannes Paulus II, wanneer hij in de menselijke arbeid een wezenlijke drijfveer in de maatschappelijke problematiek vindt, op de "weg van de solidariteit" als noodzakelijk traject waarlangs men de problemen van de arbeid en heel de hedendaagse maatschappij moet aanpakken.

In die zin herinnert de paus niet alleen in de belangrijke toespraak, uitgesproken in 1982 bij de 68ste zitting van de Internationale Conferentie van de Arbeid in Genève, maar ook door talrijke toespraken, gericht tot alle categorieën van de wereld van de arbeid en vervolgens met de encycliek Sollicitudo rei socialis voortdurend aan het scheppen van en het zoeken naar een nieuwe solidariteit die gebaseerd is op de ware betekenis van de menselijke arbeid als enige weg om aan een rechtvaardigere maatschappij te bouwen die openstaat voor een authentieke menselijke vooruitgang.

Wanneer de arbeid wordt verricht, openbaart hij een fundamentele en natuurlijke implicatie van een relatie tussen mensen en is nooit te scheiden van de andere menselijke, maatschappelijke, economische werkelijkheden. De handeling zelf van de arbeid heeft op zich het karakter van een bij elkaar brengen van mensen: hij is nooit solitair, hij kan een element van vereniging of van scheiding zijn, van opbouw of van verwoesting van de maatschappelijke groep, maar het is hoe dan ook altijd een element dat nauw verbonden met en niet te scheiden is van economie en maatschappij.

Iedere arbeider leert door de arbeid samen te leven met anderen en ervaart hoe iedere activiteit onherstelbaar op een min of meer zichtbare wijze verbonden is met die van veel andere subjecten, die met hun inspanning, bekwaamheid en creativiteit deelnemen aan het tot stand brengen van een gemeenschappelijk werk.

De arbeid laat buiten zijn vele specifieke vormen in zijn ontologische dimensie in iedere hoek van de wereld dezelfde werkelijkheid zien en schept in die zin, zoals de paus op de Internationale Conferentie van de Arbeid stelt, "de eenheid van allen in een activiteit die eenzelfde betekenis en eenzelfde bron heeft". In dezelfde toespraak voegt hij hieraan toe dat "voor allen het werk een noodzaak is, en plicht, een taak. Voor ieder en voor allen is het een middel om zich van een leven, een gezinsleven en de fundamentele waarden ervan te verzekeren; het is ook de weg die voert naar een betere toekomst, de weg van de vooruitgang, de weg van de hoop. In de diversiteit en de universaliteit van de uitingen ervan verenigt de menselijke arbeid de mensen, omdat iedere mens in het werk ‘de verwezenlijking van zijn mens zijn' zoekt"[5].

De arbeid draagt daarom als eigen en bijzondere dimensie van de mens en de mensheid, van de persoon die in een gemeenschap werkzaam is, het teken van eenheid en solidariteit. Het is de spil van de solidariteit die zich manifesteert als gemeenschap van mensen die samen werken en samen strijden om de arbeid te bevrijden.

Men kan dus uitgaande van de ware betekenis van het werk, de juiste opvatting daarover, zoals die tot uitdrukking komt in het "evangelie van de arbeid" de criteria schetsen die een definitie en verwezenlijking van de nieuwe solidariteit, de betekenis, de doelstellingen en de vormen ervan die het zal moeten aannemen, moeten bepalen.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)




[1] Solidariteità, in Lessico Universale Italiano, XXI, Istituto dell'Enciclopedia Italiana, Roma 1979, 308-309.

[2] Johannes Paulus II, Moge de mens op nieuwe grondslagen van solidariteit weer het fundament van de arbeid worden. Porto Marghera: tot de arbeiders, de ondernemers en managers van het industriële complex in de Veneto (17/6/1985), in Insegnamenti VIII/1, 1902. 

[3] W. Kasper, Gesù il Cristo, Queriniana, Brescia 1975, 312.

[4] Johannes Paulus II, Alleen een nieuwe solidariteit, gebaseerd op de ware betekenis van de menselijke arbeid, kan een rechtvaardigere maatschappij opbouwen, die openstaat voor authentieke vooruitgang. Bij de 68ste zitting van de Internationale Conferentie van de Arbeid (15/6/1982), in Insegnamenti V/2, 2271.

[5] Johannes Paulus II, Alleen een nieuwe solidariteit..., 2272.



08/06/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis