Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/18. De arbeid als deelname aan het Paasmysterie...
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/18


 

 
DE ARBEID ALS DEELNAME AAN HET
PAASMYSTERIE IN DE SOCIALE LEER VAN
JOHANNES PAULUS II

 

 


In de christelijke theologische reflectie wordt, evenals in de leer van de paus, de arbeid beschouwd in zijn positieve en negatieve waarden. De boodschap van de openbaring herkent vanaf het begin de dubbelzinnigheden ervan, wanneer zij enerzijds hem beschouwt als een verlenging van de schepping en een plaats van menselijke verwezenlijking en groei, maar anderzijds als een gebied waarop de last en de gevolgen van de zonde zich doen gevoelen in inspanning, moeite, in het gevaar van vervreemding en prometheïsche illusie, die veranderen in ongerechtigheid en uitbuiting.

Johannes Paulus II brengt, verwijzend naar de Bijbeltekst van Genesis 3, 17-19, herhaaldelijk die dubbelzinnigheid in herinnering, die de door de zonde aangetaste arbeid kenmerkt. "Het boek Genesis leert dat de smartelijke ervaring van een arbeid dat 'in het zweet des aanschijns' wordt verricht, een gevolg is van de zonde die in het begin door de mens is begaan. De zonde ... is een tragische realiteit die niet mag worden vergeten: zij staat aan de horizon van het kwaad in de maatschappij en van het lijden van de mens"[1]. Met de zonde laat iedere menselijke realiteit haar dubbelzinnigheid zien. Zij heeft een element van spanning in de relatie zelf van de mens met de kosmos en de andere mensen binnengebracht, zodat iedere arbeider deze spanning en tegenstelling ervaart.

Werden vóór de komst van het christendom fysieke inspanning en ieder ander lijden beschouwd als een onvermijdbaar lot, een fataliteit die verbonden was met het mens bestaan, met de komst van Christus en zijn dood en verrijzenis wordt ieder gevolg van de zonde veranderd en opgenomen in een positieve en bevrijdende horizon.

Jezus Christus ervoer immers niet alleen de arbeid, maar Hij overwon in het Paasmysterie de zonde en veranderde alles door de verlichting van het evangelie te projecteren op de menselijke activiteit. "Zijn werk, zijn lijden, zijn gehoorzaamheid tot aan de dood krijgen een volheid van betekenis in zijn verrijzenis: dit is het 'evangelie van de arbeid', vervat in het leven en het onderricht van onze Verlosser"[2].

De arbeid behoudt dus zijn oorspronkelijke kenmerk, maar vindt in het mysterie van Christus zijn volle begrip en behoudt daarbij het dubbele karakter van menselijke verwezenlijking en van lijden.

De arbeid, ingevoegd in het kruis van Christus

In dit perspectief wordt de inspanning, de moeite van het werk niet alleen opgenomen in een visie van boetedoening, die echter aanwezig en belangrijk is, indien zij verstaan wordt als inspanning om situaties van ongerechtigheid te veranderen en concreet de maatschappij te verbeteren, maar betekent zij vooral een invoegen in en deelnemen aan het mysterie van Gods plan. Hij wil immers de medewerking van de mens, niet alleen voor de schepping, maar ook "voor het heil van heel de mensheid en de verheffing van de wereld door het gemeenschappelijk en wijd verbreide element van het verdriet te veranderen in een instrument van genade"[3].

De doelgerichtheid van het universum in Christus komt door het mysterie van de menswording, als mysterie van solidariteit van Christus met heel de mensheid, immers in een beslissende fase in de dood aan het kruis van Christus, waarin zich die solidaire eenwording van de Zoon van God met het menselijk bestaan verwezenlijkt.

Op het kruis van Christus krijgen de inspanning en het lijden van de arbeid hun zin. Het mysterie zelf van het kruis staat geschreven in de menselijke arbeid. "Men kan het kruis niet scheiden van de menselijke arbeid. Men kan Christus niet scheiden van de menselijke arbeid"[4].

Door het kruis heeft Jezus Christus het werk van de bevrijding van iedere menselijke realiteit van de zonde voltooid, zo "behoort de arbeid met al zijn problemen tot dit grootse, goddelijke werk van de verlossing"[5].

Op deze wijze biedt God iedere mens de genade aan om de ware zin van zijn arbeid te begrijpen. Ook al gaat de arbeid vaak gepaard met ellende, het is geen vloek, geen onvruchtbare en door het noodloot bepaalde inspanning meer, maar het wordt een deelname aan het verlossend offer van Christus.

In een versmelting van mysterie van de schepping en de verlossing wordt de door God gewilde en gezegende arbeid de ruimte waarin de schepping, die in Christus haar ware gezicht heeft hervonden, een voortgaande dynamiek krijgt naar haar definitieve resultaat: de vervulling van alles in de Heer en in gemeenschap met Hem de verlossing bestaande in de volmaakte identiteit van de mens en de wereld. In die zin "brengt" de menselijke arbeid "niet meer de last van een veroordeling met zich mee, maar de adel van de zending de mens met God tot hoofdrolspeler te maken in de opbouw van de menselijke samenleving en van de dynamiek die het mysterie van de Almachtige weerspiegelt"[6].

De menselijke activiteit, verbonden met de solidaire verlossing van de mensheid

De christelijke theologische opvatting van het werk "gaat" dus "uit van het geloof van God de Schepper en komt via Christus de Verlosser tot de opbouw van de menselijke maatschappij, tot de solidariteit met de mens"[7].

In het perspectief van het Paasmysterie krijgen de menselijke betrekkingen, inclusief die van het werk, een solidaire, christologische en theologale dimensie.

De verandering van de wereld door middel van het handelen van de mens wordt zo ten dienste gesteld van de mensheid, wordt bevrijd en verheven in Christus en krijgt in Hem de betekenis van de verwezenlijking en uitdrukking van de broederlijke vereniging van alle mensen.

De menselijke activiteit laat in deze optiek haar fundamentele gemeenschappelijke en sociale karakter zien, dat eigen is aan de christelijke antropologie, die rekening houdt met de onontbeerlijke sociale natuur van de mens, de onderlinge afhankelijkheid van de menselijke persoon en maatschappij. Zij is derhalve gericht op het gemeenschappelijk welzijn en de persoonlijke en gemeenschappelijk vooruitgang in een wezenlijke en christelijke solidaire dimensie. Het werk vormt op zich een sterk motief voor de vereniging van mensen en, zoals de theoloog René Latourelle stelt, "is het werk de schepper van het maatschappelijke netwerk van de vormen van solidariteit die ook boven de naties uit worden aangeknoopt. Door te werken voor de vooruitgang van de menselijke collectiviteit wordt de mens ook deze keer gelijkvormig aan zijn structuur van 'sociaal' wezen en aan het authentieke welzijn van de mensheid volgens het plan van de wil van God"[8].

Deze theologisch visie op de menswording die het belang van het binnentreden van God in de menselijke ervaring, loopt logischerwijze uit op een "theologie van de aardse realiteiten", die de waardigheid en het positieve karakter van de geschapen realiteiten en dus van het werk ten overstaan van God erkent. Tegelijkertijd ontkomt zij niet aan een "theologie van de praktijk", die zich bewust is van de zonde in de maatschappij en in de structuren van het werk (systemen van vervreemding, conflict, onderwerping van de mens) en reageert op dergelijke onrechtvaardige en onderdrukkende systemen in het perspectief van een "theologie van de bevrijding", dat wil zeggen die niet bang is zich in te zetten om de huidige realiteiten te veranderen.

In dit theologische perspectief vindt de sociale leer, die zich bewust is van de globale dimensie die de sociale kwestie heeft gekregen, in de christelijke solidariteit een fundamentele categorie waardoor het mogelijk is niet alleen de maatschappelijke problemen aan te pakken en naar een weg voor de oplossing ervan te zoeken, maar ook uit het werk de bijdrage aan verzoening van de wereld en de eenwording onder de mensen te verkrijgen, zoals die ten volle zich heeft gemanifesteerd en verwezenlijkt in Jezus Christus.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)



[1] Johannes Paulus II, De waarde van de menselijke arbeid mag niet gereduceerd worden tot een eenvoudig proces van economische productie. De toespraak tot de wereld van de arbeid gedurende het bezoek aan de mijn van Monteponi (18/10/1985), in Insegnamenti VIII/2, 999.

[2] Johannes Paulus II, Het zoeken naar gerechtigheid en broederschap heeft meer waarde dan technologische vooruitgang. Toespraak tot de arbeiders in Pusan (5/5/1984), in Insegnamenti VII/1, 1257.

[3] Johannes Paulus II, De waarde van de menselijke arbeid..., 1000.

[4] Johannes Paulus II, Het kruis van Nowa Huta, nieuw zaad van evangelisatie. In het heiligdom van het Heilig Kruis in Mogila (9/6/1979), in Insegnamenti II/1, 1506-1507.

[5] Johannes Paulus II, "De paus is gekomen om aan allen het evangelie van de arbeid te verkondigen". De toespraak op het plein van de parochie Jezus de Goddelijke Arbeider in Porto Marghera (17/6/1985), in Insegnamenti VIII/1, 1906.

[6] Johannes Paulus II, De waarde van de arbeid maakt deel uit van de waardigheid van de mens. Tot de arbeiders van de Solvay-fabriek (19/3/1982), in Insegnamenti V/1, 920.

[7] Johannes Paulus II, Medewerkers van God bij het werk van de schepping. De ontmoeting met de arbeiders in Sâo Paulo (3/7/1980), in Insegnamenti III/2, 87.

[8] R. Latourelle, L'uomo e i suoi problemi alla luce del Cristo, Cittadella, Assisi 1982, 326-327.

 

 


09/02/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis