Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema's over de sociale leer van de kerk arrow Thema’s over de sociale leer van de Kerk/16. Van een technisch-wetenschappelijke rationaliteit...
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Thema’s over de sociale leer van de Kerk/16


 

 
  VAN EEN TECHNISCH-WETENSCHAPPELIJKE
RATIONALITEIT NAAR EEN NIEUWE WERKCULTUUR
IN DE SOCIALE LEER VAN JOHANNES PAULUS II

 



De tweeslachtigheid van de mogelijkheden die het technologische tijdperk biedt, vormt een uitdaging die de mens van onze tijd betreft.

Men dient deze tweeslachtigheid goed voor ogen te houden en niet te vergeten, met de beide aspecten van de situatie, het positieve van verwezenlijkingen en nieuwe scheppingen en het negatieve, vol bedreigingen van het menselijk bestaan, rekening te houden om anders niet het gevaar te lopen aan de oppervlakte te blijven en de menselijke betekenis van de eigen tijd niet te begrijpen.

De techniek bepaalt als toepassing van de vorm van denken en technisch-wetenschappelijke rationaliteit die zich vanaf de 17e eeuw heeft ontwikkeld en ook wel "technologisch sciëntisme" wordt genoemd, in werkelijkheid een reeks houdingen en een scala van waarden die een culturele verandering teweeg brengen die synthetisch te herleiden is tot een terugbrengen van het werkelijke tot het kwantitatieve en het experimenteerbare, tot een gemanipuleerd gebruik van de objecten, tot een utilitarisme ten opzichte van natuur en maatschappij.

Dezezelfde rationalisering die de ontwikkeling van de geïndustrialiseerde maatschappij kenmerkt, onthult, doordat zij in kwantitatieve en utilitaristische termen wordt gesteld, een wezenlijk onvermogen om laatste betekenissen en doeleinden te leveren voor een "kwaliteit van leven" die niet die zijn welke in termen van instrumentele rede kunnen worden berekend.

De industriële, postindustriële en informatica-cultuur, doordrongen van dit type rede, ziet dat er zich symptomen en verschijnselen van anomie en entropie zodanig ontwikkelen en toenemen dat het komt tot een crisis van de regeerbaarheid van het hele maatschappelijke systeem van het volwassen kapitalisme.

De cultuur van het technologisch sciëntisme, opgedrongen door het proces van industrialisatie, dat op praktisch vlak een verandering met zich meebrengt van de betekenis van het werk, bepaald door zijn eigen organisatie, zou als zijn sterke punt nu juist hebben in de manipuleerbaarheid van het zijn.

Het model van de mens die zich ontwikkelt, is dat van de homo faber. Wetenschap en techniek worden de duidelijkste uitdrukkingen van een rationaliseringsproces dat de neiging heeft overal de heerschappij van de mens te bevestigen door middel van de ontdekking van de aan het universum, de maatschappij en de menselijke natuur zelf inherente wetten.

De positivistische en marxistische ideologieën die een dergelijk proces van rationalisering van de werkelijkheid zijn gaan overheersen, hebben dit in de ene of andere zin beschouwd als tegengesteld of tegenovergesteld aan de godsdienst, waarbij ze in deze laatste of een vorm van irrationeel denken zien of de wil om de mens in een positie van afhankelijkheid ten opzichte van de bestaande, natuurlijke en maatschappelijke werkelijkheid te houden.

Wetenschap en techniek altijd ten dienste van de mens

De sociale leer van de Kerk geeft daarentegen een positief en consistent antwoord dat de menselijke activiteit in de wereld op haar waarde schat, maar niet verabsoluteert.

Als de rationaliserende en kwantitatieve neiging van wetenschap en techniek beantwoordt aan de heerschappij van de mens over het universum en overeenkomt met de Bijbelse boodschap, dan wijst zij echter tegelijkertijd op het uiteindelijke doel van een dergelijke immense macht die de mens kan en moet ontwikkelen.

Eenvoudigweg wetenschap-techniek en heerschappij aan elkaar gelijkstellen, en dit in volstrekt negatieve zin, is een verkeerde denkwijze.

Heerschappij, verstaan in de zin van de Bijbelse schepping, brengt voor de mens in deze taak trouw aan zowel de waarheid van de natuur en het doel dat zij in zichzelf heeft, als aan de waarheid over de mens met zich mee.

De houding ten opzichte van de vooruitgang van de techniek mag daarom geen afwijzing en angst zijn. "Techniek en machines, ook de meest verfijnde, zijn vrucht en instrument van menselijk werk; maar het ware subject van het werk blijft altijd en alleen de mens. Het instrument kan niet tot protagonist worden verheven en boven de werkende mens worden gesteld zonder een omkering van de orde van de werkelijkheid en een funeste omdraaiing van middelen en doel"[1].

In een dergelijke omdraaiing wordt de techniek een onvermijdelijk lot.

Wetenschap en techniek vormen een eenheid die men niet mag scheiden, maar evenmin mag men ze aan elkaar gelijkstellen. De techniek is het instrument dat een noodzakelijke, zij het niet voldoende voorwaarde voor de wetenschap wordt. Zij wordt een middel tot vernietiging, wanneer zij wordt opgevat als de verwezenlijking van een wetenschap die de menselijke persoon van haar methode heeft uitgesloten"[2].

De overtuigingen volgens welke de moderne mens zijn koers heeft georganiseerd, dat wil zeggen dat de wetenschap eenvoudigweg gericht is op de technische heerschappij over de wereld en dat de techniek alleen maar het uitoefenen van die heerschappij is, beantwoorden niet aan de huidige vereisten: men wordt op de dag van vandaag gewaar dat een overwinnen van historische vervreemdingen moet uitgaan van het overwinnen van deze overtuigingen.

De neutraliteit van de wetenschap volgens Weber aan het begin van afgelopen eeuw blijkt vandaag tegenstrijdig, daar zij het aannemen van een bewering impliceert die de positieve wetenschap niet kan rechtvaardigen.

De technisch-wetenschappelijke rationaliteit en heel de onmisbare objectieve dimensie van het werk moeten worden teruggebracht tot een doel dat de horizon ervan vormt: dit kan alleen maar de mens de verwezenlijking van de menselijke persoon zijn. De politieke intentie moet samengaan met een eigenlijk meer antropologische.

Dat is het voorstel dat naar voren komt uit het sociale onderricht van Johannes Paulus II betreffende het werk voor onze maatschappij en dat nog steeds niets van zijn actualiteit heeft verloren. Ook al concentreert hij zijn aandacht op het subjectieve aspect van het werk en de persoon van de arbeider, de Poolse paus wijst op het bewustzijn van het belang van het objectieve aspect om dezezelfde verwezenlijking te bereiken. Wanneer hij het werk als sleutel van de sociale kwestie kenmerkt, verbreedt hij de horizonten door te wijzen op het uiteindelijke doel van iedere rationalisering en een herbepaling van het begrip rationaliteit zelf omtrent een humanisme van het werk als een nieuwe culturele vorm van de maatschappij.

Een nieuwe werkcultuur

Wanneer Johannes Paulus II de categorieën van de betekenis en de cultuur van het werk invoert, wil hij herinneren aan het culturele klimaat dat gepaard gaat met de structurele veranderingen van de menselijke activiteit, verstaan als de waarde die de maatschappij in het geheel toekent aan het werk.

Dit klimaat bepaalt zowel de objectieve als de subjectieve betekenis van het werk, daar het van invloed is op de perceptie van de betekenis ervan en van het zelfbegrip van de arbeider.

Als de betekenis van het werk op grond van het feit zelf dat het de zin is die iedere arbeider toekent aan zijn activiteit op het vlak van zijn eigen levensplan, een zekere dishomogeniteit laat zien, is de werkcultuur daarentegen een allesomvattende en objectieve dimensie die ertoe neigt zich op te dringen aan de mentaliteit van de arbeiders en van invloed is op de betekenis die iedere mens toekent aan zijn handelen.

De overgang die de hedendaagse maatschappij kenmerkt, brengt enerzijds een weinig duidelijke en compacte werkcultuur met zich mee, terwijl hij van de andere kant als consequentie een extreme variëteit aan betekenissen van werk laat zien.

Wanneer men het positieve van de versnippering van de werkervaring als een rijkdom van expressiviteit en creativiteit beschouwt, is er een niet uniformerende en beperkende werkcultuur nodig, die echter moet worden verstaan als een samenhangend idee van de menselijke activiteit, als communicatiemiddel, zonder hetwelk er noch een persoonlijke verwezenlijking kan zijn, noch gemeenschapszin, noch een authentieke politieke dimensie.

Daarom gaat het erom bij te dragen aan de opbouw van deze nieuwe werkcultuur, die de humus moet vormen waarbinnen de wezenlijke waarden van het menselijk handelen, van de waardigheid van de arbeider en de doeleinden van het gemeenschappelijk welzijn en de gerechtigheid worden beschermd, bevorderd en gekoesterd[3].

Deze opbouw moet meer dan op economische mechanismen of politieke en maatschappelijke ideologieën op de mens als het middelpunt en het doeleinde ervan berusten.

Daarom zijn de zin en de rationaliteit van de nieuwe werkcultuur die men in onze tijd verwacht (vgl. Libertatis conscientia, 82), waaraan Johannes Paulus II herinnert, gebaseerd op een allesomvattende antropologische idee van alle menselijke dimensies, waarbij de eisen van lichaam en ziel op elkaar worden afgestemd en die wortelt in een dieper begrip van de oorspronkelijke inhoud van de christelijke boodschap betreffende de mens en zijn activiteit.

In deze antropologische culturele visie zou dan iedere tegenstelling tussen rationaliteit en godsdienst definitief overwonnen zijn, als reactie behorend tot een ideologisch-filosofische visie, die in de 18e eeuw is ontstaan en functioneel is voor de kapitalistische vorm van de eerste industrialisatie, maar nu definitief in crisis is geraakt.

De spirituele religieuze, aan het werk inherente betekenis

In het door Johannes Paulus II ontwikkelde theologisch-religieuze perspectief wordt het werk als ingevoegd en opgenomen in het mysterie van de schepping een antwoord van de mens aan God op het geschenk van de aarde, van het universum, van het leven zelf.

De mensen scheppen door hun werk de voorwaarden voor hun bestaan en hun wereld. Door zo te handelen openbaren zij hun creatieve vermogens, hun talenten, verwerkelijken zij zich als mens en als persoon en worden zo hetgeen waartoe zij volgens Gods plan geroepen zijn.

Dit perspectief maakt hen door de menselijke wezens te definiëren als arbeiders ook tot scheppers van hun eigen cultuur, niet echter in de zin van de marxistische filosofie, omdat Johannes Paulus II altijd en volledig vasthoudt aan het primaatschap van de mens boven het werk, het kapitaal, de techniek, alle instrumenten van het werk en daarbij een onbetwistbare voorrang toekent aan de subjectieve pool van het werk.

Het beoordelingscriterium van het werk moet altijd herleid worden tot de fundamentele kwestie: dient het de subjectiviteit van de arbeider? Bevordert en ontwikkelt het zijn vrijheid, zijn deugd, zijn creativiteit? Een consequentie van de toepassing van deze visie wordt de premisse voor een humanistische en personalistische werkcultuur, voor een criterium van rationaliteit met de mens als middelpunt.

Als het werk van een mens enerzijds een cultuur in antropologische zin creëert als een geheel van instellingen, gewoonten, waarden en ideeën die de wederzijdse relatie van de personen bepalen en de gemeenschappelijke ethos tot uitdrukking brengen, dan is er anderzijds een nieuwe werkcultuur die men moet creëren en bevorderen. Deze kan alleen maar worden verstaan als centraliteit van de mens in zijn geestelijk, vrij zijn, door zijn natuur zelf ertoe gebracht de verantwoordelijkheid voor zijn handelen op zich te nemen als ontwikkeling en bevordering van zijn waardigheid. Hierin krijgt het werk zijn authentieke ethische, spirituele betekenis.

Het welzijn van de mens wordt in deze optiek een wezenlijk criterium voor ieder programma, systeem, stelsel. Het werk moet, evenals de vooruitgang, de techniek, de productiviteit, de maatschappelijke systemen, de ondernemingen, de maatschappelijke organisaties, maar ook de culturen, de opvoeding, alles wat het aardse leven van de mens betreft, humanistische en menselijk makende werkelijkheden zijn, en wel zo dat zij de mens niet depersonaliseren door hem louter tot een object te maken, maar de mogelijkheid hem tot subject te maken, de uitoefening van zijn vrijheid begunstigen door middel van actieve deelname en morele vervolmaking.

Daar de menselijke persoon bovendien intrinsiek relationeel, sociaal is, geroepen tot menselijke en goddelijke gemeenschap, omvat een wezenlijk personalistische werkcultuur onvermijdelijk het aspect van socialiteit dat in de spirituele natuur zelf van de mens die zich opent voor menselijke gemeenschap en solidariteit verankerd is.

Hier geeft de theologisch-spirituele visie van Johannes Paulus II op de religieuze betekenis, verankerd in de opvatting over het werk, uitgaande van de schepping een opening naar het mysterie van de menswording en de verlossing en daarbij wordt een centrale rol toegekend aan de christologische dimensie.

Daar de gehele christelijke antropologie en de antropologie van het werk die naar voren komt in het perspectief van Johannes Paulus II, en van zijn sociaal onderricht betreffende het werk in laatste instantie de eenheid tussen schepping en verbond veronderstellen, kunnen deze alleen maar worden begrepen in het licht van de ecclesiologie en de eschatologie. Dit zijn in werkelijkheid dimensies die een integraal en personalistisch humanisme rechtvaardigen als onmisbare culturele matrix voor een verandering van de wereld volgens goddelijk plan.

Emanuela Furlanetto

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)



[1] Johannes Paulus II, De betekenis van solidariteit herontdekken om samen te leven en te groeien, Ravenna: toespraak tot de arbeiders in de vestiging van de ANIC (10/5/1986), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, IX/1, 1359.

[2] "Daarom is het belangrijk dat de verantwoordelijke mensen de moed hebben een wetenschap aan te klagen die 'onteerd' blijkt te zijn 'door de wreedheid van haar toepassingen"', Johannes Paulus II, Werken is voor de mens God eren en dienen. Tot de Federazione Nazionale Cavalieri del lavoro (11/5/1979), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, II/1, 1091.

[3] Soms geeft men er op het gebied zelf van het sociale onderricht de voorkeur aan te spreken van de beschaving van het werk om een nieuwe algehele vormgeving van de plaats van de mens in de wereld en het leven aan te geven (vgl. Libertatis conscientia, 83) en niet alleen van een "cultuur", een term die een meer sectorale connotatie zou kunnen hebben.

 



01/12/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis