Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema’s van Spiritualiteit ▸ arrow Thema's van spiritualiteit/11. "Wie zichzelf verheft zal vernederd worden, maar wie zichzelf..."
sito ufficiale

  ¡PAS OP! DEZE WEBSITE IS EEN ARCHIEF - KLIK HIER OM NAAR DE NIEUWE WEBSITE OVER TE GAAN

 
Afdrukken Verzenden naar een vriend


Thema's van Spiritualiteit/11 



"Wie zichzelf verheft zal vernederd worden,

maar wie zichzelf vernedert zal verheven worden"

(De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar, Lc 18, 9-14)


Jezus spreekt in gelijkenissen, omdat zijn gesprekspartners "kijken en niet zien, luisteren en niet horen en niet begrijpen" (Mt 13, 13). Tegelijk echter wil Jezus hen "van binnenuit" betrekken bij het verhaal om hen op die manier - een beetje zoals in een film - betrokken partij te maken en hen te doen kiezen aan welke kant ze gaan staan. Pas wanneer men 'van binnenuit' betrokken is op het verhaal, kan men een eigen oordeel geven. En zo groeit het besef dat Jezus in zijn gelijkenissen voor ons en over ons sprak en dat zijn vraag aan ons over het lot van de verschillende personages in feite een vraag is aan ons over het lot van onszelf, onze woorden, onze opvattingen en onze gevoelens.

In de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar biedt Jezus ons de mogelijkheid om naar ons te kijken als in een spiegel. Samen met de farizeeër en de tollenaar gaan wij naar de tempel en volgen we de farizeeër. Zo spreekt Jezus tot ons. Maar wanneer we samen met de farizeeër vooraan staan, zien we, in de formidabele spiegel van de gelijkenis die Jezus ons voorhoudt, ook de tollenaar die achteraan in de tempel blijft staan, en over wie de Heer ons vraagt om een oordeel te vellen. Jezus vraagt echter geen oordeel over de zondaar die hij is, maar over de keuze die hij maakt om hem te beminnen met Zijn eigen liefde.

Enkele trekken van de gelijkenis

In deze parabel benadrukt Jezus twee tegenovergestelde houdingen. De farizeeër meent het recht te hebben om vooraan te staan. Dit wordt niet letterlijk gezegd in de gelijkenis, maar we leiden dit af uit het feit dat er staat dat de tollenaar, daarentegen, achteraan op een afstand blijft staan (vgl. Lc 18, 13). We kunnen dan ook niet anders dan denken aan een andere gelijkenis van Jezus over de keuze van de zitplaatsen op een banket (vgl. Lc 14, 7-11), die wordt afgesloten met min of meer dezelfde woorden: "Wie zichzelf verheft zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verheven worden".

De farizeeër voelt zich in den hoge en, dus, groot genoeg om te menen te mogen spreken tot God als tot een gelijke. De farizeeër verschilt hierin van diegene die achteraan zit en zich klein voelt. De tollenaar durft niet op te kijken. We zien hem gebogen. Hij voelt zich zoals hij is: klein.

Ook hier kunnen we verwijzen naar andere passages in het evangelie waarin de spanning tussen deze tegenstrijdige houdingen centraal staat:

         a) Vooreerst is er de passage waarin Jezus een manier van bidden suggereert die verschilt van die van de huichelaars die "graag staan in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensen" (Mt 6, 5). En we weten dat Jezus het woord "huichelaars" generaliserend toepast op de farizeeën en de schriftgeleerden (vgl. Mt 15, 7; 22, 18; 23, 13-15). De beschrijving die Jezus hier geeft, komt duidelijk overeen met de manier waarop de farizeeër in onze gelijkenis leek te bidden.

         b) Daarnaast is er de passage over de zang van het Magnificat van Maria waarin ze zegt: "Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf Hij een hoge plaats" (Lc 1, 52). Ook hier een duidelijke verandering van richting: de nederigheid wordt verheven.

         c) Ten slotte verwijzen we naar de passage over de voorwaarde die Jezus stelt om groot te zijn: "Want de kleinste van jullie allemaal, die is groot" (Lc 9, 48; vgl. Lc 22, 26).

De conclusie dringt zich dat de tollenaar in feite de "evangelische houding" aanneemt en dat hij hierin wordt erkend door Jezus. In deze houding herkent Jezus de waarden die Hijzelf predikt en daarom wordt hij anders dan de farizeeër "gerechtvaardigd".

De parabel eindigt met de spreekwoordelijke zin: "Wie zichzelf verheft zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verheven worden" (Lc 18, 14). Dit is de belangrijkste leer van de gelijkenis, door Jezus zelf gegeven.

De liefde tot de naaste

In de houding van zowel de farizeeër als de tollenaar vinden we eigenlijk twee totaal tegenovergestelde situaties die ook psychologisch moeilijk met elkaar te verzoenen zijn. De farizeeër voelt zich rechtvaardig, gezond en schoon; de tollenaar, daarentegen, zondig, ziek en vies.

In de meeste gevallen is de mens als de farizeeër: klaar om over anderen te oordelen, klaar om zichzelf te bewonderen en klaar om tot God te praten als tot een gelijke. Vaak zoekt de mens, in plaats van de rechtvaardiging van God, zijn eigen zelfrechtvaardiging en presenteert hij zich als een huichelaar: enkel uitpakken met die dingen waardoor hij gewaardeerd kan worden en zwijgen over dat wat hem kan worden verweten.

Maar we kennen allemaal de ervaring van de zonde. We weten allemaal hoe de tollenaar eruitziet. En we weten allemaal dat, als we eerlijk zijn met onszelf, het soms erg moeilijk is om de ogen op te heffen. We voelen hoe de zonde ons uitnodigt om onszelf te verbergen en te vluchten. Al te vaak beseffen wij immers dat wij niet waard zijn om aangekeken te worden.

Denken we maar aan de zonde van Adam en Eva. Na de zonde herkennen we hen niet meer: Adam en Eva zijn niet langer meer wat ze waren in de realiteit die God "zeer goed" (vgl. Gen 1, 31) had genoemd en die wel degelijk verschilt van die van alle andere wezens die alleen "goed" worden gedefinieerd (vgl. Gen 1, 3 tot 25). Na de zonde verbergen Adam en Eva zich voor de Heer die hen wil ontmoeten. Zij verbergen zich niet ervoor maar erna, wanneer ze horen dat de Heer God wandelt in de tuin (vgl. Gen 3, 8).

De tollenaar in onze gelijkenis blijft achter. Hij denkt niet eens eraan om advies te gaan vragen aan die man die zich rechtvaardig voelt, vooraan durft te staan en zichzelf hoog verheven ziet.

De farizeeër van zijn kant, zou kunnen terugkeren en zich buigen over het leed dat hij wel degelijk ziet. Hij zou een goed woord tot zijn broeder kunnen spreken en hem in zekere zin kunnen helpen om omhoog te gaan en daar, vooraan, Gods liefde samen te bezingen. Maar de farizeeër wil dat niet, want het is zo dat hij zich rechtvaardig voelt, en wel omdat hij de Wet volbrengt. Hij vergeet echter de passage van de Wet die hem uitnodigt om zijn naaste te beminnen (vgl. Lev 19, 18). En dat is uiteindelijk wél de houding en de zending van Jezus: "de Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was" (Lc 19, 10).

Wat de Heer van ons vraagt in deze gelijkenis is de fundamentele nederigheid die ons altijd zou moeten vergezellen. De Heer vraagt ons om afstand te doen van de hoge inschatting die we van onszelf hebben. Ons wordt gevraagd om te kijken naar de andere, voor wie Jezus zijn leven gaf. Alleen dan, in deze gemeenschappelijke reis, kunnen we uit de sloppenwijken van onze ellende komen om met Hem te zijn, die "zachtmoedig en nederig van hart" is (Mt 11, 29), barmhartig en liefdevol.

Sandro Puliani

26/07/2010

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis