Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema’s van Spiritualiteit ▸ arrow Thema's van Spiritualiteit/18. Broederlijke vriendschap
Afdrukken Verzenden naar een vriend

 
Thema's van Spiritualiteit/18



BROEDERLIJKE VRIENDSCHAP

 


 Wat Tertullianus zei over de christenen in het algemeen: "Men wordt niet als christen geboren, maar men wordt het" (Apologeticum XVIII, 5), kan zonder enige moeilijkheid worden toegepast op het religieuze leven. Men wordt immers niet geboren als lid van een religieuze familie, maar men wordt dit door een persoonlijke keuze. En wat meer is, deel uitmaken van een gemeenschap is nooit een gegeven dat voor eens en altijd is verworven, maar een dagelijkse verovering die het hele leven duurt. Wie gelooft dat zijn eigen lidmaatschap alleen al gegarandeerd is door het feit dat hij eens zijn "ja" uitsprak, heeft al zijn eigen falen verkondigd. Om deze strijd aan te gaan in de geest hebben wij er behoefte aan ons huis te bouwen op de rots van het Woord van de Heer (vgl. Mat. 7, 24). Het luisteren naar zijn Woord wordt hierdoor het middelpunt van het gemeenschappelijk leven. Hieruit komt de gemeenschap in al haar aspecten, ook de wederzijdse vriendschap tussen broeders en zusters voort.

De mens is tot God in staat

In een van zijn bekendste geschriften Uditori della parola[1] onderstreepte K. Rahner dat de mens van nature gericht is op het luisteren naar het Woord dat komt uit de mond van de Eeuwige[2]. Hij is in staat het Woord te ontvangen dat door God tot hem wordt gericht: "Het menselijk wezen is in staat naar de boodschap van God te luisteren en door middel van de genade het licht en het eeuwige leven te ontvangen die zijn verborgen in de diepten van de levende God"[3]. Het menselijk wezen is daarom constitutioneel "een luisteraar van het Woord". Deze toestand verleent hem ook de waardigheid van mens. Welnu, zo zegt Rahner, de mens kan naar het Woord luisteren krachtens een kwaliteit die hem eigen is: de potentia oboedientialis[4], dat wil zeggen het vermogen om het Woord dat God tot hem richt, te gehoorzamen. De meest authentieke houding die de mens ten opzichte van dit Woord dat vragen aan hem stelt, toekomt, zal het antwoord van het geloof zijn: een persoonlijke en vrije daad. Hieruit volgt dat het menselijk wezen in staat is partner van God te worden[5]. Om zichzelf te eren en de waardigheid die hem is gegeven, te respecteren heeft de mens de plicht te luisteren naar het Woord van God waarin de Eeuwige zichzelf openbaart. Het geopenbaarde Woord wordt dan de plaats waar God en mens elkaar ontmoeten. Deze omarming tussen de Schepper en zijn schepsel kan echter alleen maar plaatsvinden, indien de mens door in vrijheid lief te hebben op Gods roepstem antwoord met zijn persoonlijk "ja".

 Wat is gezegd, geldt met des te meer reden voor een religieuze gemeenschap. Ieder lid dat daartoe behoort, is zonder uitsluiting op grond van cultuur, maatschappelijke afkomst, volk waartoe het behoort, in staat naar het Woord te luisteren dankzij zijn menselijke gesteldheid. Hij hoeft niet bij anderen te bedelen om dit vermogen, hij bezit dit reeds in zich: hij vormt het in zijn natuur van luisteraar naar het Woord en zijn waardigheid als mens. Wanneer dit vermogen om te luisteren wordt onderdrukt bijvoorbeeld door belemmeringen van relationele, psychologische of affectieve aard en men door onvermogen in de spiraal van zelfmedelijden terechtkomt, vormt men een bedreiging voor de eigen natuur. In elk geval doet men afstand van de waardigheid zelf van de mensen.

Het Woord staat in het middelpunt van het gemeenschapsleven en is de plaats waar de wil van de Heer wordt geopenbaard en het individu ontmoet. Wie luistert, kan niet onverschillig blijven. Integendeel, hij wordt uitgenodigd in een daad van verantwoordelijke en persoonlijke liefde antwoord te geven op de oproep die uit deze ontmoeting voortkomt. Hij wordt ertoe aangespoord om in de geschiedenis van de mensen actief en creatief het levensplan dat eigen is aan zijn familie, vorm te geven.

Het actieve en verantwoordelijke antwoord op de communicatie met God komt voort uit de aantrekkingskracht die het goddelijk Woord opwekt in degene die ernaar luistert. Het is altijd en vóór alles een persoonlijk, vervolgens een gemeenschappelijk antwoord. Wie ten opzichte van de moeilijkheden bij het verwezenlijken van het gemeenschappelijk levensproject reageert met een passieve, toegeeflijke houding, als overwonnen, reageert, heeft op de een of andere wijze de vonk verloren die aan de oorsprong stond van zijn roeping.

Fundament van de vriendschap

In zijn diepste aspect roept het Woord waarnaar is geluisterd, er toe op in een vriendschapsrelatie te treden met de persoon van Jezus, het vlees geworden Woord. Het is Jezus zelf die in zijn afscheidsrede hiervan getuigt: "Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden" (vgl. Joh. 15, 15). Vandaar de vraag over wat het vriend van Jezus zijn met zich meebrengt, wat werkelijk vriendschap is.

 Benedictus XVI drukt zich hieromtrent als volgt uit: "Vriendschap is een gemeenschap van denken en willen, het is hetzelfde willen en hetzelfde niet willen. De Heer zegt ons hetzelfde met grote aandrang: ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij' (Joh. 10, 14). De Herder roept de zijnen bij hun naam (vgl. Joh. 10, 3). Hij kent mij bij mijn naam. Ik ben niet zo maar een anoniem wezen in de oneindigheid van het heelal. Hij kent mij op een heel persoonlijke wijze"[6].

Opdat vriendschap oprecht is, wordt ook van de kant van de mens dezelfde spanning gevraagd om de Heer steeds beter te leren kennen: in zijn Woord, in het gebed, in de gemeenschap van de heiligen, in het leven van de Kerk, in de personen die men op zijn eigen pad ontmoet.

Bij de kennis voegt zich de eenheid van willen. "Dat betekent", zo zegt Benedictus XVI, "dat mijn wil toegroeit naar het ‘ja' van aansluiting bij zijn wil. Zijn wil is voor mij immers niet een uiterlijke en vreemde wil, waarnaar ik mij min of meer gaarne wel of niet voeg. Nee, in vriendschap verenigt mijn wil zich steeds meer met de zijne, zijn wil wordt de mijne en zo word ik nu juist waarlijk mijzelf"[7].

Ten slotte wordt vriendschap bezegeld met het geven van het leven. Jezus geeft zijn leven voor zijn vrienden (vgl. Joh. 15, 13; 10, 15). Dat is nu de noodzaak die voortkomt uit een innerlijke dynamiek, eigen aan de vriendschap met Jezus: zijn eigen leven leven niet voor zichzelf, maar het samen met Jezus leven voor de ander.

Broederlijke vriendschap

H. Franciscus van SalesIn de religieuze gemeenschap is de eerste vrucht die uit de vriendschap met Jezus voortkomt, de broederlijke vriendschap: "Hoe schoon en hoe weldadig is eendracht onder broeders" (Ps. 133, 1), zegt de psalm. Dit zegt een meester in de geestelijke vriendschap de psalmna, Franciscus van Sales, wanneer hij schrijft: "Het is iets moois lief te hebben, zoals men in de hemel liefheeft en elkaar leren te beminnen in deze wereld, zoals wij dat voor eeuwig zullen doen in de andere! Ik spreek hier niet over de eenvoudige naastenliefde, want die moet men alle mensen tegemoet brengen; ik spreek over de geestelijke vriendschap waardoor twee of drie of meer zielen elkaar hun toewijding en hun geestelijke genegenheid zo meedelen dat zij onderling één geest worden"[8].

Deze vreugde van broederlijke gemeenschap, dit "zich goed voelen onder broeders", een vooruit lopen op de eeuwige gemeenschap, hangt af van de centrale plaats die de persoon van Jezus inneemt in het leven van het individu. Zijn fysieke persoonlijkheid, zijn criteria bij het beoordelen van de mens en de wereld, zijn relatie met de armen, de zieken, de laatsten, het levensplan waarvan Hij de drager wordt tot de dood aan het kruis zijn het referentiepunt. Het zijn geen horizontale criteria die de basis leggen voor vriendschappen binnen een religieuze familie. De eenheid onder de leden van een gemeenschap kan alleen worden gegarandeerd door een hoger punt waarnaar ieder moet kijken en waartoe ieder zich moet bekeren door beoordelingscriteria en ingesleten houdingen te veranderen. Het hogere punt, het bindmiddel dat de eenheid garandeert, is nu juist de persoonlijke vriendschap met Jezus.

Als in de wereld vriendschap ook op goede dingen gebaseerd kan zijn, zoals overeenkomst van karakter, psychologische harmonie, wederzijdse sympathie, gemeenschappelijke belangen, solidariteit, dan mag dit voor een religieus niet voldoende zijn. Zeker, er kunnen menselijke sympathieën zijn die bepaalde personen onderling meer binden dan met anderen. Maar wanneer men voor een religieus leven kiest, dan brengt men een sprong in kwaliteit tot stand en de beoordelingscriteria worden anders dan die van de wereld. Het punt van de centrale plaats van de persoon van Jezus komt weer terug.

Om een voorbeeld te nemen uit het leven van de Kerk, de grote crisis die haar in de laatste tijd heeft getroffen, zeker in de westelijke wereld, is dat zij nu juist de persoon van Jezus Christus heeft verduisterd. Men heeft het accent gelegd op het belang van de filantropische waarden die uit zijn prediking naar voren zijn gekomen, zoals goedheid, solidariteit, broederschap, hulp aan de armen. Uiteindelijk hebben deze waarden de persoon van Jezus weggedrukt en is de Kerk veranderd in een verzorgingsinstelling, in een "servicestation", in een borg voor goed moreel gedrag. Priesters zijn tenslotte tot functionarissen in de eredienst geworden, die een zoetsappig evangelie van menselijke solidariteit prediken.

Hetzelfde gebeurt in de micro-Kerk die de religieuze gemeenschap is, wanneer zij niet zorgt voor het eigen innerlijke leven en de dialoog met de bron die haar voedt, verwaarloost. Dikwijls vlucht men in een activisme van sociale, humanitaire, pastorale aard en loopt het risico iedere band met Jezus af te snijden: men verwijdert Hem langzamerhand uit ons leven, zodat Hij uiteindelijk een vreemdeling wordt.

Wanneer men uitgaat van de vriendschap met Jezus, komen er gezonden verhoudingen binnen de gemeenschap tot stand tussen personen die in de geschiedenis de roeping-zending willen beleven die zij persoonlijk op zich hebben genomen. Met andere woorden, broeders en zusters van eenzelfde gemeenschap worden alleen "echte" vrienden onder elkaar, als zij een "echte" vriendschap met Jezus hebben, als Hij "de Vriend" is.

Wanneer deze vriendschap minder wordt, dan zullen de wederzijdse relaties afbrokkelen, zullen zij niet lang duren.

 Zonder verder een samenvattend transcendent punt dat ieder lid ertoe aanzet boven zichzelf uit te stijgen en eigen negatieve natuurlijke neigingen te overwinnen en dat alles te vervolmaken in een voortdurend proces van bekering, zal ieder terugkeren tot wat hij was, voordat hij koos voor het gemeenschapsleven. Zo zal de hoogmoedige na voor een tijd de schoonheid van de nederigheid en het leven in harmonie met de anderen ervaren te hebben weer opnieuw gaan leven in de eenzaamheid van zijn hoogmoed, zoals de sterke, de intelligente, de arrogante, de rijke; de schuchtere, de zwakke, de weinig begaafde, de arme, ook zij zullen weer zijn wat ze waren. Menselijke sympathieën of antipathieën, psychologische affiniteiten, kleine belangen en persoonlijke fatsoensnormen zullen overheersen. Sommigen zullen binnen de gemeenschap voor zich een eigen wereld scheppen; anderen zullen uiteindelijk een andere weg gaan. In beide gevallen zal het grote goed van het gemeenschapsleven worden verwoest.

De dorst naar het woord van Jezus, het verlangen om met Hem in gesprek te komen, Hem te zoeken, zijn vrienden te zijn is het geneesmiddel dat scheiding en verstrooiing heelt. Dit is de relatie die wij steeds opnieuw moeten zoeken, dag voor dag. Alleen deze centraliteit garandeert de vriendschap tussen broeders en zusters van dezelfde religieuze familie.

 

Maurizio Fomini

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
 

 

 

 


________________________

[1] K. Rahner, Uditori della parola, Borla, Roma 1977.
[2] Vgl. K. Rahner, Uditori della Parola..., 98.
[3] Vgl. K. Rahner, Uditori..., 60.
[4] Vgl. K. Rahner, Uditori..., 49.
[5] Vgl. K. Rahner, Uditori..., 35-36.
[6] Benedetto XVI, Omelia pronunciata nella solennità dei Santi Apostoli Pietro e Paolo (29 juni 2011) op www.vatican.va
[7] Benedetto XVI, Omelia pronunciata... op www.vatican.va
[8] De heilige Franciscus van Sales, Introduzione alla vita devota o Filotea, III, 19, Utet, Torino 1946, 221.

31/07/2011

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis