SPIRITUALITEIT VAN DE
GEMEENSCHAP REDEMPTOR HOMINIS
De Gemeenschap Redemptor hominis is ontstaan vanuit de aanvaarding door een groep jongeren van een boeiende en levensechte verkondiging van het Woord van God, kort na het Tweede Vaticaans Concilie.
Het is dankzij de roeping, de prediking en het levensgetuigenis van Emilio Grasso, priester van het bisdom Rome, dat enkele jongeren tot het geloof kwamen en hem volgden. De beleving van hun geloof nam de concrete vorm aan van een gemeenschapsleven waarvan de Statuten van de Gemeenschap nu de leefregel weerspiegelen. Ze schetsen de fundamentele lijnen van de spiritualiteit, van het gemeenschapsleven en van de apostolische activiteit van de leden.
Op grond van hun toewijding in het doopsel en door hun gemeenschappelijke roeping zijn ze met elkaar verbonden om vollediger en bewuster deel te hebben aan de heilszending van Christus, de Verlosser, ten dienste van de universele Kerk, vanuit de evangelische inspiratie van het eigen charisma (vgl. Statuten Rh 3).
Bij hun apostolische activiteiten hebben ze een voorliefde voor de verkondiging van het evangelie, waarbij ze bij voorkeur, hoewel niet uitsluitend, kiezen voor de armen en de jongeren (vgl. Statuten Rh 20).
Het gemeenschapsleven is de historische plaats waar zij de woorden van het evangelie van Johannes beleven: "Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart" (Joh. 13, 35). Innerlijkheid, gemeenschapsleven en verbondenheid met het volk, zijn de drie niet van elkaar te scheiden aspecten van het persoonlijk leven van elk lid, die in gehoorzaamheid, armoede en kuisheid beleefd dienen te worden. Dit alles als teken van trouw aan de liefde van Degene die het geroepen heeft en in solidariteit met Lazarus die in de geschiedenis leeft en aan onze deur blijft kloppen (vgl. Statuten Rh 9-10).
De Gemeenschap beschouwt het ‘persoon-worden’, het in relatie met iemand anders staan, als de diepste roeping elke mens. Daarom werden de theologie en de cultuur van het ‘Gelaat’ sinds haar prille begin beklemtoond. De Gemeenschap wil daarmee duidelijk maken dat de persoon met zijn wel bepaald gelaat en naam het middelpunt is.
Dit is een cultuur die uit de liefde jegens ‘iemand’ ontstaat en ons niet in de anonieme massa achterlaat. Een cultuur die ons de schoonheid doet ontdekken van het bestaan in een dimensie die hier op aarde haar aanvang kent, maar die dit leven overstijgt over de dood heen. Het is de openheid naar het gelaat van de ander die ons naar het gelaat van God begeleidt.
Zo’n openheid verwijst naar de cultuur van de Drieëenheid waarin de hoogste graad van de verscheidenheid wezenlijk verbonden is met de hoogste graad van de eenheid. Diezelfde openheid verwijst tevens ook naar de uittocht uit zichzelf, uit eigen hemel en eigen aarde, om de ander te ontmoeten, even aan ons gelijk als verschillend, om zoals Jezus Christus, universele mens, te worden die in staat is in een nieuw leven alle mensen te ontmoeten, zonder grenzen of enige andere beperkingen.
(vervolg)
|