Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Paus Franciscus
Afdrukken Verzenden naar een vriend





   

Ze doet een beroep op ons, onze wortels niet los te laten, die vele getuigenissen die jullie gekregen hebben van mensen die geloven en die om hun geloof hebben moeten worstelen. Een geloven dat echt beleefd is, dat echte hoop is geworden, een hoop waardoor u kunt uitmunten in de liefde.

**
*
Maria heeft geen eigen program, ze komt ons niets nieuws zeggen; ze wil eerder liever stil blijven, en alleen door haar geloof met ons meegaan.

***
Zij is de eerste leerlinge geweest die met haar Zoon is meegegaan en die bij de apostelen de hoop levend heeft gehouden op moeilijke ogenblikken.

***
Zij is de vrouw die gelooft, ze is de Moeder van de Kerk, zij die geloofd heeft. Haar leven getuigt ervan dat God niet teleurstelt, dat God zijn volk niet in de steek laat, ook al zijn er momenten of situaties waarin het lijkt of Hij er niet bij is.

**
*
Laten wij naar haar leven kijken en wij voelen ons begrepen, verstaan. Wij kunnen gaan zitten om te bidden en een gemeenschappelijke taal gebruiken ten overstaan van een reeks gebeurtenissen die wij iedere dag beleven. Wij kunnen ons met haar vereenzelvigen in vele situaties van haar leven. Haar onze dingen van alledag vertellen, omdat zij ze begrijpt.

***
Maria is de moeder van het ‘ja’. Ja tegen de droom van God, ja tegen het plan van God, ja tegen de wil van God. Een ‘ja’ dat, zoals wij weten, in het geheel niet gemakkelijk was om naar te leven. Een ‘ja’ dat haar niet overlaade met voorrechten en onderscheidingen, maar waarvan Simeon tegen haar in zijn profetie zal zeggen: “Uw ziel zal door een zwaard worden doorboord”.

***
Een economische ontwikkeling die geen rekening houdt met de zwaksten en de ongelukkigsten, is geen ontwikkeling. De maat van een economisch model moet de integrale waardigheid van de persoon zijn, vooral de meest kwetsbare en weerloze persoon.

  ***
Laat deze inspanning van alle spelers op maatschappelijk vlak niet stoppen, totdat er geen kinderen meer zijn zonder toegang tot onderwijs, gezinnen zonder huis, arbeiders zonder menswaardig werk, boeren zonder land om te bebouwen en zoveel mensen die gedwongen zijn te emigreren naar een onzekere toekomst; totdat er geen slachtoffers meer zijn van geweld, corruptie of drugshandel.

***
In de wil van dienst en werken voor het algemeen welzijn moeten armen en behoeftigen de eerste plaats innemen.

  ***
Wij moeten niet in het conflict blijven steken; eenheid is altijd meer dan conflict; het is een interessante oefening in de liefde voor het vaderland en de liefde voor het volk ieder perspectief te vermijden dat voorkomt uit overtuigingen van een partijdige of ideologische keuze.
 

***
In alle kringen van de maatschappij, maar vooral bij publieke activiteiten, moet men de dialoog versterken als bevoorrecht middel om het algemeen welzijn te bevorderen op grond van de cultuur van de ontmoeting, het respect voor en de erkenning van de legitieme verschillen en meningen van de ander.

***
Een volk dat zijn verleden, zijn geschiedenis, zijn wortels vergeet, heeft geen toekomst, is een dor volk. Een herinnering die een hechte basis heeft in gerechtigheid, bevrijdt van wraak- en haatgevoelens, verandert het verleden in een bron van inspiratie om aan een toekomst van samen-leven en harmonie te bouwen.

***
Zichzelf geven houdt in: evangeliseren; die evangelisatie is onze revolutie – omdat ons geloof steeds revolutionair is – het is onze diepste en aanhoudende hartenkreet.

***
Door zich te geven vindt de mens zichzelf terug met zijn ware identiteit als kind van God, gelijkend op de Vader en, in eenheid met Hem, als gever van leven, als broeder van Jezus, van Wie hij getuigenis aflegt.

***
Het katholieke geloof van veel volken staat vandaag tegenover de uitdaging van de verspreiding van nieuwe religieuze bewegingen, waarvan sommige neigen naar fundamentalisme en andere een spiritualiteit zonder God lijken voor te houden.

  ***
Wij erkennen dat een cultuur waarin ieder drager wil zijn van een eigen subjectieve waarde, het moeilijk maakt dat de burgers wensen deel te nemen aan een gemeenschappelijk project dat uitgaat boven persoonlijke belangen en wensen.

  ***
Wij evangeliseren ook, wanneer wij de verschillende uitdagingen aangaan die zich kunnen voordoen. Soms openbaren deze zich in authentieke aanvallen op de godsdienstvrijheid of in nieuwe situaties van christenvervolging, die in enkele landen een alarmerend niveau van haat en geweld hebben bereikt. Op veel plaatsen gaat het veeleer om een wijd verbreide relativistische onverschilligheid, verbonden met de desillusie en crisis van de ideologieën die heeft plaatsgevonden als reactie op alles wat totalitair lijkt te zijn.

  ***
De aanbidding van het oude gouden kalf (vgl. Ex. 32, 1-35) heeft een nieuwe en meedogenloze versie gevonden in het fetisjisme van het geld en de dictatuur van een economie zonder gezicht en zonder een werkelijk menselijk doel.
 
***
Een van de oorzaken van deze situatie is gelegen in de relatie die wij met geld tot stand hebben gebracht, aangezien wij rustig de macht ervan over ons en onze maatschappijen accepteren. De financiële crisis die wij doormaken, doet ons vergeten dat deze haar oorsprong vindt in een diepe antropologische crisis: het ontkennen van het primaatschap van het menselijk wezen! 

***
Om een levensstijl te kunnen onderhouden die de anderen uitsluit, of om warm te kunnen lopen voor dit egoïstisch ideaal, heeft zich een globalisering van de onverschilligheid ontwikkeld.

***
Men beschouwt het menselijk wezen in zichzelf als een consumptiegoed dat men kan gebruiken en vervolgens weggooien. Wij hebben een “wegwerpcultuur” ingevoerd, die zelfs wordt bevorderd. Het gaat niet meer eenvoudigweg om het verschijnsel van uitbuiting en onderdrukking, maar om iets nieuws: met de uitsluiting wordt het behoren tot de maatschappij waarin men leeft, in zijn wortel zelf aangetast, aangezien men zich niet bevindt in de onderste lagen, of aan de rand ervan of zonder macht is, maar erbuiten staat. De uitgeslotenen zijn geen “mensen die worden uitgebuit”, maar vuilnis, “afval”.

 ***
Vandaag valt alles onder het spel van de competitiviteit en de wet van de sterkste, waar de machtige de zwakkere eet. Als gevolg van deze situatie zien grote massa’s van de bevolking zich uitgesloten en gemarginaliseerd: zonder werk, zonder vooruitzichten, zonder uitweg.

***
Deze buitengewoon belangrijke verandering is veroorzaakt door geweldige sprongen, in kwaliteit, kwantiteit, snelheid en opeenstapeling, die plaatsvinden in de wetenschappelijke vooruitgang, de technologische vernieuwingen en hun snelle toepassingen op de verschillende terreinen van de natuur en het leven. Wij zijn in het tijdperk van de kennis en de informatie, bron van nieuwe vormen van een veel vaker anonieme macht.

  ***
Angst en wanhoop maken zich meester van het hart van talloze personen, zelfs in de zogenaamde rijke landen. De levensvreugde blust herhaaldelijk uit, gebrek aan respect en geweld groeien, de ongelijkheid wordt steeds zichtbaarder. Men moet vechten om te leven en vaak om enigszins waardig te leven.

*** 

De mensheid beleeft op dit ogenblik een historisch keerpunt dat wij kunnen zien in de vorderingen die worden gemaakt op verschillende terreinen. Men moet de successen prijzen die bijdragen aan het welzijn van de mensen, bijvoorbeeld op het gebied van de gezondheid, de opvoeding en de communicatie. Wij mogen echter niet vergeten dat het grootste gedeelte van de mannen en de vrouwen van onze tijd in dagelijkse onzekerheid leven met rampzalige gevolgen.

    ***
Ik spoor alle gemeenschappen aan een “altijd waakzaam vermogen” te hebben “om de tekenen van de tijd te bestuderen”. Het betreft een zware verantwoordelijkheid, aangezien enkele werkelijkheden van de tegenwoordige tijd, als ze geen goede oplossingen vinden, processen van ontmenselijking in gang zetten van waaruit het vervolgens moeilijk is terug te keren.

    ***
Vaak is het beter de pas in te houden, zonder vrees de anderen in de ogen te kijken, te luisteren of af te zien van wat dringend dient te gebeuren om meegaan met de mensen die aan de kant van de weg is achtergebleven.

***
De inzet voor de evangelisatie beweegt zich tussen de grenzen van de taal en de omstandigheden. Hij tracht altijd de waarheid van het evangelie zo goed mogelijk mee te delen in een bepaalde context, zonder af te zien van de waarheid, het goede en het licht dat hij kan brengen, wanneer volmaaktheid niet mogelijk is.

    ***
De enorme en snelle culturele veranderingen vragen erom dat wij voortdurend waken de waarheden van altijd in een taal uit te drukken die het mogelijk maakt de blijvende nieuwheid ervan te herkennen.

  ***
Het evangelie nodigt vóór alles ertoe uit een antwoord te geven aan God, die ons liefheeft en die ons redt, door Hem in de ander te herkennen en buiten zichzelf te treden om het goede voor allen te zoeken. Deze uitnodiging moet in geen enkele omstandigheid worden versluierd! Alle deugden staan ten dienste van dit antwoord van liefde.

***
Evenals het organisch verband tussen de deugden het verhindert één ervan uit te sluiten van het christelijk ideaal, zo wordt ook geen enkele waarheid ontkend. De integrale boodschap van het evangelie mag niet verminkt worden. Bovendien wordt iedere waarheid beter begrepen, als ze in relatie staat met de harmonieuze totaliteit van de christelijke boodschap en in dit context hebben alle waarheden hun belang en verhelderen zij elkaar.
 

***
In de wereld van vandaag, met zijn snelle communicatie en de niet belangeloze, door de media gemaakte selectie van de inhoud, loopt de boodschap die wij verkondigen, meer dan ooit het gevaar dat zij wordt verminkt en gereduceerd tot enkele van haar secundaire aspecten. Het grootste probleem doet zich voor, wanneer de boodschap die wij verkondigen, dan geïdentificeerd lijkt met dergelijke secundaire aspecten, die, ook al zijn zij belangrijk, op zich alleen niet de kern van de boodschap van Jezus Christus laten zien.

 ***
Ik droom van een missionaire keuze die in staat is alles te veranderen, opdat de gewoonten, de stijlen, de tijdschema’s, de taal en iedere kerkelijke structuur een kanaal worden dat meer dan voor de  zelfbescherming, geschikt is voor de evangelisatie van de huidige wereld. De hervorming van de structuren, die vraagt om een nieuwe pastorale bekering, kan alleen in deze zin worden verstaan: ervoor zorgen dat zij alle meer missionair worden.

***
Jezus Christus kan ook de saaie schema’s doorbreken waarin wij Hem willen opsluiten en Hij verrast ons met zijn voortdurende goddelijke creativiteit.

***
Hij kan met zijn nieuwheid altijd ons leven en onze gemeenschap vernieuwen en ook al maakt de christelijke boodschap donkere tijden en kerkelijke zwakten door, zij veroudert nooit.

***
God heeft zijn onmetelijke liefde geopenbaard in de gestorven en verrezen Christus. Hij maakt zijn gelovigen altijd nieuw, ook al zij zijn oud, “zij hernieuwen hun kracht en slaan hun vleugels als adelaars uit; zij lopen en worden niet moe, zij rennen en raken niet uitgeput” (Jes. 40,31).


**
*
Het lukt ons ten volle menselijk te zijn, wanneer wij meer dan menselijk zijn, wanneer wij God toestaan ons boven onszelf uit te tillen, om ons meest ware wezen te bereiken. Daar bevindt zich de bron van de evangeliserende activiteit.

***
Het is alleen dankzij deze ontmoeting - of hernieuwde ontmoeting - met de liefde van God, die verandert in gelukkige vriendschap, dat wij bevrijd worden van ons geïsoleerd bewustzijn en het op onszelf betrokken zijn.

  ***
Ik nodig iedere christen uit, waar hij ook is en in welke situatie hij zich ook bevindt, vandaag nog zijn persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus te hernieuwen of minstens de beslissing te nemen zich door Hem te laten ontmoeten, Hem elke dag onophoudelijk te zoeken.

  ***
Zichzelf geven, zelfs in de moeilijkste ogenblikken, zoals Jezus deed op Witte Donderdag, toen Hij wist dat er complotten tegen Hem gesmeed werden en dat Hij verraden werd; maar toch geeft Hij zich aan ons met Zijn wil om ons te redden.

  ***
  In elke echte gave geeft iemand zichzelf. Zichzelf geven betekent, heel de macht in ons laten werken van de liefde die Gods Geest is, en zo ruimte geven aan Zijn scheppende kracht.

  ***

Hoe mooi zou het zijn als iedereen vol bewondering kon zijn voor de zorg die wij voor elkaar dragen. Voor de wijze waarop wij elkaar aanmoedigen en met elkaar optrekken! De gave van zichzelf legt een relatie tussen personen; zo’n relatie ontstaat niet door dingen aan elkaar te geven, maar door onszelf te geven.

***
Jezus bidt, dat wij deel mogen uitmaken van een grote familie, waarin God onze Vader is en wij allen broeders zijn. Niemand is uitgesloten. Die familie is er niet op gebaseerd dat we dezelfde smaak, dezelfde zorgen, dezelfde talenten hebben.

***
Jezus’ voorstel is ook geen overeenkomst op onze maat, waarin wij voorwaarden stellen, kiezen wat meespeelt en andere elementen uitsluiten. Dat zou een elitaire godsdienstigheid zijn...

***
Jezus doet een concreet voorstel, het is niet zo maar een idee. Als Hij de parabel verteld heeft van de barmhartige Samaritaan, zegt Hij tot de man die Hem vraagt: “Wie is mijn naaste?”: “Ga, en handel zelf ook zo”.

***
Uit deze zo diepe waarheid ontstaat het geestelijk leven van degene die evangeliseert. Die waarheid bestaat niet in een paar vrome ogenblikken die een zekere verlichting brengen. Jezus wijdt ons om een persoonlijke ontmoeting met Hemzelf tot stand te brengen, een ontmoeting die voedsel geeft aan het engagement in de wereld, aan de geestdrift om te evangeliseren.

***
De Kerk in staat van zending brengen vraagt van ons, dat we onze gemeenschap nieuw leven geven, want het gaat niet alleen om actie naar buiten; wij realiseren de zending eveneens in ons eigen midden.

***
De zending van de Kerk, als heilssacrament hangt samen met haar identiteit als Volk dat op weg is, met de roeping, op haar weg alle naties van de aarde in zich op te nemen. Hoe hechter onze onderlinge gemeenschap is, des te meer zal dit de zending ten goede komen.

***
Evangeliseren betekent niet: proselieten willen maken. We evangeliseren wanneer we door ons getuigenis degenen aantrekken die veraf zijn, wanneer we nederig toenadering zoeken tot mensen die zich ver van God en van de Kerk voelen, toenadering zoeken tot hen die zich a priori beoordeeld en veroordeeld voelen door lieden die denken zelf volmaakt en zuiver te zijn.

***
Het is ondenkbaar dat er eenheid schittert als wij door de geest van de wereld met elkaar in oorlog zijn, in een steriele zoektocht naar macht, aanzien, genot of economische zekerheid. En dit ten koste van de armsten, de meest uitgestotenen, de meest weerloze mensen.

***
De toetssteen van ware liefde is de dienst. Wie liefheeft dient, hij zet zichzelf in ten dienste van de anderen. En dat leer je speciaal in het gezin, waar we uit liefde elkaars dienaars worden.

***
Het gezin is een school waar het gebed ook maakt dat we beseffen dat er een “wij” is, dat we vlak bij ons, onder onze ogen, een naaste hebben, die leeft onder hetzelfde dak als wij, die het leven met ons deelt en die in nood is.

***
Bidden doet ons altijd weggaan uit de ommuring van onze zorgen, het doet ons uitstijgen boven wat ons pijn doet, ons schokt of wat we zelf missen, en het helpt ons om ons in anderen in te leven, te voelen wat zij voelen.

***
Het volk dat trouw is, heeft het geloof in zijn eigen taal uit weten te drukken, het heeft zijn diepste gevoelens van verdriet, van twijfel, van vreugde, van mislukking en van dankbaarheid in allerlei vormen van devotie weten te tonen: met processies, met het waken, met bloemen en liederen die prachtig zijn vertrouwen weergeven op de Heer en zijn liefde voor de Moeder van de Heer, die ook onze Moeder is.

***
Een Kerk op uittocht is een Kerk die naar de mensen toegaat, die haar best doet om niet op afstand te blijven, een Kerk die eigen gemak achter zich laat en die naar alle randgebieden toe durft te gaan waar nood is aan het licht van het evangelie.

***
Laten we in eenheid samen verder trekken, elkaar ondersteunen en nederig vragen om de gave, stand te mogen houden in zijn dienst.

***
Standhouden, zelfs als we worden afgewezen, zelfs als het duister is en als we steeds meer ontredderd raken en steeds meer gevaar lopen. Dan uit alle kracht stand houden! in het besef dat we niet alleen staan, dat heel Gods heilig volk zo op weg is.

***
Standhouden in onze zending wil zeggen dat we niet rondzwerven van het ene huis naar het andere, op zoek naar de plaats waar we het best worden behandeld, waar meer middelen en gemakken voorhanden zijn. Zo standhouden vraagt van ons dat we ons lot ten einde toe met dat van Jezus verenigen.

***
De gaven die we kregen zijn bedoeld om de Kerk te hernieuwen en op te bouwen. Weiger niet samen te delen, weiger niet te geven, sluit je niet op in gemak, wees als overstromende bronnen die frisheid brengen, vooral aan degenen die terneer gedrukt worden door zonde, door teleurstelling, door verbittering.

***
We zijn geen huurlingen, maar dienaren; we zijn er niet om ons te laten bedienen maar om zelf te dienen en dat moeten we doen in volledige onthechting, zonder staf en zonder voorraadtas.

***
Gods woord zegt ons dat Hijzelf ons heeft uitgekozen, aangewezen en uitgezonden. Dat maakt ons vrij van alle betrokkenheid op onszelf, het doet ons begrijpen dat we onszelf niet meer toebehoren, dat onze roeping van ons vraagt, te verzaken aan alle egoïsme, aan alle zoeken naar materieel profijt of naar affectieve compensatie.

***
In Jezus’ liefde blijven wil zeggen: blijven in de liefde van de Vader die Jezus tot ons gezonden heeft; in Jezus’ liefde blijven betekent handelen, niet alleen maar wat zeggen; in Jezus’ liefde blijven betekent: in staat zijn tot communiceren, tot dialoog, zowel met de Heer als met onze broeders.

***
Ware liefde kan zich niet isoleren, want als ze dat zou doen is het geen liefde, dan wordt het veeleer een spirituele vorm van egoïsme, een zich opsluiten in zichzelf, op zoek naar eigen voordeel. In één woord, dat is egoïsme.

***
Liefde deelt zich mee, ze blijft niet geïsoleerd: liefde geeft zichzelf en ontvangt, ze wordt tot het intense wederzijds zich meedelen dat er bestaat tussen de Vader en de Zoon, een communicatie die de Heilige Geest verwerkelijkt. Daarom bestaat er geen liefde zonder meedelen van zichzelf, liefde die zich isoleert bestaat niet.

***
Ware liefde is concreet, ze bestaat in de werken, het is een liefde die niet aflaat, het is iets anders dan simpel enthousiasme. Maar heel dikwijls is liefde ook smartelijk: we hoeven maar te denken aan de liefde van Jezus die het kruis draagt.

***
We kunnen op de televisie naar een soap kijken: dat zijn fantasiebeelden, verhalen waar we niet bij betrokken zijn. Jezus van zijn kant waarschuwde de zijnen daarentegen: “Niet degenen die roepen Heer! Heer! gaan binnen in het rijk der hemelen, maar zij die mijn geboden onderhouden hebben”.

***
Er zijn twee criteria die ons helpen de ware liefde te onderscheiden van de onware. Het eerste is, dat de liefde meer moet berusten op daden dan op woorden. En het tweede bestaat in het feit dat de liefde zichzelf meedeelt.

***
We dienen nooit te vergeten dat wij in het leven wegen van beproevingen moeten gaan, dat is de wet van het leven. Maar juist in die momenten moeten we niet vergeten op de Heer te rekenen. En Hij geeft ons antwoord met zijn vrede.

***
Een christen kan vooruit komen terwijl hij beproevingen en ook vervolging verdraagt, doordat hij zich verlaat op de Heer: alleen de Heer is in staat ons sterk te maken, ons te doen volharden in het geloof en ons hoop te geven.

***
Door veel tegenspoed het Rijk Gods binnen te gaan betekent niet: uit zijn op zelfkwelling: het is: ervoor vechten om echt christen te zijn.

***
In ons leven staan ons beproevingen te wachten: het hoort bij het leven dat we duistere, moeilijke momenten door moeten maken.

***
Christen zijn is geen uiterlijke schijn, geen door de omgeving bepaald gedrag, het is niet je ziel een beetje schminken om haar wat mooier te maken. Christen zijn is: doen wat Jezus gedaan heeft: dienen. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.

***
We zijn geen mensen zonder wortels, we hebben diepe wortels, die we nooit moeten vergeten en die reiken van onze vader Abraham tot op vandaag.

***
Een christen is een man of vrouw die in de geschiedenis staat, want hij of zij behoort zichzelf niet toe, hij of zij hoort bij een volk dat op weg is. Daarom is christelijk egoïsme ondenkbaar.

***
Eén van de typerende trekken van echt christen zijn is: dat ik een man of vrouw ben die in de geschiedenis staat, dat ik besef dat de geschiedenis niet bij mij begint en ook niet eindigt met mij. Want alles is begonnen toen de Heer de geschiedenis binnen is getreden.

***
Zonder gebed is er geen ruimte voor de Geest; we moeten God vragen dat Hij ons deze gave stuurt opdat wij te allen tijde kunnen onderscheiden wat wij moeten doen. Het blijft dezelfde boodschap: maar met deze nieuwe aanzetten van de Heilige Geest zet de Kerk haar weg voort.

***
Wij kunnen heel de heilsgeschiedenis bestuderen, wij kunnen heel de theologie bestuderen, maar zonder de Heilige Geest kunnen wij die niet begrijpen. Het is juist de Heilige Geest die ons de waarheid doet begrijpen.

***
In de geschiedenis van de Kerk kunnen we zien wat de verrassingen van de Heilige Geest de mensen een vrees hebben aangejaagd. Hij is de God van de verrassingen.

***
Het is overduidelijk dat Christus ons wil ontmoeten; Hij zoekt naar een relatie met ons, naar een persoonlijk gesprek. In ons leven is er beslist een intense ontmoeting geweest die ons ertoe heeft gebracht anders te gaan leven of een beter mens te worden.

***
Bid en vraag de genade van die herinnering, om niet het verwijt te hoeven horen dat de Heer in de Apocalyps maakt: “Ik heb tegen jou dat je je eerste liefde hebt laten varen”.

***
Ons geloof is een ontmoeting met Jezus. Dat is het fundament van het geloof.

***
Allemaal hebben we in ons leven een ontmoeting met Jezus gehad, een echte ontmoeting waarbij ieder van ons voelde dat Jezus hem aankeek. En als we ons dat niet meer herinneren, zou het goed zijn, de Heer te vragen ons de herinnering daaraan terug te geven, want Hij, Hij weet het nog heel goed, Hij herinnert zich die ontmoeting.

***
Ieder heeft zijn eigen ontmoeting met Jezus. Er hebben werkelijk heel veel van die ontmoetingen plaats.

***
Er zijn ook verborgen martelaren, mannen en vrouwen die trouw zijn aan de kracht van de Heilige Geest, die nieuwe wegen zoeken om hun broeders te helpen en God meer te beminnen. Daarom worden ze verdacht, belasterd, vervolgd door de vele sanhedrins van onze tijd die denken de waarheid in hun macht te hebben.

***
In onze dagen is de Kerk een Kerk van martelaren: zij lijden, zij geven hun leven en dank zij hun getuigenis ontvangen wij Gods zegen.

***
Ik zou er graag op wijzen dat de geschiedenis van de Kerk, de ware geschiedenis van de Kerk, de geschiedenis is van heiligen en martelaren: sommige martelaren werden vervolgd en vele anderen ook gedood door mensen die meenden God eer te betuigen, door mensen die dachten de waarheid in pacht te hebben.

***
Sommige harten zijn altijd misnoegd over Gods woorden. Wanneer je hart versteend is, wanneer het heidens is, vind je Gods woord hinderlijk, want door je te zoeken en door je te voeden met het brood waar Jezus over sprak, daagt dat Gods woord je uit om vooruit te gaan.

***
Martelaren zijn mensen die in de geschiedenis van de Kerk getuigd hebben van Jezus, zonder ander brood nodig te hebben dan Jezus: voor hen was alleen Jezus genoeg, omdat zij in Hem geloofden.

***
Alleen langs de weg van de nederigheid kun je ontkomen aan de hoogmoed, en dat lukt je niet zonder vernedering te doorstaan. Dat kunnen we van nature niet begrijpen. Het is een genade waar we om moeten vragen.

***
De tijd brengt de zaken tot harmonie en maakt dat we de goede kant ervan zien. Maar als je bij woede meteen reageert, kun je er zeker van zijn dat je reactie niet terecht is. En onrechtvaardig zijn, doet ook jezelf kwaad.

***
Wanneer we kwade gedachten of boze gevoelens tegen anderen in ons meedragen, als we leven met antipathie, met haat, moeten we dat alles niet sterker laten worden, maar stoppen, we moeten de tijd geven aan de tijd.

***
De tijd is een machtig geneesmiddel, want in de tijd is er ruimte voor hoop. Inderdaad, de tijd is Gods boodschapper, zoals de h. Petrus Faber zei.

***
Het ontbreken van dialoog leidt ertoe God niet te gehoorzamen. De dialoog wordt gevoerd met God en met de broeders.

***
We moeten bereid zijn te gehoorzamen, de moed hebben om een andere weg in te slaan wanneer de Heer het ons vraagt. Want wie gehoorzaamt heeft het eeuwige leven; en als iemand niet gehoorzaamt blijft Gods toorn op hem rusten.

***
Een christengemeenschap laat zien dat ze opnieuw geboren is in de Heilige Geest, wanneer die gemeenschap zoekt naar harmonie en niet naar innerlijke verdeeldheid, wanneer ze naar armoede streeft en niet probeert rijkdommen op te stapelen, en wanneer ze geduldig is, want Jezus, de dienaar van de Heer, is geduldig.

***
Als een christen zich echter laat beheersen door gemakzucht, door ijdelheid, door egoïsme, als hij doof en blind wordt voor de vraag van vele broeders naar verrijzenis, hoe kan dan zo iemand de levende Jezus meedelen, hoe kan hij de bevrijdende kracht en de oneindige tederheid van de levende Jezus meedelen?

***
Elke christen kan getuige van de verrezen Christus worden. Zijn getuigenis is des te geloofwaardiger naar mate het zichtbaar wordt in een evangelische, blije, moedige, zachtmoedige, vredelievende en barmhartige levenswijze.

***
Over de verrezen Christus kunnen allen getuigen die Hem persoonlijk ervaren hebben, in het gebed en in de Kerk, door een weg te begaan die zijn grondslag heeft in het doopsel, die gevoed wordt door de eucharistie, bezegeld in het vormsel en die in het boetesacrament zijn voortdurende bekering beleeft.

***
Het christelijk getuigenis gaat niet over een theorie, ook niet over een ideologie of over een ingewikkeld systeem van voorschriften en verboden of over een opvatting van de moraal. Het is een boodschap van verlossing, een concreet gebeuren, beter nog: het gaat over een Persoon: en wel over de verrezen Christus, de levende en enige Verlosser van allen.

***
De getuige vertelt, niet op een koude en afstandelijke wijze, maar als iemand die zichzelf opnieuw in vraag heeft gesteld en die vanaf die dag anders is gaan leven. Een getuige is iemand die anders is gaan leven.

***
Doordat hij gezien heeft komt het dat de getuige zich herinnert, niet alleen omdat hij op precieze wijze kan beschrijven wat er gebeurd is, maar ook omdat de feiten hem hebben aangesproken en hij de diepe zin ervan in zich heeft opgenomen.

***
Een getuige is iemand die een werkelijkheid gezien heeft met onbevooroordeelde, maar niet onverschillige blik; hij heeft het gebeuren gezien en zich erdoor laten aangrijpen.

***
Een getuige is iemand die gezien heeft, die zich herinnert en die vertelt. Zien, herinneren en vertellen zijn de drie werkwoorden die de identiteit en de zending van een getuige aangeven.

***
Elke gedoopte wordt ertoe geroepen, met zijn woorden en met zijn leven te getuigen dat Jezus verrezen is, dat Jezus leeft en in ons midden aanwezig is. Wij allen worden ertoe geroepen, te getuigen dat Jezus leeft.

***
Pasen is het gebeuren dat de meest radicale nieuwheid gebracht heeft voor elk menselijk wezen, voor de geschiedenis en voor de wereld: het is de overwinning van het leven op de dood; het feest van ontwaken en nieuw geboren worden.

***
Het geloof in de verrijzenis van Jezus en de hoop die Hij ons heeft gebracht vormen het mooiste geschenk dat een christen aan zijn broeders kan en moet aanbieden.

***
Het getuigenis van ons arm maar oprecht geloof komt tot uiting in eenvoudige gebaren van broederliefde. Maar vooral als we consequent leven, als wat we zeggen overeenstemt met hoe we leven, als ons geloof overeenstemt met ons leven, als onze woorden overeenstemmen met onze daden.

***
Aan hem die ook vandaag nog ‘Jezus wil zien’, aan hem die op zoek is naar Gods gelaat, kunnen wij het getuigenis aanbieden van ons arm maar oprecht geloof.

***
De Vader heeft ons in de schepping het bewijs gegeven van Zijn immense liefde door ons het leven te geven, maar in het lijden en de dood van Zijn Zoon heeft Hij er ons het grootste bewijs van gegeven: Hij is voor ons komen lijden en sterven.

***
De weg van Jezus leidt ons steeds naar het geluk. Wel zal er dwars op die weg altijd een kruis staan, zullen er beproevingen komen, maar uiteindelijk leidt hij ons steeds naar het geluk. Jezus misleidt ons niet, Hij heeft ons het geluk beloofd en Hij zal het ons geven als wij op zijn weg gaan.

***
De woestijn is de plaats waar je naar de stem van God kunt luisteren, maar ook naar de stem van de verleider. In het rumoer, in de verwarring kun je dat niet doen; daar hoor je alleen oppervlakkige stemmen. In de woestijn daarentegen kun je in de diepte afdalen, daar waar ons lot echt op het spel staat, waar het gaat om leven of dood.

***
God komt geen “lezing over het lijden” houden; Hij komt ook niet het lijden en dood van de wereld verwijderen; veeleer neemt Hij de last van onze menselijke staat op zich, Hij komt die ten einde toe dragen, om ons op radicale en definitieve wijze te bevrijden.

***
Jezus blijft niet op veilige afstand en Hij handelt niet via tussenpersonen, maar Hij stelt zich rechtstreeks bloot aan de besmetting door ons kwaad; en precies zo wordt ons kwaad de plaats van het contact: Hij, Jezus, neemt onze zieke menselijkheid van ons aan en wij nemen van Hem zijn gezonde en genezende menselijkheid over.

***
Medelijden betekent “meelijden met de ander”. Het hart van Christus openbaart het vaderlijk medelijden van God met deze mens door hem nabij te komen en hem aan te raken. Gods barmhartigheid overwint elke hinderpaal.

***
Het heilswerk van Christus is niet beperkt tot zijn persoon en tot de tijdsduur van zijn aardse leven; het gaat verder via de Kerk, die sacrament is van de liefde en van de tederheid van God voor de mensen.

***
Het evangelie is woord van leven: het onderdrukt de mensen niet, integendeel, het bevrijdt hen die slaaf zijn van de vele boze geesten van deze wereld: de geest van ijdelheid, de gehechtheid aan het geld, de hoogmoed, de zinnelijkheid… Het evangelie verandert het hart, verandert het leven, verandert de neigingen ten kwade in bedoelingen ten goede.

***
Door Zijn menswording heeft God Zijn dorst – want ook God heeft dorst – in het hart van een mens gelegd: Jezus van Nazaret. God dorst naar ons, naar ons hart, onze liefde en Hij heeft die dorst in Jezus’ hart gelegd. Daarom komen in het hart van Christus de dorst van de mens en de dorst van God samen.

***
Door mens te worden, heeft God onze dorst tot de Zijne gemaakt, niet alleen de dorst naar stoffelijk water, maar vooral de dorst naar een vol leven, een leven bevrijd van de slavernij van het kwaad en de dood.

***
Een christen en een gemeenschap die doof zijn voor de stem van de Heilige Geest, die stuwt om het evangelie te brengen tot aan de uiterste grenzen van de aarde en van de samenleving, die worden als christen en als gemeenschap ook stom, zij spreken niet en verkondigen het evangelie niet.

***
Heel ons leven als christenen en de zending die we allen op grond van het doopsel hebben ontvangen, onder de invloed van de Heilige Geest stellen, betekent de apostolische moed terugvinden die nodig is om gemakkelijke wereldse aanpassingen te overwinnen.

***
De zonde verwijdert ons van God en verbreekt de band tussen de aarde en de hemel en wordt zo oorzaak van ons onheil en van de mislukking van ons leven.

***
Vrede is niet alleen afwezigheid van oorlog, maar een algemene toestand waarin de menselijke persoon in harmonie leeft met zichzelf, in harmonie met de natuur en in harmonie met de anderen. Dat is vrede.

***
Als de Geest ontbreekt, kunnen wij wel veel doen, veel werk verzetten, maar het dient tot niets.

***
De weg van de christelijke moed is een genadegave van de Heilige Geest.

***
Deze moedige verkondiging onderscheidt ons van wat gewoonweg proselietenmakerij is. Wij maken geen publiciteit om meer leden te krijgen in onze spirituele vereniging. Een christen verkondigt met moed; en de verkondiging van Jezus Christus brengt door de Heilige Geest die verbaasde verrukking teweeg die ons verder doet trekken.

***
We mogen zeggen dat de boodschap van de Kerk ook in onze dagen een boodschap is die de weg wijst van christelijke vrijmoedigheid en moed. Het betreffende woord kun je inderdaad verstaan als “moed”, “vrijmoedigheid”, “vrijuit spreken”, “niet bang zijn de dingen bij hun naam te noemen”. Dat is betekenis van het gebruikte griekse woord “parrhesia”.

***
Het is treurig, een vreugdeloze gelovig te zijn, en er is geen vreugde als er geen geloof is, als er geen hoop is, wanneer er geen wet is, doch alleen maar voorschriften, koude leer. Dat bepaalt alles.

***
Kijken wij naar de slang, naar het gif daar in het lichaam van Christus, het gif van alle zonden van de wereld en laten we de genade vragen, de moeilijke momenten te aanvaarden, Gods stijl van redden te aanvaarden.

***
Genezing komt slechts door naar het kruis te kijken, door te kijken naar God die onze zonden op zich neemt: daar vind ik mijn zonde. Hoeveel christenen gaan echter dood in de woestijn van hun treurigheid, van hun gemopper, van hun afwijzen van Gods stijl.

***
Gods gave en zijn stijl niet aanvaarden, - daarin ligt de zonde, dat is het venijn dat de ziel vergiftigt, het ontneemt ons de vreugde, het laat ons niet verder gaan.

***
Het probleem zat hem niet in de redding, niet in de bevrijding; het zat hem in de stijl van God: Gods dansmuziek beviel hen niet; Gods treurliederen om te huilen bevielen hen niet. Ze wilden handelen volgens hun eigen idee, hun eigen weg kiezen naar redding. Maar die weg voerde tot niets.

***
Geloven wil zeggen: de liefde van God ruimte geven, ruimte geven aan de macht, aan de volmacht van God, de volmacht van iemand die van mij houdt, die me innig liefheeft en die verlangt zich met mij te verheugen. Dat is geloven. Geloof schenken houdt in: de Heer ruimte geven om te komen en mij te veranderen.

***
Er bestaat geen derde weg, geen compromis: je bent ofwel heilig, ofwel je kiest de andere weg. En wie niet met de Heer verzamelt, laat de dingen niet alleen maar op hun beloop, maar erger nog: hij gooit uiteen, hij vernielt. Zo iemand is een verderver. Hij is een corrupt iemand die corrupt maakt.

***
Je bent ofwel op de weg van de liefde ofwel op die van de schijnheiligheid. Ofwel je laat je beminnen door Gods barmhartigheid, ofwel je doet wat je zelf wilt met je hart dat op die weg telkens meer versteend raakt.

***
In Gods geschiedenis met zijn volk zond de Heer steeds weer profeten, om duidelijk te maken dat Hij zijn volk liefhad. En in de Kerk zendt God heiligen. Zij maken dat het leven van de Kerk vooruitgaat. En die heiligen, dat zijn mensen wier hart niet versteend is.

***
Als ons hart slecht is, laat het ons niet toe, Gods liefde te begrijpen. We willen vrij zijn met een soort vrijheid die uiteindelijk slaven van ons maakt, en niet met de vrijheid van de liefde die de Heer ons aanbiedt.

***
God schijnt te wenen. Die tranen doen denken aan Jezus’ wenen toen Hij naar Jeruzalem keek. Haar geschiedenis van ontrouw betreft ook onze persoonlijke geschiedenis, want wij doen wat we zelf willen. En zo gaan we een weg van verharding: ons hart wordt hard, het versteent.

***
Als ik niet vergeef, doe ik in zekere zin de deur dicht voor de vergeving van God. Die deur moeten we integendeel open houden: laten we toch Gods vergeving binnen laten, om zelf anderen te kunnen vergeven.

***
Als ik niet in staat ben te vergeven, ben ik niet in staat vergeving te vragen. Daarom leer Jezus ons zo tot de Vader te bidden: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”.

***
Vergeving vragen is iets anders dan zich excuseren. Vergeving vragen houdt in dat we erkennen gezondigd te hebben. Zonde is namelijk niet slechts een simpele vergissing. Zonde is afgoderij, het is aanbidding van de zoveel afgoden die we hebben: de hoogmoed, de ijdelheid, het geld, het “ik”, het welzijn.

***
Vergeving vragen is niet hetzelfde als zich excuseren. Vergeving vragen is niet makkelijk, zoals het ook niet makkelijk is, Gods vergeving te ontvangen: niet omdat Hij ons niet zou willen vergeven, maar omdat wij de deur dicht doen, als we anderen niet vergeven.

***
De Heer gaat simpel te werk. Hij spreekt je hart aan in stilte: nederigheid en eenvoud zijn Hem eigen.

***
Altijd weer verrast de Heer de mens: het is niet zijn stijl, opzien te baren: God werkt in simpele dingen, in goddelijke nederigheid.

***
Het is niet eigen aan de goede God, opzien te baren: God werk in nederigheid, in stilte, in kleine simpele dingen.

***
Wereldse mensen verliezen hun eigen naam. Ze zijn niets anders dan een element van de welgestelde menigte die niets nodig heeft. Ze hebben niet geluisterd naar Mozes; ze hebben alleen maar behoefte aan uitzonderlijke happenings.

***
“Vervloekt de mens die zijn vertrouwen stelt in de mens, die zijn steun vindt in het vlees en wiens hart zich afwendt van de Heer!” Maar dat is nu juist wat de wereldse mens kenmerkt. Zijn ziel is onbewoond, want wereldse mensen zijn waarlijk alleen met hun egoïsme.

***
Met een werelds hart kun je de nood en de behoeftigheid van anderen niet begrijpen. Die wereldsgezindheid is een spitsvondige zonde, ze is meer dan een zonde: de ziel is dan in een toestand van zonde.

***
Wereldsgezindheid verandert de ziel, en doet het besef van de werkelijkheid teloorgaan: de ziel gaat dan in een kunstmatige wereld leven die ze zelf maakt. Wereldsgezindheid verdooft de ziel. Daarom is zo’n wereldse mens niet in staat de werkelijkheid te zien.

***
Jezus had duizend keer liever zondaars dan schijnheiligen die zeggen: “Heer, ik dank u dat ik geen zondaar ben, dat ik rechtvaardig ben”.

***
Het hart van schijnheiligen behoort niet toe aan de Heer; het behoort toe aan de vader van alle leugens, aan de Satan. Het is geveinsde heiligheid. Tegen zo’n houding heeft Jezus heel duidelijke taal gesproken.

***
Zulke schijnheiligen, zulke slimme bedriegers, houden van ijdelheid, trots, macht, geld. Het zijn schijnheiligen omdat ze net doen of ze zich bekeren, maar hun hart liegt: het zijn leugenaars.

***
Als zondaars zijn wij ook vol bedrog: we vinden steeds een weg, die niet de juiste is, om rechtvaardiger te lijken dan wij zijn: de weg van de schijnheiligheid.

***
Als God onze bekering ziet, schenkt Hij ons zijn vergeving, en Hij vergeeft ruimhartig. Alles vergeeft de Heer, Hij vergeeft altijd alles. Maar om vergeving te ontvangen, moet je de weg van goed doen opgaan.

***
Bekering betekent dat wij geroepen worden, de meest behoeftigen goed te doen: weduwe en wees, zieken, alleen gelaten oude mensen aan wie niemand meer denkt; maar ook kinderen die niet naar school kunnen gaan of die geen kruisteken kunnen maken.

***
Ga daarheen waar je de wonden van de mensheid aantreft, naar waar zo veel leed is; zo zul je, door het goede te doen, je hart schoon wassen. Je zult gereinigd worden! Daar nodigt de Heer je toe uit.

***
Het vuil van het hart laat zich niet wegpoetsen als een vlek: daarvoor gaan we naar de wasserij en we komen er schoon uit. We werken het weg door iets te doen. Bekering betekent: een andere weg inslaan dan die van het kwaad.

***
Als je jezelf leert beschuldigen, ben je barmhartig voor anderen. Je kunt dan zeggen: “Wie ben ik om de ander te oordelen, als ik in staat ben nog ergere dingen te doen?”.

***
Als wij niet leren, deze eerste stap van het leven te zetten, zullen we nooit verder komen op het pad van het christenleven, van het geestelijk leven. Inderdaad is die eerste stap altijd: onszelf te beschuldigen, ook zonder het uit te spreken: ik en mijn geweten.

***
De eerste stap is het vermogen om de schuld bij onszelf te zoeken. Deze ervaring brengt iets merkwaardigs teweeg, maar juist dat geeft ons uiteindelijk vrede en welzijn.

***
Wij hebben allemaal een alibi om onze tekorten, onze zonden goed te praten. Bovendien verstaan we heel dikwijls de kunst, een gezicht te zetten van “ík weet daar niets van!”, een gezicht van “maar ík heb dat niet gedaan, ’t is misschien iemand anders!” Kortom, we zijn steeds bereid de onschuldige uit te hangen.

***
De eerste stap in het christenleven is, dat we onszelf weten te beschuldigen. Wij zijn daarentegen allemaal meesters, deskundigen, erin volleerd onszelf schoon te praten, en we gebruiken woorden als: dat was ík niet, nee, dat is niet mijn schuld, ja zeker, maar zo was het niet … Zo ligt de zaak niet…

***
Liefde voor God en liefde voor de naaste zijn één en als je werkelijk boete wilt doen, echte boete en niet alleen maar boete voor de vorm, moet je die doen ten opzichte van God en ook van je broeder, je naaste.

***
Op het ogenblik dat wij even stil blijven staan om beslissingen te nemen, om iets te kiezen, mogen wij weten dat de Heer met ons is, naast ons staat om ons te helpen. Hij laat ons nooit aan ons lot over. Hij is altijd met ons. Ook op het ogenblik dat we moeten kiezen.

***
Waarom hebben we altijd zo’n haast in ons leven zonder te beseffen welke weg wij opgaan? Omdat we willen winnen, verdienen, succes willen hebben. Jezus laat ons echter nadenken: “Wat heeft een mens eraan, de hele wereld te winnen, als hij daarmee zichzelf verliest of zichzelf te gronde richt?”.

***
We leven zo vaak met haast, in een run, zonder erop te letten hoe de weg loopt; en we laten ons voortjagen door de behoeften en noden van de dag, maar vragen ons niet af: “Hoe leef ik eigenlijk?”

***
We hebben steeds de gewoonte daarheen te gaan waar de mensen heen gaan, een beetje te doen zoals iedereen doet. Maar de Kerk roept ons vandaag toe: “Sta stil en kies”. Dat is een goede raad. Het zal ons goed doen, vandaag nog, en in de loop van de dag, echt even stil te staan en ons af te vragen: “Wat is mijn levensstijl? Welke wegen ga ik?”.

***
De Heer heeft ons de vrijheid gegeven, een vrijheid om lief te hebben, om zijn wegen te gaan. We zijn dus vrij en we kunnen kiezen. Jammer genoeg, is kiezen niet gemakkelijk. Het is gemakkelijker ons te laten leven, ons te laten dragen door lusteloosheid, situaties, gewoontes.

***
We zijn allemaal tot veel goed doen in staat, maar we zijn evenzeer in staat, verwoesting aan te richten op grotere of kleinere schaal, binnen eenzelfde familie: we kunnen kinderen te gronde richten door ze niet in vrijheid op te laten groeien, door ze niet te helpen om goed op te groeien en door zo in zekere zin de kinderen uit te schakelen.

***
De leerlingen begrepen het niet, want hun hart was verhard door die hartstocht, die lelijke neiging om met elkaar te twisten en uit te maken wie de schuldige was.

***
We dragen in ons deze mogelijkheid om te vernietigen, deze kiem van verwoesting. Maar we hebben ook de Heilige Geest die ons redt. Het gaat dus om de keuze vanuit kleine dingen.

***
Alle boosheid komt uit in het hart van de mens. Ons hart is immers zwak en gekwetst. Er is altijd een wil naar autonomie aanwezig die ons ertoe aanzet te zeggen: “Ik doe wat ik wil en als ik daar zin in heb, doe ik het!

***
We zijn zelfs in staat de broederlijkheid te vernietigen, zoals blijkt in de geschiedenis van Kaïn en Abel, op de eerste bladzijden van de Bijbel. Dit gebeuren dat inderdaad de broederlijkheid vernietigt, is het begin van oorlogen: jaloezie, afgunst, al die begeerte naar macht, om meer macht te hebben.

***
De mens is in staat alles te vernietigen wat God gemaakt heeft wanneer hij meent machtiger te zijn dan God. Zo kan God wel goede dingen doen, maar de mens is in staat alles te vernietigen.

***
Moge de Heer ons allen de genade geven van de moed om altijd op weg te gaan, om het gelaat van de Heer te zoeken, dat gelaat dat wij eenmaal zullen zien, maar dat we hier op aarde moeten zoeken.

***
Ga op weg en je zult ontdekken wie je bent, want je bent Gods beeld, je bent gemaakt naar Gods gelijkenis. Ga op weg en zoek God.

***
Jezus ontmoet mensen die bang zijn om op weg te gaan en die een soort karikatuur van God samenstellen. Maar dat identiteitsbewijs van hen is vals: deze mensen zonder onrust hebben de onrust van hun hart tot zwijgen gebracht: ze maken een schildering van God met de geboden, maar door zo te handelen, vergeten ze God.

***
Soms vinden we op onze levensweg dat de dingen zinloos zijn. Wat Job overkwam, heeft de profeet Jeremia ook meegemaakt. Hij wilde rustig verder leven, maar de Heer wilde hem zijn gelaat laten zien.

***
Toen Job zich door God heeft laten aanspreken met de beproeving, juist toen heeft hij God gevonden. Daar draait alles om: de ontmoeting met God kan alleen geschieden als je op weg gaat.

***
Om op weg te kunnen gaan is die onrust nodig die God zelf in ons hart heeft gelegd en die ons ertoe aanzet Hem te zoeken.

***
Wanneer we niet op weg gaan, zullen we Gods beeld nooit leren kennen, Gods gelaat nooit vinden. Dit is een les voor ons allen: gezeten christenen, christenen die het kalmpjes aan doen, zullen Gods gelaat niet leren kennen. Zij hebben de pretentie te kunnen zeggen: “God is zus en God is zo...”, maar in werkelijkheid kennen zij Hem niet.

***
Op weg gaan betekent: veel zekerheden en meningen over dat beeld van God laten varen, en Hem zoeken. Het betekent anders gezegd: ons door God of door het leven op de proef laten stellen, risico’s lopen. Want alleen op deze manier kun je het gelaat van God, zijn beeld, leren kennen.

***
Ons identiteitsbewijs is te vinden in het feit dat de mensen naar Gods beeld zijn geschapen, naar de gelijkenis met Hem. Gods beeld, mijn eigen identiteit, kan ik maar op één manier vinden, n.l. door op weg te gaan: als we ons niet op weg begeven, zullen we Gods gelaat nooit leren kennen.

***
Een christen die de schepping niet behoedt, die haar niet doet groeien, is een christen die Gods werk niet van belang vindt, het werk dat voortkomt uit de liefde van God voor ons. En het eerste antwoord dat we op de eerste schepping moeten geven is: de schepping behoeden, haar doen groeien.

***
Wat zou voor een apostel het mooiste compliment zijn? Het antwoord luidt: “Hij is een arbeider geweest voor het Koninkrijk, een man die gezwoegd heeft voor het Koninkrijk”. Ga dus zo maken dat het volk de Vader terugvindt, ga vrede brengen in het hart van de mensen.

***
Wanneer we de armoede vergeten, de apostolische ijver vergeten, en onze hoop stellen op zulke middelen, glijdt de Kerk langzaam af naar een ONG en wordt ze een mooie organisatie: een organisatie die machtig is, maar niet volgens het evangelie, daar dan die geest, die armoede, die kracht tot genezing ontbreken.

***
Ja, hiertoe is de Kerk gezonden: om de wonden van het hart te genezen, deuren open te zetten, vrij te maken, te zeggen dat God goed is, dat Hij alles vergeeft, dat God vader is, dat God teder is, dat God altijd op ons wacht.

***
Soms heb ik over de Kerk gesproken als over een veldhospitaal, dat is waar! Wat zijn er veel gewonden! Hoeveel mensen hebben genezing nodig van hun wonden!

***
Wat draagt Jezus zijn leerlingen op, wat moeten ze doen, wat is zijn pastorale werkplan? Heel eenvoudig: ze moeten verzorgen, genezen, oprichten, bevrijden, demonen uitdrijven: dat is een eenvoudig werkplan. Het valt samen met wat de zending van de Kerk is: de Kerk die geneest en zorg draagt.

***
Zo is het evangelie dermate rijk en krachtig, dat het geen grote ondernemingen nodig heeft om verkondigd te worden. Want het evangelie moet worden verkondigd in armoede, en degene die doet zoals Jezus is de ware herder: het evangelie verkondigen als een arme, met zijn macht.

***
Ons christelijke leven speelt zich af binnen deze twee polen, tussen de herinnering en de hoop: de herinnering aan heel de afgelegde weg, aan de vele van de Heer ontvangen genaden; en de hoop als we naar de Heer opzien, die alleen mij hoop kan geven.

***
Als we onze blik niet vast op Jezus gericht houden, kunnen we niet goed hoop houden. We kunnen misschien wel optimistisch zijn, positief blijven, maar hoopvol zijn?

***
Het doet pijn aan het hart zo veel christenen te zien die halverwege blijven steken, zo veel mislukte christenen op de weg naar de ontmoeting met Jezus mislukken. Zelfs al gaan ze uit van de ontmoeting met Jezus, ze hebben toch halverwege de herinnering aan de eerste liefde laten varen en ze hebben geen hoop: ze zijn daar maar...

***
Nooit moeten we onze eerste liefde vergeten; integendeel, we moeten die steeds weer in onze herinnering terug laten komen. Het antwoord op de vraag: “Hoe ga ik vooruit?” is dus: “Met de hoop”.

***
Een lauwe christen weet niet wie er bij hem aanklopt, hij doet de deur open en zegt zelfs: “Kom binnen!”. Maar Jezus zegt dat de uiteindelijke toestand van die ziel nog erger is dan te voren.

***
Sint Petrus gebruikt in zijn tweede Brief het beeld van een hond die naar zijn braaksel terugkeert. Dat is een goed beeld van een lauwe christen die terugdeinst tot vóór die eerste liefde, alsof die er nooit was geweest.

***
Lauwe christenen hebben geen geduld meer, dat in staat stelt de dingen des levens in de geest van Jezus’ liefde te verdragen; het vermogen om onze schouders onder de moeilijkheden te zetten. Daarom lopen lauwe christenen, die arme stakkers, groot gevaar.

***
Om te blijven denken aan de ontvangen genade is de herinnering van groot belang. Werkelijk, als we dat enthousiasme dat de herinnering aan de eerste liefde met zich mee brengt, van ons afzetten, dreigt de lauwheid, die zo’n groot gevaar is voor de christenen.

***
Het eerste vereiste om de gave van het heil te bewaren is: de herinnering niet te verliezen aan die eerste dagen die in het teken stonden van een zeker enthousiasme: de dag van de ontmoeting met Jezus. En vooral: de herinnering aan die eerste liefde niet verloren laten gaan.

***
Het heil is een geschenk dat de Heer ons aanbiedt: we kunnen het niet kopen, het niet door studie verkrijgen, want het is altijd een gave, een geschenk. Maar de eigenlijke vraag is hier: Hoe dat heil te bewaren? Hoe moeten we het aanleggen om dat heil in ons te laten blijven en het zijn vruchten te laten dragen?

***
Als men in een groep wel over van alles met elkaar spreekt, maar elkaar niet bemoedigt, dan loop je tenslotte weg uit de grote groep om kleine elitegroepjes te gaan vormen. Doch God redt ons daarentegen te midden van een volk, en niet in de schoot van élites die we zelf gemaakt hebben met onze filosofietjes en onze manier om het geloof te verstaan.

***
Toetssteen om te zien of ik in mijn parochie, in mijn groep, in mijn familie een echte zoon van de Kerk ben, kind van God, gered door Jezus in de schoot van zijn volk, is: of ik spreek over het geloof, of ik spreek over de hoop, of ik spreek over de liefde.

***
Het geloof voor zich apart willen is een grote misvatting. Je ziet die bij wat wij noemen: de kerkelijke élites. Dat gebeurt wanneer in het volk van God kleine groepjes ontstaan: zij denken goede christenen te zijn, maar deze groepjes hebben het heil voor zich apart genomen.

***
Dit is de grote misvatting: ieder zoekt zijn eigen heil en niet het heil van allen, het heil van het hele volk. En toch heeft Jezus iedereen gered, maar als horend tot een volk, een Kerk.

***
Het voor jezelf apart stellen van het heil is een verkeerde weg.

***
Maar we mogen niet vergeten dat de Heer ons wel ieder persoonlijk heeft gered, maar als behorend tot een volk: want de Heer redt ons altijd in een volk.

***
Jezus heeft ons allen gered, doch niet zomaar in het algemeen. Allen, maar ook ieder bij onze naam en voornaam. Het gaat zeker om het persoonlijk heil: ieder van ons kan zeggen: voor mij; want de Heer heeft mij aangekeken, Hij heeft zijn leven voor mij gegeven, Hij heeft deze deur, deze nieuwe weg voor mij geopend.

***
Het is waar dat Jezus een nieuwe en levende weg gebaand heeft en dat wij die moeten volgen. Maar het is ook waar dat we die weg moeten volgen zoals de Heer het wil, in de vorm die Hij van ons wil. Iemand die het heil voor zich apart wil vinden is juist een verkeerd voorbeeld.

***
De grootheid van Gods mysterie kan alleen maar gekend worden in het mysterie van Jezus, en dat mysterie van Jezus is er een van diepe verlaging, van vernietiging, van een vernedering die het heil brengt aan de armen, aan de mensen die door zoveel ziektes, zonden en moeilijke situaties vernietigd worden.

***
Jezus is juist voor de uitgestotenen gekomen: Hij is een van die randfiguren die er zelfs van overtuigd is dat gelijk zijn aan God een verhandelbare waarde is. Hij heeft zichzelf vernederd, inderdaad, Hij heeft zich vernietigd. Hij heeft zich laten uitstoten en vernederen om ons in het mysterie van zijn Vader en van Hemzelf te laten delen.

***
Het is waar dat de werkelijkheid afschuwelijk is: zoveel volkeren lijden, zoveel oorlogen, zoveel haat en afgunst, zoveel wereldse geest en zoveel corruptie. Maar dat alles zal wegvallen. Daarom moeten we de Heer om de genade vragen, bereid te zijn voor het feestmaal dat ons wacht, met opgeheven hoofd.

***
Wanneer we denken aan het einde van ons leven, aan het eind van de wereld met al onze zonden, met heel onze geschiedenis, dan denken we aan het feestmaal dat ons om niet gegeven zal worden en we heffen ons hoofd omhoog. Daarom: geen neerslachtigheid, maar hoop!

***
Babylon komt ten val door zijn bederf, maar Jerusalem valt door verstrooidheid, omdat het de Heer niet ontvangen heeft die het komt redden. Het voelde feitelijk geen behoefte aan redding.

***
Babylon is het symbool van elke samenleving, van elke cultuur en elke persoon die ver af staat van God; ver af staat ook van de liefde voor iemands naasten; tenslotte gaat ze tot ontbinding over, bederft ze in zichzelf. En uiteindelijk komt dat Babylon ten val door de geest van de wereld, het stort ineen door z’n bederf, het verwijdert zich van de Heer.

***
Het ergste corrupt zijn is de wereldse geest. Daarom heeft Jezus zo vaak aan de Vader gevraagd, zijn leerlingen te behoeden voor de wereld, voor de geest van de wereld, die het gevoel geeft dat je hier in het paradijs bent, ten volle en overvloedig, terwijl die cultuur van binnen een dode cultuur is, vol bederf.

***
Corrupt zijn verschaft je wel wat genoegens, wat macht, en het geeft je een voldaan gevoel over jezelf; maar het laat geen ruimte over voor de Heer, voor de ommekeer.

***
Wanneer de Kerk nederig en arm is, en ook wanneer zij haar armzaligheid belijdt, is de Kerk trouw. Het is alsof zij zou zeggen: Ik ben zelf donker, maar het licht komt van daarginds!

***
De grote deugd van de Kerk moet zijn, niet te schitteren door haar eigen licht, maar door het licht van haar Bruidegom. Wanneer de Kerk in de loop der eeuwen door haar eigen licht heeft willen schitteren, dwaalde zij.

***
Jezus blijft bij ieder van ons en bij zijn Kerk op de deur kloppen, bij de herders van zijn Kerk. En als de deur van ons hart, van de Kerk, van de herders niet open gaat, schreit de Heer ook in onze tijd, zoals Hij deed toen Hij voor Jeruzalem stond: een vereenzaamde stad, vroeger rijk aan volk, nu weduwe geworden.

***
Zijn wij, christenen, die het geloof kennen, die de catechismus kennen, wij die iedere zondag naar de mis gaan, zijn wij christenen, wij herders, tegenwoordig niet best tevreden over onszelf?... We lopen gevaar, ons al voldaan te voelen, omdat wij alles goed geregeld hebben en wij geen nieuw bezoek van de Heer meer nodig hebben.

***
Het kruis is de prijs om ons de liefde te laten zien van Jezus, die Hem deed huilen, die Hem ook nu nog zo vaak doet schreien om zijn Kerk.

***
Wij zijn allemaal bang: niet voor de vrolijkheid, maar eerder voor de vreugde die de Heer ons brengt, omdat wij die niet onder onze controle kunnen houden".

***
Ook wij voelen ons veilig in de dingen die wij onder onze controle kunnen hebben. Maar het bezoek van de Heer, zijn verrassingen, vallen niet onder ons beheer. En daar was Jeruzalem bang voor: dat het gered zou worden via de weg van de verrassingen van de Heer. Het was bang voor de Heer, die voor zijn stad haar bruidegom wilde zijn, haar geliefde.

***
Jezus’ tranen over zijn uitverkoren stad zijn ook tranen over zijn Kerk en over ons. Maar waarom had Jeruzalem de Heer niet ontvangen? Omdat het genoeg had aan wat het bezat, en op zijn gemak leefde. Het wilde geen problemen.

***
Ook nu nog blijft Jezus op de deur kloppen, zoals Hij op de deur van het hart van Jeruzalem heeft geklopt: aan de deur van zijn broeders, van zijn zusters; aan onze eigen deur, aan de deur van ons hart en van zijn Kerk.

***
Christus treurt over de geslotenheid van hart van zijn uitverkorene, van de uitverkoren stad, van het uitverkoren volk dat geen tijd had om de deur voor Hem te openen. Het had het immers te druk, het was te voldaan over zichzelf.

***
Het is iets moois, de genade te erkennen waarmee God ons zegent; nog mooier is het, in andere christenen iets te vinden dat we zelf nodig hebben, iets dat we zouden kunnen ontvangen als een geschenk van onze broeders en van onze zusters.

***
Laten we ons ondanks het leed om de verdeeldheid, die spijtig genoeg voortduurt, oprecht verheugen over de genaden die God aan andere christenen schenkt. We hebben hetzelfde doopsel, dezelfde Heilige Geest die ons de genade geschonken heeft: laten we dit erkennen en ons erover verheugen.

***
De verdeeldheid verzwakt de geloofwaardigheid en de werkdadigheid van onze inzet voor evangelisatie en brengt het gevaar met zich mee, dat het kruis van zijn kracht wordt ontdaan.

***
De naam van Christus schept gemeenschap en eenheid, geen verdeeldheid! Hij is gekomen om onder ons gemeenschap te stichten, niet om ons te verdelen.

***
Christus was zeker niet verdeeld. Maar we moeten oprecht en met pijn erkennen dat onze gemeenschappen nog altijd vormen van verdeeldheid beleven die ergernisgevend zijn. De verdeeldheid onder ons Christenen is een schande.

***
Niemand redt zich alleen. We zijn een gemeenschap van gelovigen, we zijn Volk van God en in deze gemeenschap ervaren we de schoonheid van het samen ervaren van een liefde die als eerste ons allen liefheeft, maar die ons tegelijk ook vraagt “kanaal” van genade te zijn voor elkaar.

***
Er bestaat een onlosmakelijke band tussen de mystieke en de missionaire dimensie van de christelijke roeping, beiden zijn in het doopsel geworteld.

***
Het volk van God is een Volk van leerlingen – want het ontvangt het geloof – en van missionarissen – want het geeft het geloof door. En dat bewerkt het doopsel in ons: het geeft ons de genade en het geeft het geloof door.

***
Krachtens het doopsel worden we leerling-missionarissen, geroepen om het evangelie aan de wereld te brengen. De nieuwe evangelisatie houdt in dat allen, heel het volk van God, op een nieuwe manier baanbreker worden, ieder gedoopte moet op nieuwe wijze een voortrekker zijn.

***
Zoals het leven van generatie op generatie doorgegeven wordt, zo wordt door de wedergeboorte uit de doopvont ook van generatie op generatie, de genade doorgegeven, en met deze genade gaat het Christenvolk verder door de tijd als een stroom die de aarde bevloeit en die Gods zegen in de wereld verspreidt.

***
Door het doopsel worden wij ledematen van het Lichaam van Christus en gaan wij bij het Volk van God horen. In het spoor van het Tweede Vaticaans Concilie zeggen we tegenwoordig dat het doopsel ons doet toetreden tot het Volk van God, het doet ons horen bij een Volk onderweg, een Volk, dat op pelgrimstocht is door de geschiedenis.

***
In de geschiedenis is het altijd de ene mens die een andere doopt, en die ander weer een ander... het is een ketting, een ketting van genade. Maar ik kan mij niet op mijn eentje dopen; ik moet het doopsel aan een ander vragen. Het is een broederlijke handeling, een handeling die je kind van de Kerk maakt.

***
Niemand kan zichzelf dopen! Niemand. We kunnen het vragen, het verlangen, maar wij hebben altijd iemand nodig die ons dit sacrament in de naam van de Heer toedient, want het doopsel is een gave die ons geschonken wordt in een context van toewijding en broederlijk delen.

***
We moeten de herinnering aan ons doopsel weer tot leven roepen. We zijn geroepen ons doopsel alle dagen te beleven, als een actuele werkelijkheid van ons bestaan.

***
Het is niet hetzelfde, of iemand gedoopt is of niet. In het doopsel worden wij in die onuitputtelijke levensbron ondergedompeld die Jezus’ dood is, de grootste daad van liefde in heel de geschiedenis; en dank zij deze liefde kunnen wij een nieuw leven leiden, in gemeenschap met God en met onze broeders.

***
De waarheid is dat we niet altijd de moed hebben om in het woord van God te geloven, het in ons toe te laten, dat Woord dat ons innerlijk geneest en waardoor de Heer aanklopt aan de deur van ons hart.

***
Van harte christen? Dat zijn we allemaal. Met hart en ziel christen? Zijn we allemaal. Maar christen tot in hun bezit? Die zijn er niet zoveel.

***
In Zacheüs’ binnenste wordt zijn hart opeens anders, het bekeert zich. Dan zegt hij uit de grond van zijn hart: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug”. Dit is een gulden regel. Wanneer bekering gaat tot in ons bezit, dan is zij echt.

***
Het Woord van God kwam in Zacheus’ hart binnen. Lucas vertelt in zijn Evangelie dat hij haastig naar beneden kwam en Hem vol vreugde in zijn huis ontving: hij ontving dus het Woord van God want dat was Jezus.

***
De Heilige Geest is slim, Hij liet een zaadje nieuwsgierigheid vallen; Zacheüs wilde Jezus te zien krijgen en maakte zich ook een beetje belachelijk: hij klom zelfs een boom in om de stoet te zien langskomen. Wat belachelijk om zich zo te gedragen. Maar toch deed hij dat nu net, hij schaamde zich er niet voor. “Ik wil Hem zien”.

***
We moeten oppassen voor de bekoring om in herhaling te vervallen: als alles in orde lijkt, heb ik mezelf niets te verwijten. Pas op: want zulke schijnchristenen… zijn dood. We moeten ons integendeel bekeren: van de schijn naar de werkelijkheid overgaan, van lauwheid naar vurigheid.

***
Tegenover dergelijke comfortabele christenen is de Heer niet zuinig met zijn woorden, Hij zegt hun alles recht in het gezicht. In de Schrift lezen we immers ook: “Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond”.

***
Spiritueel comfort is een zondige toestand. In het boek der Openbaring staat immers: “Gij zegt: Ik ben rijk, want ik heb mij verrijkt, mij ontbreekt niets – en ge beseft niet dat gij meer dan allen ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar”.

***
Ons bekeren is niet een daad van de wil; het is niet denken: “Nu bekeer ik me, dat komt me goed uit...”, of: “Ik moet dat doen...”. Nee, de bekering is een genade, het is een bij ons komen van God: het is de Mensenzoon die gekomen is om ons te zoeken en te redden, het is Jezus die bij ons aanklopt, die op de deur van ons hart klopt en zegt: “Maar kom toch”.

***
Vragen wij de genade om het trouwe volk van God te mogen zijn, zonder de Heer te vragen om welk voorrecht dan ook, dat ons van Gods volk zou verwijderen.

***
We moeten ons ophouden in die enge sfeer van bevoorrechte kerkmensen te treden die afstand nemen van Gods Kerk die lijdt, die om verlossing vraagt, die vraagt om geloof en om het woord van God.

***
Als God stil blijft staan, doet Hij dat altijd met barmhartigheid en met rechtvaardigheid, maar soms ook met toorn.

***
De Heer maakt dat zijn leerlingen omzien naar de trieste achterbuurten. Als wilde Hij zeggen: “Heb niet alleen oog voor Mij. Ja, je moet wel oog voor Mij hebben, maar niet voor Mij alleen! Zie Mij ook in de anderen, in de noodlijdenden”.

***
Dat is een bekoring die de leerlingen kennen: hun eerste liefde vergeten, dat wil zeggen ook de achterbuurten vergeten waar ik vroeger in leefde. Die houding ligt opgesloten in de woorden: “Heer, die kerel stinkt, laat hem niet bij U komen”. Maar het antwoord van de Heer is duidelijk: “En jij, stonk jij dan niet toen ik jou gezoend heb?”.

***
Wanneer gelovigen of ambtsdragers in de Kerk een groep worden van mensen die het voorrecht genieten omdat ze dichtbij de Heer leven, komen zij in de bekoring, hun eerste liefde te vergeten. Juist zo’n mooie liefde, die wij allemaal gekend hebben toen de Heer ons geroepen heeft, ons verlost heeft en ons zei: Ik heb je zo lief.

***
Door alsmaar naar de Heer te kijken, zien wij tenslotte niet meer waar de Heer nood aan heeft; wij zien niet meer de Heer die honger heeft, dorst heeft, die in de gevangenis zit, in het ziekenhuis ligt. Feitelijk zien we de Heer niet in uitgestotenen en randfiguren. En dat is een leefsfeer die veel kwaad aanricht.

***
Het is van belang, goed te zien hoe we ons tegenover de jongeren gedragen. Want op ons allen rust de verantwoordelijkheid, hun het beste te geven wat we hebben, en het beste wat we hebben is het geloof: dat moeten we hun geven, maar het hun geven door ons voorbeeld. In deze wereld van het beeld zijn woorden van geen nut.

***
Een christen moet zorg dragen voor jongeren, voor kinderen, en hun het geloof doorgeven, doorgeven hoe hij het zelf beleeft, doorgeven wat in zijn hart leeft: we mogen de plantjes die willen groeien niet negeren.

***
Ook het lijden en het kruis, het dagelijkse kruis van het leven, van het werk, van het gezin, dat kruis van iets te doen zoals het hoort, dat maakt deel uit van het rijk Gods.

***
Nabijheid is één van de kernmerken van het koninkrijk. En wel een nabijheid die er iedere dag is. Daarom houdt Jezus de gedachten van de leerlingen ver af van een spectaculaire voorstelling van het rijk Gods.

***
De volharding van veel christenen die zorg dragen voor hun gezin is veeleer het tegendeel van zo’n toneelstuk: mannen en vrouwen die zorgen voor hun kinderen, die zorgen voor de grootouders, en die aan het einde van de maand nog maar net vijftig eurocent overhouden, maar ze blijven bidden. En daar heb je het rijk Gods, verborgen in die alledaagse heiligheid.

***
De Heer zegt nooit dat het rijk Gods een toneelstuk is. Het is zeker een feest, maar het is heel anders! Het is een heel mooi en groot feest. De Hemel zal een feest zijn, maar nooit een toneelopvoering. Maar onze menselijke zwakheid heeft daarentegen veel liever een groots toneelstuk.

***
Het rijk Gods is geen groots toneelstuk. Dikwijls is zo’n opvoering juist een karikatuur van het rijk Gods. Het rijk Gods is integendeel stil, het groeit van binnenuit. De Heilige Geest laat het groeien met onze bereidwilligheid, in onze eigen grond, die wij zelf moeten klaarmaken.

***
In het leven moeten we een harde strijd voeren tegen de luiheid, die ons doet zoeken naar wat ons goed uitkomt, en die ons ertoe brengt slechts half van dienst te zijn; we moeten ook strijden tegen de bekoring meester te willen zijn van de situatie en dat leidt tot hoogmoed, het leidt ertoe anderen slecht te behandelen en zichzelf belangrijk te achten.

***
Er is nog een andere manier om de houding van de dienstbaarheid uit de weg te gaan, n.l. de situatie te willen beheersen. Dit gebeurt wanneer christenen van dienaars meesters worden: ze zien zich als meesters van het geloof, als meesters van het koninkrijk, meesters van het heil. Deze bekoring bedreigt alle christenen.

***
Als ik spreek van dienen, bedoel ik alles: dienst aan God in aanbidding, in gebed, in lofprijzing, dienst aan de naaste en dienst ten einde toe. Christus spreekt hieromtrent sterke taal: “Zo moeten ook jullie, wanneer je alles hebt gedaan wat je opgedragen werd, zeggen: ‘Wij zijn maar gewone, onnutte knechten’”.

***
Luiheid houdt ons weg van de dienstbaarheid, doet ons zoeken naar ons gemak en maakt ons egoïstisch. Heel veel christenen zijn zo: zij zijn braaf, gaan naar de mis, maar als het aankomt op dienstbaarheid, zetten ze zich maar tot een zekere grens in.

***
De Bijbelse en christelijke visie op tijd en geschiedenis is niet cyclisch doch lineair: het is een weg naar de voltooiing. Een jaar dat voorbij is, brengt ons dus niet naar een realiteit die eindigt, maar naar een realiteit die tot voltooiing komt, het is een verdere stap naar het doel dat voor ons ligt.

***
Er zal geen nieuwe openbaring meer komen, wel de volle manifestatie van wat Jezus reeds geopenbaard heeft. In die zin zijn we reeds in het laatste uur: geen enkel ogenblik van ons leven is voorlopig, doch definitief en elke handeling die we stellen is met eeuwigheid beladen.

***
Door Gods komst in de geschiedenis, zijn we reeds in de laatste tijden, daarna heeft de tweede, de definitieve komst van Christus plaats. Met Jezus is de volheid van de tijd gekomen, volheid van betekenis en heil.

***
In deze Nacht delen we in de vreugde van het evangelie: God heeft ons lief, Hij heeft zo lief dat Hij zijn Zoon als onze broeder heeft gegeven, als licht in onze duisternis. De Heer herhaalt voor ons: "Vreest niet". Zoals de engelen aan de herders hebben gezegd: "Vreest niet".

***
De herders zijn de eersten geweest die deze tent hebben gezien, die de boodschap van de geboorte van Jezus hebben vernomen. Zijn waren de eersten omdat zij bij de laatsten, de gemarginaliseerden, waren. En ze zijn de eersten geweest omdat ze 's nachts waakten, door hun kudde te hoeden.

***
In Jezus is de genade, de barmhartigheid, de tederheid van de Vader verschenen: Jezus is de vlees geworden Liefde. Hij is niet slechts een meester van wijsheid, Hij is niet een ideaal waarnaar we streven en waarvan we onontkoombaar verwijderd zijn. Hij is de zin van het leven en van de geschiedenis die zijn tent in ons midden heeft opgeslagen.

***
In deze nacht klinkt, als een bundel van het helderste licht, de boodschap van de Apostel: "De genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde verschenen". De genade die in de wereld is verschenen is Jezus. Hij is onze geschiedenis binnengetreden, heeft onze tocht gedeeld. Hij is gekomen om ons van de duisternis te bevrijden en ons het licht te schenken.

***
We zijn een volk op tocht en rondom ons - en ook in ons - is er duisternis en licht. En in deze nacht, terwijl het duister de wereld omhult - hernieuwt zich het gebeuren dat ons altijd verbaast en verrast: het volk op tocht ziet een groot licht.

***
Hoe belangrijk is het in deze dagen de mooie antifonen te herhalen die de Kerk ons laat bidden: “O Zoon van David, o Adonaï, o Wijsheid, o Wortel van Jesse, o Emmanuel, kom ons nu het leven geven, kom ons redden omdat U alleen het kunt, ik kan het niet alleen”.

***
In de woorden van de profeten vinden we het beeld van de woestijn terug: een dorre aarde, die niet in staat is een boom, een vrucht te laten groeien, iets te doen ontspruiten. Toch zal de woestijn juist als een oerwoud zijn. De profeten zeggen: ze zal groot zijn, ze zal bloeien.

***
Het leven, het vermogen om leven te geven en het heil komen slechts van de Heer en niet van de mens die niet nederig is om dat te erkennen en hulp te vragen.

***
Een christen, die in het doopstel het geschenk van het geloof krijgt, maar die deze gave dan niet op de weg van de dienstbaarheid laat functioneren, wordt een krachteloze christen, zonder vruchtbaarheid, een christen voor zichzelf, die zichzelf van dienst wil zijn.

***
Zonder geloof zou ik nooit kunnen leven zonder aanstoot te geven, zou ik nooit kunnen vergeven.

***
Het geloof is een gave. Niemand kan het geloof uit boeken halen of door naar conferenties te gaan. Trouwens, juist omdat het geloof een gave is die God je schenkt, vroegen de apostelen aan Jezus : ‘Vermeerder ons geloof’.

***
We hebben geloof nodig van een barmhartige Vader, van een Zoon die zijn leven voor ons gegeven heeft, van een Geest die in ons leeft en die ons helpt om te groeien, van een geloof in de Kerk, van geloof in het volk van God, dat gedoopt en heilig is.

***
Leven zonder aanstoot te geven en altijd weer vergeven kun je niet als je leeft zonder geloof. We hebben juist het licht van het geloof nodig, van dat geloof dat wij gekregen hebben.

***
Menselijke logica zet je aan, vergeving te weigeren, ze drijft je ertoe, wraak te nemen; ze zet je aan tot haat, tot verdeeldheid. Daarom is het van groot belang, te bedenken : als ik niet vergeef, heb ik ook geen recht, zou ik er blijkbaar ook geen recht op hebben, vergeving te krijgen, of anders heb ik niet begrepen wat het zeggen wil, dat de Heer mij vergeven heeft.

***
In het evangelie spreekt Jezus over vergeven. Hij raadt ons aan het vergeven niet moe worden: altijd weer te vergeven. Waarom? Omdat mijzelf vergeving geschonken werd. De eerste die in mijn bestaan vergiffenis kreeg ben ik zelf. Daarom heb ik niet het recht om vergeving te weigeren: daar ik vergeving kreeg, heb ik de plicht, anderen te vergeven.

***
Een christen die niet in staat is te vergeven, geeft aanstoot: hij is geen christen.

***
De aanstoot vernietigt, vernietigt het geloof. Daarom zegt Jezus zo met klem en telkens opnieuw: “Wees op uw hoede, wees op uw hoede!” Het is goed voor ons, juist nu deze aanmaning van Jezus te herhalen: Wees op je hoede voor jezelf! Want wij allen zijn in staat aanstoot te geven.

***
Als een christen, man of vrouw, die naar de kerk gaat, geregeld naar de parochie komt, niet leeft naar wat hij/zij zegt en beweert, geeft hij aanstoot.

***
Hoeveel kwaad doen de schandalen van de priesters het volk Gods, hoeveel kwaad! De Kerk lijdt daar erg onder!

***
We moeten onszelf afvragen: geef ik aanstoot?

***
Aanstoot geef je door een levensstijl te verkondigen – “ik ben christen” – en dan te leven als een heiden die nergens in gelooft. Dat geeft aanstoot omdat het getuigenis ontbreekt: het getuigenis van het verkondigde en ook beleefde geloof.

***
Wee hem die aanstoot geeft aan een van deze kleinen, het volk Gods; kinderen, jongeren, zwakken in het geloof, ouderen die een heel leven in geloof hebben geleefd, wee hem die deze kleinen aanstoot geeft! Liever sterven!

***
Vragen wij aan de Heer de genade, ons de Heilige Geest te zenden, om Hem met eerlijke bedoelingen te volgen: alleen om Hem, zonder verwaandheid, zonder drang naar macht en zonder hang naar geld.

***
Hoe volg ik Jezus? Zit er verwaandheid in mijn manier van Jezus volgen? Heeft het iets van hang naar macht? Of iets van uit zijn op geld? Volg ik Hem alleen maar omwille van Hemzelf? Want dat is de weg naar heiligheid. Of volg ik Hem wel om Hemzelf, maar ook om er voordeel voor mezelf door te krijgen? En dat is niet christelijk.

***
We hebben allen vele brave katholieken meegemaakt, die zich voordeden als weldoeners van de Kerk, maar ze hebben veel geld geïncasseerd, en dat was niet altijd schoon geld.

***
De derde zaak die afhoudt van een eerlijke bedoeling, is geld. Er zijn inderdaad lieden die Jezus volgen voor het geld en met geld. Ze zoeken financieel te profiteren van de parochie, het bisdom, de christengemeenschap, van het ziekenhuis, het internaat…

***
In ons christelijk leven blijft de zonde aanwezig. Daarom doet het ons goed, onszelf af te vragen: en ik, hoe volg ik Jezus? Alleen om Hemzelf, zelfs tot op het kruis, of zoek ik macht en gebruik ik de Kerk, de christengemeenschap, de parochie, het bisdom om een beetje macht te krijgen?

***
Jezus berispt degene die op macht uit is. Sommigen volgen Jezus, omdat zij - misschien onbewust - op macht uit zijn. In de Kerk hebben we van die mensen die graag opklimmen; en het zijn er zo velen… Als dat voor jou belangrijk is, ga dan naar het noorden om aan alpinisme te doen! Dat is gezonder! Maar kom vooral niet bij de Kerk om op te klimmen!

***
Een verwaande herder doet het volk van God geen goed.

***
Soms handelen wij ook om op te vallen en zijn wij verwaand. Verwaandheid is echter gevaarlijk, want die doet ons afglijden naar hoogmoed, naar zelfvoldaanheid. En als dat gebeurt, is alles verloren. Daarom moeten we ons steeds weer afvragen: Doe ik die goede dingen op verborgen manier of om op te vallen?

***
Zoek ik bij het volgen van Jezus iets dat Hij niet helemaal is? Zijn mijn bedoelingen zuiver of niet?

***
Als we geld geven om de waarheid te verdoezelen, dan is er sprake van zeer grote boosaardigheid.

***
Jezus spreekt, predikt, bemint, vergezelt, gaat met de mensen op weg. Hij is welwillend en nederig. Dat is Hij zozeer, dat als de mensen een beetje enthousiast geworden zijn en Hem koning willen maken, Hij ze tegenhoudt en hun zegt: Nee, dat niet! En Hij gaat weg. Op die manier hielp Jezus zijn volk echt.

***
Wat voor plaats hebben de armen onder ons? Hierover dienen we ons geweten te onderzoeken. Dat kan gebeuren in twee punten: Wat is je houding of de houding van de gemeenschap tegenover de armen? Vervolgens, is deze gemeenschap zelf arm? Arm van hart of arm van geest?

***
We moeten getuigen dat Jezus leeft, dat Hij onder ons leeft: slechts op deze manier kan men nagaan hoe een gemeenschap het maakt.

***
In een gemeenschap is vrede een zeer belangrijk kenmerk. Zo belangrijk omdat de duivel altijd probeert ons te verdelen. Hij is de vader van verdeeldheid. Hij verdeelt d.m.v. jaloezie. Jezus toont ons deze weg, de weg van vrede onder elkaar, van de liefde onder elkaar.

***
Het is noodzakelijk een sfeer te bouwen waar vrede en harmonie heersen. “Zij waren één van hart en één van ziel…”. Dat wil zeggen dat er in die gemeenschap geen plaats was voor roddel, jaloezie, kwaadspreken, laster, maar slechts voor vrede. Vergeving, liefde, overstemde er immers alles.

***
We moeten de vrees voor de vreugde overwinnen. Zoals de leerlingen die, afgebrand door het drama van het kruis, zeiden: nee, hier moeten we stoppen! Hij is naar de hemel, heel goed, Hij is verrezen, maar Hij moet niet nog eens hier komen, want dat krijgen we niet klaar!

***
Wij durven de vreugde niet goed aan, en met zijn verrijzenis geeft Jezus ons de vreugde: de vreugde christen te zijn, de vreugde Hem van nabij te volgen, de vreugde voort te gaan op de weg van de zaligsprekingen, de vreugde bij Hem te zijn.

***
Het leven van veel christenen lijkt op een voortdurende begrafenis. Dat zijn christenen die beter op hun gemak zijn in de schaduw dan in het licht. Net als die dieren die alleen maar ’s nachts er op uit kunnen gaan, maar die bij daglicht niets kunnen zien. Zoals de vleermuizen!

***
Wij worden allemaal bekoord, want de wet van het geestelijk leven, van ons christenleven, is een strijd. Omdat de vorst van deze wereld – de duivel – onze heiligheid niet wil, wil hij niet dat wij Christus volgen.

***
Daarom moeten wij waakzaam zijn wanneer wij in ons hart iets voelen dat ons uiteindelijk tot wereldse gezindheid, tot zonde zal brengen. Wij moeten waakzaam zijn: want als wij de kraan niet op tijd dichtdraaien zal dat straaltje groter worden en uitvloeien, het zal zo’n vloed worden dat die ons ertoe zal brengen ons kwaad goed te praten.

***
Als wij bekoord worden, bevinden ook wij ons op diezelfde weg. Wij hebben een bekoring die sterker wordt en een ander aansteekt. We hoeven maar te denken aan roddelpraat: we zijn een beetje jaloers op deze of gene, houden we dat niet voor ons, maar tenslotte gaan we het met anderen delen door die roddels om ons heen te verspreiden.

***
De tactiek van de duivel is net als die van de verleiding: de duivel spreekt ongeveer net alsof hij een geestelijke leider is, alsof hij een raadsman is. Wanneer men de bekoring echter afwijst, verspreidt ze zich en komt ze nog sterker terug. Jezus waarschuwt: wanneer de duivel afgewezen wordt, dwaalt hij rond op zoek naar handlangers en komt met deze bende terug.

***
De bekoring van de duivel heeft drie kenmerken. De bekoring begint zacht, maar neemt toe, ze wordt steeds sterker. Ten tweede steekt ze iemand anders aan en gaat op hem over, zij probeert gemeenschappelijk te zijn. En tenslotte wil ze de ziel gerust te stellen door zichzelf te rechtvaardigen.

***
Jezus heeft tegen de duivel gestreden. De duivel heeft Hem dikwijls bekoord en Jezus heeft in Zijn leven bekoringen en ook vervolging gekend. Daarom moeten wij christenen goed deze waarheid kennen: ook wij worden bekoord, ook op ons zijn de aanvallen van de duivel gericht.

***
De duivel bestaat net zo goed in de 21e eeuw. We moeten uit het evangelie leren hoe tegen hem te strijden. Maar daartoe moeten we de tactiek leren kennen die de duivel gebruikt bij de bekoringen die steeds drie kenmerken hebben: de bekoring begint zacht, dan verbreidt ze zich door anderen aan te steken en tenslotte ziet ze kans zichzelf te rechtvaardigen.

***
Ook vandaag heerst de verafgoding van het eenzijdig denken. Vandaag moet je op deze bepaalde manier denken en als je niet zo denkt, ben je niet modern, ben je niet open.

***
De farizeeën hadden een eenzijdige denkwijze en die wilden ze opleggen aan het volk van God. Daarom verwijt Jezus hun: ge legt het volk zo veel geboden op de schouders. Op deze wijze hanteren ze een theologie die tot slaaf wordt van dit van eenzijdig denkschema.

***
Tegenover zo’n gesloten geest is het voor Jezus onmogelijk te overtuigen, een boodschap van nieuwheid door te geven. Doch van de kant van Jezus’ gesprekspartners is er echter iets ergers in het spel dan eenvoudig maar koppigheid. Hier wordt het eigen denken verafgood: zo zie ik het en zo moet het zijn en niet anders!

***
Wanneer hart en geest gesloten zijn, bestaan alleen nog wijzelf, en bovendien zijn we dan overtuigd van ons gelijk als we zeggen dat je alleen maar moet doen wat ik geloof, zeker als we er ook nog van zijn dat we precies doen wat de geboden zeggen. Maar de geboden dragen een belofte in zich en de profeten maken die belofte wakker.

***
Hier hebben we heel het drama van een gesloten hart, het drama van een gesloten geest. En wanneer het hart gesloten is, sluit het op zijn beurt de geest. En wanneer hart en geest gesloten zijn, is er geen plaats meer voor God.

***
Christenen zullen altijd op vervolging en miskenning moeten rekenen. Maar die moeten we het hoofd bieden met de zekerheid dat Jezus de Heer is, en dat is de uitdaging en het kruis van ons geloof.

***
De weg van hen die de Heer volgen loopt altijd, net als voor de Heer, uit op een verrijzenis, maar ze gaat door het kruis heen. We moeten dus niet bang zijn voor vervolgingen, voor onbegrip, ook al zullen we daardoor veel verliezen.

***
Ook nog in onze dagen worden de christenen vervolgd. En wel zo erg, dat ik waag te zeggen dat er tegenwoordig ongetwijfeld evenveel of nog meer martelaren zijn dan in de eerste christentijden. En ze worden vervolgd omdat ze deze wereldse samenleving de waarheid aanzeggen, en Jezus Christus verkondigen aan deze geruste samenleving die geen problemen wil.

***
De geschiedenis getuigt er dus van dat allen die door de Heilige Geest gekozen worden om Gods volk de waarheid te zeggen, vervolging te lijden hebben.

***
In de Kerk zijn er mensen die vervolgd worden van buiten af en ook die vervolgd worden van binnen uit. De heiligen zelf zijn vervolgd. Wanneer we het leven van heiligen lezen, komen we immers talrijke situaties van onbegrip en vervolging tegen. Want omdat ze profeten waren, zeiden ze dingen die men te hard vond.

***
De profeten zijn allemaal vervolgd of miskend, buiten spel gezet: voor hen was er geen plaats. Die werkelijkheid is niet afgelopen met de dood en de verrijzenis van Jezus: ze gaat door in de Kerk.

***
Het is altijd weer dezelfde houding: ze ontzeggen de Heer het vertrouwen, de profeet brengen ze in diskrediet om hem zijn gezag te ontnemen. Ze doen geringschattend over Jezus omdat Hij wegging uit dat gesloten religieuze milieu, uit die kooi, en er anderen uit weg deed gaan. En de profeet vecht tegen lieden die de Heilige Geest willen kooien.

***
Het is een feit dat heel de heilsgeschiedenis door de profeten vervolgd zijn. De profeet is inderdaad een man die zegt: maar jullie zijn de verkeerde weg opgegaan, keer terug naar de weg van God! Dat is de boodschap van een profeet.

***
Voetangels en klemmen uitzetten is het, als men met lastertaal te werk gaat. Dan aanvaarden we namelijk niet dat er een rechtvaardige zou zijn die, zoals het Oude Testament verklaart, zich verzet tegen onze daden, ons aanklaagt dat we tegen de wet ingaan en ons verwijt, af te wijken van de ontvangen opvoeding.

***
Wanneer wij tot God bidden, is dat niet een dialoog met z’n tweeën, omdat in ieder gebed altijd de Heilige Geest meebidt. Zonder de H. Geest kunnen we dus niet bidden: Hij bidt in ons, Hij verandert ons hart, Hij leert ons “Vader” zeggen tot God.

***
Bidden vraagt tijd en neemt tijd. Bidden betekent inderdaad onderhandelen met God om te verkrijgen wat ik de Heer vraag, maar vooral om Hem beter te leren kennen. Dat brengt tot een verzoek van een vriend aan zijn vriend. En zo moet het gebed ook zijn: vrij, aanhoudend, met kracht van argumenten.

***
Mozes probeert de Heer te overtuigen en begint een gevecht waarbij hij twee gegevens centraal stelt: uw volk en mijn volk.

***
Mozes spreekt vrijuit tegenover de Heer. Door dat te doen, leert hij ons bidden: zonder vrees, vrijuit, zelfs met aandrang. Mozes houdt aan, hij is moedig: zo moet ons gebed zijn!

***
Je moet spreken als een broer of een zus als je iemand uitnodigt, beter te worden en dan niet meer te zondigen.

***
Jezus brengt geen orde in ons leven: Hij schenkt zijn genade en die genade doet alles!

***
Je hebt van die schijnheilige christenen die geen ruimte laten aan de genade van God. Dat maakt dat voor zulke lieden het christelijk leven erin bestaat, al je papieren in orde te hebben, al je attesten! Maar door zo te handelen doen ze de deur dicht voor Gods genade.

***
Ongelukkig genoeg zijn er veel egoïstische christenen die door luiheid zondigen tegen de apostolische ijver, tegen de behoefte, de nieuwheid van Jezus aan de anderen te brengen; die nieuwheid die mij om niet geschonken is.

***
Christenen zonder apostolische ijver dienen nergens toe en doen de Kerk geen goed.

***
De ziekte van de luiheid der christenen is een houding die verlammend is voor de apostolische ijver en die van de christenen onbeweeglijke mensen maakt die leven in alle rust, maar niet in de goede zin van het woord: het zijn dan mensen die er niet op uit zijn naar buiten te treden om de boodschap van het evangelie te brengen. Uitgedoofde mensen.

***
Er bestaat een moment dat gunstig is om ons af te vragen of we onderweg zijn of te zeer stil blijven staan, of we een verkeerde weg zijn ingeslagen of tenslotte theologale toeristen zijn, als lieden die in het leven ronddwalen maar nooit een stap vooruit zetten.

***
De Heer vraagt ons, niet stil te blijven staan, geen verkeerde weg in te slaan, en niet rond te dwalen in het leven. Hij vraagt ons uit te zien naar de beloften, verder te trekken met die beloften. En het geloof gaat op weg.

***
Een andere groep mensen is gevaarlijker, want die brengt zich zelf op een dwaalspoor. Dat zijn degenen die wel blijven lopen, maar toch geen weg afleggen. Het zijn dwalende christenen: ze zwerven rond, en nog eens rond, alsof het leven een toeristenbestaan was, zonder doel, zonder de beloften serieus te nemen.

***
Soms hebben wij allemaal de verkeerde weg ingeslagen. Maar je vergissen in de weg is geen probleem. Het probleem is, dat we niet op onze schreden terugkeren als we merken dat we ons vergist hebben. Omdat we nu eenmaal zondaars zijn, vergissen we ons in de weg. We lopen wel door, maar soms slaan we de verkeerde weg in.

***
In het leven kun je ook niet verder gaan. We hebben veel van die christenen die onbeweeglijk blijven. Hun hoop is zwak. Ja, ze geloven wel dat er een hemel bestaat, maar die zoeken ze niet. Ze volbrengen de geboden, ze doen wat voorgeschreven is, maar ze zijn niet in beweging te krijgen. En de Heer kan geen kiemend gist uit hen halen om zijn volk te doen groeien.

***
Dit is ons leven: geloven en op weg gaan, net als Abraham, die vertrouwd heeft op de Heer en die door is blijven gaan, ook op moeilijke ogenblikken, bv. toen zijn geloof op de proef werd gesteld door de vraag om het offer van zijn zoon.

***
Dit is onze bestemming: onze weg gaan met de beloften voor ogen, in de zekerheid dat ze werkelijkheid zullen worden. Veel houden van die beloften en ze zoeken, ook door tot de marteldood toe te getuigen, omdat we weten dat de Heer getrouw is. De hoop stelt nooit teleur.

***
De Heer heeft nooit tegen iemand gezegd dat hij op weg moest gaan, dat hij moest handelen, zonder hem eerst een belofte te hebben gedaan.

***
Voordat de Heer iets vraagt, belooft Hij. Het belangrijkste fundament van de deugd van hoop is daarom juist, dat we vertrouwen hebben in de beloften van de Heer.

***
Als je de innige liefde van die Vader wilt leren kennen, ga dan naar Hem toe en laat ze in je toe! Kom me er dan van vertellen! Want de God die naar ons uitziet is ook de God die vergeeft: de God van barmhartigheid. En Hij wordt het vergeven niet moe; wij zijn het, die het moe worden vergeving te vragen.

***
Onze God is een God die wacht. Hij heeft op ons allen gewacht, heel de lange tijd van de geschiedenis door. Hij is een God die naar ons uitziet, altijd!

***
Wanneer we het woord horen dat ons uitnodigt ons te bekeren – bekeert u! – vinden we dat een beetje hard klinken als het ons zegt een ander leven te gaan leiden. Maar in dat woord bekering ligt het liefdevolle heimwee van God naar ons opgesloten. Het is de hartenkreet van een Vader die tegen zijn zoon zegt: kom toch terug, kom terug, het is tijd om eindelijk thuis te komen!

***
In dat samenspel van de vrijheid doet de Heer mee die ons liefheeft. In de logica van de noodzaak is geen plaats voor God: je moet dit, je moet dat doen, je moet... Dan worden mensen gedragsbepaalde wezens. Lieden met goede manieren, maar met slechte gewoontes. Jezus noemt ze “witgekalkte graven”.

***
Schijnheilige lieden hebben de liefde van de Heer afgewezen en die afwijzing heeft gemaakt dat ze zich op een weg bevonden die niet de weg was van het samenspel van de vrijheid die de Heer aanbood, maar de weg van de logica door de noodzaak opgelegd, en daarop is geen plaats voor de Heer.

***
Wat is bedoeld met de weg van de nederigheid, van de vernedering? Dat betekent heel eenvoudig zeggen: ik ben een man, een vrouw, en u bent God! En in Gods tegenwoordigheid verder gaan als man of vrouw, in gehoorzaamheid en met een gewillig hart.

***
Het heil kun je niet kopen, het is niet te koop, het wordt geschonken, zomaar om niet gegeven. Uit onszelf kunnen wij ons niet redden: het heil is een volkomen om niet geschonken gave. Alleen geldt dat, wil het heil in ons binnen kunnen komen, ons hart nederig moet zijn, gewillig, gehoorzaam. Net als het hart van Maria.

***
Christelijke nederigheid is niet een deugd die ons doet zeggen ‘ik ben nergens goed voor’ en die ons zo onze hoogmoed laat verbergen. Integendeel: de nederigheid van een christen bestaat erin, de waarheid te zeggen: ik ben een zondaar, ik ben een zondares! Kort gezegd gaat erom, heel eenvoudig de waarheid te zeggen; en dit is onze waarheid.

***
God komt niet bij ons midden in onze zekerheden. Nee, daar komt de Heer niet naar toe! Hij zoekt ons op in ons randbestaan, in onze zonden, onze dwalingen, in onze nood aan geestelijke genezing, aan redding. Daar komt de Heer bij ons.

***
Het is beslist geen nederigheid als je Gods woord afwijst en zegt: ja, het is wel het woord van God, maar ik versta het zoals het mij goed uitkomt! Mensen die zo handelen tonen dat ze trotse, pretentieuze lieden zijn, lieden die menen alle vrijheid te hebben om de betekenis van Gods woord te veranderen.

***
Om het woord van God niet te doden en het zich niet toe te eigenen, om volgzaam te zijn en de Heilige Geest niet weg te sluiten, hoeven we slechts twee eenvoudige wegen te gaan: die van de nederigheid en die van het gebed.

***
Als we niet openstaan voor de nieuwheid van Gods woord, als we niet gehoorzamen aan Gods woord, dan sterft Gods woord weg, het wordt weggesloten. Maar niet gehoorzamen aan Gods woord is als willen beweren dat dit woord niet meer van God is: het behoort nu aan ons toe!

***
Het zal ons goed doen als we ons afvragen: waarin stel ik mijn vertrouwen? In de Heer of in de afgoden die ik zelf gefabriceerd heb? Heb ik nog een naam of begin ik mijn naam te verliezen en heet ik ‘ikzelf’? met alle daarbij horende verschillende verbuigingen: mij, met mij, voor mij, mij alleen, altijd maar in egoïsme: ikzelf!.

***
Dat is juist de ergste vervloeking voor degene die zijn vertrouwen stelt in menselijke mogelijkheden en niet in God: dat hij naamloos wordt! Zozeer dat op de vraag: ‘hoe heet je?’ hij niet antwoordt met zijn eigen naam, maar met rekeningnummer zo en zoveel van een bepaalde bank, of door te wijzen op zijn vele eigendommen.

***
In het evangelie staat een verhaal van iemand die alles bezat en die geen oog had voor een zekere Lazarus die overdekt met wonden bij de deur van zijn huis zat. Wij kennen goed de naam van die arme drommel: hij heette Lazarus. Maar die ander, die rijke, hoe heette die? Hij heeft geen naam!

***
Waarom is hij die zijn vertrouwen stelt in een mens, in zichzelf, ongelukkig? Omdat zo’n vertrouwen hem in zichzelf opsluit zonder zicht op een horizon, zonder open deuren en ramen. Zo wordt hij uiteindelijk iemand die in zichzelf opgesloten zit en zal hij geen redding vinden, want hij kan zich niet zelf redden.

***
Ons hart is onbetrouwbaar, dat is de moeilijkheid. Zo rekenen we op onszelf of op een bepaalde vriend of op onze goede situatie of op een ideologie, zelfs al weten we dat we ons daarin vergissen, en zo geven we stof aan onze neiging om zelf uit te maken waarin we ons vertrouwen zullen stellen.

***
Gelukkig de mens die zijn huis bouwt op rotsgrond, op een stevige ondergrond. Maar ongelukkig degene die op zand bouwt. Alleen op de Heer kunnen we met zekerheid ons vertrouwen laten rusten. Andere soorten vertrouwen dienen nergens toe, ze redden ons niet en geven ons geen leven en geen vreugde, maar dood en dorheid.

***
Een schijnheilige kan zichzelf wel redden, zo denkt hij ten minste, terwijl het een teken is dat we dichter bij de Heer komen, als we zorg dragen voor onze behoeftige broeders.

***
Het teken dat we aan Jezus’ kant staan is juist: zorg dragen voor onze broeders, voor de armsten, de zieken, zoals de Heer ons leert in het evangelie.

***
Waaraan zien we dat we op de goede weg zijn? Nogmaals zegt de Schrift het ons: opkomen voor de verdrukten, zorg dragen voor onze naaste, voor zieken, armen, voor de noodlijdenden en voor de onwetenden. Dat is de toetssteen.

***
Wij hebben allen nood aan rechtvaardiging, en de enige die ons rechtvaardig maakt is Jezus Christus. Wat is de toetssteen? De Heer zegt het zelf: “Wast u, reinigt u! Weg uit mijn ogen met uw slechte daden! Houd op met kwaad doen, leert het goede te doen”.

***
Een christen die zich op zijn eentje zelf meent te kunnen redden is een schijnheilige, die zich achter schmink verbergt. Wat doen zulke schijnheiligen? Ze vermommen zich als brave lieden, zetten een vroom gezicht en bidden ostentatief met ten hemel geslagen ogen, ze voelen zich rechtvaardiger dan de anderen en minachten die.

***
Een groot hart bemoeit zich niet met het leven van anderen, het veroordeelt niet, maar vergeeft en vergeet, juist omdat God niet meer denkt aan mijn zonden en ze heeft vergeven.

***
Een tweede houding, nodig om barmhartig te zijn is: ons hart verruimen. Juist de gesteltenis van schaamte, van berouw, verruimt ons zo kleine en egoïstische hart, want ze schept ruimte voor de barmhartige God om ons te kunnen vergeven.

***
De eerste houding die nodig is om barmhartig te zijn, is zelfkennis. Wij moeten onszelf niet vrij pleiten en de schuld op anderen schuiven.

***
Er bestaat een teken dat ons ongetwijfeld kan helpen. Dat is de vraag: weet ik zieken, oude mensen, kinderen een liefkozing te geven? Of ben ik kwijt wat liefkozen is? Schijnheiligen weten niet meer te liefkozen, ze zijn vergeten hoe je dat doet. Dan geldt die raad, ons niet te schamen voor het vlees van onze broeder: want het is ons eigen vlees.

***
De Kerk houdt ons in onze tijd dus een echt gewetensonderzoek voor: Schaam ik mij voor het vlees van mijn broeder en mijn zuster?

***
Onze volmaaktheid, onze heiligheid groeit tegelijk met die van ons volk, te midden waarvan we zijn uitverkoren en waarin we zijn ingevoegd. En onze grootste daad van heiligheid is juist te vinden in het vlees van onze broeder en in het vlees van Jezus Christus.

***
De Heer schenkt het heil te midden van een volk, doordat wij tot een volk behoren. Een volk waarin wij zijn geroepen en in de schoot waarvan wij zijn opgenomen.

***
Schijnheiligen zijn brave mensen, ze doen alles wat zij moeten doen, ze lijken goed. Maar ze zijn uit op morele correctheid, een correctheid zonder goedheid, omdat zij niet meer beseffen te behoren tot een volk.

***
Wanneer je de vaderliefde van de Heer mag ontvangen, van Hem de identiteit mag krijgen van volk, en als je dat dan vervolgens verandert in een zedenleer, betekent dat: de gave van zijn liefde afwijzen.

***
Schijnheilige lieden hebben de heilsgeschiedenis tot een zedenleer teruggebracht. Godsdienstig leven is voor hen alleen maar een zedenleer.

***
Schijnheilige mensen denken er niet meer aan dat zij niet op hun eentje door God zijn verkozen, maar in een volk. De geschiedenis van hun volk, die geschiedenis van heil, van uitverkiezing, verbond en van belofte die rechtstreeks van de Heer komt, zijn ze vergeten.

***
Kijk dat is onze vreugde en onze vruchtbaarheid: met Jezus mee te trekken. Andere vreugdes dragen geen vrucht; die zijn er alleen maar op uit, de hele wereld te winnen, zoals de Heer zegt, maar uiteindelijk verlies je dan jezelf en richt je jezelf te gronde.

***
Dat is dus de weg die we moeten volgen: nederigheid, dienstbaar zijn en belangeloos, onszelf niet belangrijk achten en ons aan anderen niet voordoen als een belangrijk personage: ik ben christen!... De Navolging van Christus geeft ons een heel goede raad: houd ervan, onbekend te zijn en voor niets bijzonders gehouden te worden.

***
De levensstijl van een christen zonder kruis is helemaal niet christelijk, en als het kruis een kruis is zonder Jezus is het evenmin christelijk.

***
Ik zeg u dat er vandaag meer martelaars zijn dan in de eerste tijd van de Kerk. Zoveel broeders en zusters getuigen van Jezus en worden vervolgd. Dat is de weg van Jezus. Maar het is een weg die vreugdevol is, want de Heer beproeft ons nooit boven onze krachten.

***
Er zijn veel roepingen. We moeten bidden dat deze jonge mensen hun hart leeg kunnen maken en dat ze het kunnen bevrijden van andere belangen en liefdes. Bidden dat hun hart vrij wordt van de afgodendienst van de ijdelheid, van hoogmoed, macht en geld.

***
Hoeveel jongeren willen ook vandaag Jezus navolgen. Maar wanneer hun hart vervuld is van iets anders en ze niet de moed hebben om het leeg te maken, keren ze op hun schreden terug. En zo verkeert hun vreugde in verdriet.

***
Om consequent te leven als christen is gebed noodzakelijk, want dat consequent zijn is een gave Gods. Het is een gave, en we moeten ons best doen, erom te vragen met de woorden: Heer laat me consequent zijn! Heer laat me toch nooit ergernis geven!

***
Iemand kan wel zeggen: ik ben christen! Maar als je niet als christen leeft, als je niet als christen handelt, denkt en voelt, ben je niet bepaald consequent! Wij die christen zijn, zijn allen geroepen, van Christus te getuigen. En christenen die integendeel leven op de gewone, algemene manier en niet consequent zijn, richten veel kwaad aan.

***
In alle dingen van het leven moeten we denken als christen, voelen als christen en handelen als christen. Dat is de consequente levenswijze van een christen die in zijn handelen, zijn waarnemen, in zijn denken de aanwezigheid van de Heer herkent.

***
Je kunt Jezus niet begrijpen zonder het volk waar Hij uit voortkomt, het door God gekozen volk, het volk van Israël. En ook niet zonder het volk dat Hij om zich heen geroepen heeft: de Kerk. Het is absurd, Christus lief te hebben zonder de Kerk; Christus aan te voelen maar de Kerk niet; Christus te volgen buiten de kerk. Want Christus en de Kerk zijn onafscheidelijk.

***
Jezus Christus ontmoeten brengt ons tot getuigen, zoals de apostel Jacobus benadrukt in zijn brief; hij wijst erop dat een geloof zonder de werken, een geloof waar je zelf niet bij betrokken bent en dat je niet tot getuigen brengt, geen geloof is. Dat zijn maar woorden en niets anders dan woorden.

***
Die twee werkelijkheden staan dus lijnrecht tegenover elkaar: aan de ene kant zij die de leer hebben of de zaken kennen, en aan de andere kant zij die geloof hebben. En wel met die ene zekerheid, dat het geloof altijd brengt tot getuigen. Het geloof is een ontmoeting met Jezus Christus, een ontmoeting met God.

***
Christenen kunnen geen mensen zijn die het geloof zien als een systeem van begrippen. Degenen die vervallen tot casuïstiek of tot ideologie zijn christenen die wel de leer kennen maar zonder te geloven. Net als de duivels. Met dit verschil, dat de duivels sidderen, maar dat die lieden heel rustigjes leven.

***
De casuïstiek is nu juist de plaats waar al degenen op af gaan die menen geloof te bezitten maar die er alleen maar de inhoud van kennen. Zo kunnen we een christen tegenkomen die alleen maar vraagt of hij dit mag doen en of de Kerk dat zou kunnen doen, dat betekent ofwel dat hij geen geloof heeft, ofwel dat zijn geloof te zwak is.

***
Geloof hebben wil niet zeggen: kennis bezitten. Geloof hebben is: de boodschap van God die Jezus Christus ons gebracht heeft, beleven en verder dragen.

***
Theoretisch gesproken kunnen we het Credo ook zonder geloof opzeggen. En zoveel mensen doen dat! Zelfs de duivels doen dat!

***
Ons afvragen wat de Kerk al dan niet kan doen, of wat al dan niet geoorloofd is, betekent: vervallen tot casuïstiek, en die is samen met de ideologie het teken waaraan je iemand herkent die wel de leer en de theologie van buiten kent, maar zonder geloof. Want het geloof blijft nooit abstract: je moet ervan getuigen.

***
Door Jezus te volgen als leerlingen op de weg van het leven leer je Hem kennen. Maar dat is niet genoeg, want het kennen van Jezus is een gave van de Vader. De Vader maakt dat we Jezus leren kennen.

***
Als we de Heer dagelijks ontmoeten, leren we Jezus kennen als leerlingen: als we Hem ontmoeten met onze overwinningen en onze zwakheden. Dan komen we dichter bij Hem en leren we Hem dieper kennen, en dan krijgen we wat sint Paulus het zintuig voor Christus noemt: het vermogen tot verstaan dat alles kan beoordelen.

***
Om Jezus te leren kennen is er geen studie van begrippen nodig, maar wel een leven als leerling. Op die manier, als we met Jezus meegaan, dringt tot ons door wie Hij is, dan leren we Jezus kennen.

***
De Brief aan de Hebreeën zegt dat de wereld Gods volk niet waard was. Maar in onze dagen kunnen we hetzelfde zeggen van zulke mensen van ons volk: mensen die lijden, maar die de vreugde van het geloof niet verliezen. Juist die mensen zijn het die de Kerk verder brengen met hun heiligheid van alle dagen, van iedere dag.

***
Er zijn veel mensen die lijden, maar die met geduld door blijven gaan. Dat zijn mensen die niet om een wonder vragen, maar die de tekenen van de tijd weten te lezen. De ongeduldige lieden echter die we in het evangelie zien, wilden een teken, maar wisten de tekenen van de tijd niet te verstaan. Dat is de reden waarom ze Jezus niet hebben herkend.

***
Het leven van een christen dient zich af te spelen op die muziek van het geduld, want dat is de muziek van onze vaderen, van het volk van God. Het is de muziek van wie Gods Woord geloofd hebben, van hen die het bevel hebben opgevolgd dat de Heer aan onze vader Abraham had gegeven.

***
Een andere bekoring van mensen zonder geduld is die van de almacht, die opgesloten ligt in de eis: Ik wil dat nu meteen!

***
Een mens die geen geduld heeft, groeit niet uit, blijft steken in de grillen van kinderen, die het leven niet weten te nemen zoals het komt; zo iemand kan alleen maar zeggen: ik wil dit, en anders niets!

***
Wie geen geduld heeft, wil alles meteen hebben, alles snel. Wie die wijsheid van het geduld niet kent is een wispelturig mens, die zich uiteindelijk net zo gedraagt als lastige kinderen die zeggen: ik wil dit, ik wil dat, dat vind ik niet leuk, en ze zijn nooit ergens tevreden mee.

***
Geduld is geen berusting, het is heel iets anders. Geduld wil namelijk zeggen: je schouders onder de werkelijkheid van het leven zetten, onder de dingen die niet goed zijn, de kwade dingen die we niet willen. En juist dat geduld zal ons leven rijper maken.

***
Al te grote droefheid en ook bitterheid brengen ons tot een leven van zogenaamd christen zijn zonder Christus.

***
Die christenen die het tempo hebben van een treurlied, die altijd zo leven en over alles klagen en verdrietig zijn, zijn in de Kerk niet vriendelijk voor de Heer. Die stijl past niet bij een leerling.

***
De levensstijl van een christen is de vreugde. Je kunt als christen niet zonder vreugde op weg zijn. Die innerlijke houding moet je altijd bewaren, zelfs als je voor problemen staat, op moeilijke ogenblikken, zelfs bij onze eigen vergissingen en zonden, want er is toch de vreugde van Jezus die ons altijd vergeeft en ons helpt.

***
We moeten lammeren blijven en geen wolven worden. Een lam blijven, niet een halve gare, maar een lam. Een lam met het doorzicht van een christen, maar altijd een lam. Want als je een lam bent, komt Hij voor je op. Maar als je jezelf zoals de wolf sterk voelt, komt Hij niet voor je op, dan laat Hij je alleen en de wolven zullen je rauw lusten.

***
De christen gaat zijn weg en als er moeilijkheden zijn, trekt hij verder om te verkondigen dat het Rijk van God dichtbij is.

***
De christen is een leerling van de Heer die op weg is, die altijd verder trekt. We mogen niet denken aan een christen die stil blijft staan. Een christen die niet verder trekt is ziek in zijn christen-zijn.

***
Wanneer we de Eucharistie vieren, treden we binnen in het mysterie van God, op die weg die niet onder onze controle valt. God alleen is de enige, Hij is de glorie, Hij is de macht. Vragen we om die genade: dat de Heer ons leert in het mysterie van God binnen te treden.

***
De liturgie is een tijd van God, een ruimte van God. We moeten ons daar in de tijd en in de ruimte van God stellen en niet op ons horloge kijken. Liturgie is nu juist binnentreden in het mysterie van God, ons door het mysterie laten dragen en in het mysterie zijn.

***
Naar de Mis gaan is niet: ernaar luisteren, maar eraan deelnemen. Het verschilt van de andere vormen van devotie. Die beelden iets uit; maar de Eucharistie is een reële gedachtenis, d.w.z. een theofanie, een openbaring van wie God is. God komt naderbij en is met ons. We krijgen deel aan het verlossingsmysterie.

***
De Mis is geen uitbeelding van het laatste avondmaal: het is werkelijk het avondmaal van de Heer. Je beleeft er werkelijk opnieuw de passie en de verlossende dood van de Heer. Het is een theofanie, een godsopenbaring: de Heer is op het altaar aanwezig om aan de Vader aangeboden te worden voor het heil van de wereld.

***
Je gaat niet naar de Mis om op je horloge te kijken, alsof je de minuten af moest tellen, of als om een voorstelling bij te wonen. Je gaat naar de Mis om te mogen delen in het mysterie van God.

***
Ons geweten onderzoeken over hoe wij leerling zijn door middel van enkele vragen: Verkondigen wij Jezus Christus? Profiteren we van onze situatie van christen als van een privilege? Gaan wij voort op de weg van Jezus Christus, op die weg van vernedering en nederigheid, en van ons klein maken om van dienst te kunnen zijn?

***
Wat laat ik voor een erfenis na aan degenen die na mij komen? Een erfenis van leven? De ware erfenis is het getuigenis dat we aan de anderen nalaten van ons christen zijn.

***
Het is van belang te vragen om de genade, te kunnen sterven in hoop en ons bij ons sterven aan God te kunnen toevertrouwen. Maar ons aan Hem toevertrouwen, dat begint nu vandaag, in de kleine dingen van het leven en ook in de grote problemen: ons steeds aan de Heer toevertrouwen. Zo wordt het een gewoonte voor je, je aan de Heer toe te vertrouwen en zo wordt je hoop groter.

***
Vragen om de genade, thuis te mogen sterven: in de Kerk. Ja dat is een genade! Dat kun je niet kopen! Het is een geschenk van God en we moeten het Hem vragen: “Heer, geef me het geschenk, thuis te mogen sterven, in de Kerk!”. Ook al zijn we allemaal zondaars, we moeten geen verraders zijn, geen corrupte lieden.

***
David had gezondigd: hij noemde zich zelf zondaar. Maar nooit heeft hij zich buiten het volk van God begeven: zondaar was hij, maar geen verrader. Dat is een genade: de genade om ten einde toe binnen Gods volk te blijven en te sterven in de schoot van de Kerk, juist daar in de schoot van Gods volk.

***
We moeten de boete aanvaarden, we moeten begrijpen waarom het nodig is dat we boete doen en zo weten te treuren over ons falen, over onze zonden. Kortom, we moeten niet proberen ons eigenhandig te rechtvaardigen, maar we moeten ons aan God toevertrouwen.

***
David verdedigt zichzelf niet. Hij is een realist. Hij probeert de ark van God te redden, zijn volk te redden. En hij doet boete en gaat de berg op. Om die reden is hij een groot man: een grote zondaar en een grote heilige. Zeker, God alleen weet hoe die twee dingen samen gaan. Maar dit is de waarheid!

***
Op kwade momenten in ons leven gebeurt het misschien wel, dat we in onze wanhoop ons zo goed mogelijk trachten te verdedigen en ons daarbij zelfs bedienen van God en de mensen. Doch de eerst nodige houding is integendeel juist: niet God en zijn volk voor ons karretje te spannen.

***
Onze slimheid, onze listigheid, onze zakelijke intelligentie zullen ons niet redden. Nee, onze redding komt door Gods genade en door onze dagelijkse training met die genade, en dat is het christelijk leven.

***
David had het besef van zijn zonde verloren en op dat moment begon het rijk Gods achter zijn horizon te verdwijnen. Dat blijkt uit het feit dat David geen rekening houdt met God. In hem heeft daarentegen die machtige menselijke zienswijze de overhand van: ik vermag alles! Dat is de houding van een wereldse mens.

***
Een van de tekenen van achteruitgang van het Rijk Gods is het teloor gaan van het zondebesef. David begaat een grote zonde, maar hij voelt dat niet als zodanig aan. Voor hem gaat het alleen maar om een probleem. Daarom komt het niet in hem op, vergeving te vragen. Zijn enige zorg is, het probleem op te lossen.

***
Bekoord worden is ons dagelijks brood. Dat is zo waar, dat als iemand van ons zou zeggen: ik heb nooit een bekoring gehad, het juiste wederwoord zou zijn: je bent ofwel een cherubijn, of je bent een beetje geschift! Strijd is iets normaals in ons leven: de duivel laat ons niet met rust en hij wil ons de baas zijn.

***
We moeten de Heer bidden voor heel de Kerk overal ter wereld. Dat is de kern van een dienstbaarheid aan God die bestaat in gebed voor de Kerk.

***
Wij ontvangen de boodschap van het evangelie als een gave. En als een gave moeten we hem doorgeven. Bij dit overdragen moeten we trouw zijn, want wij hebben een evangelie ontvangen en moeten een evangelie doorgeven dat ons niet toebehoort, het komt van Jezus. En wij mogen ons het evangelie niet toe-eigenen om het naar ons believen te gebruiken.

***
Trouw zijn aan de Kerk, trouw aan haar onderricht, trouw aan het Credo, trouw aan de leer, deze leer behoeden. Zo gaan nederigheid en trouw gelijk op.

***
Nederigheid is: beseffen dat de geschiedenis van de Kerk al vóór ons begonnen is en na ons door zal gaan. Want wij zijn maar een klein deel van een groot volk dat op weg is naar de Heer.

***
Iemand die niet nederig is, kan niet meevoelen met de Kerk, hij of zij zal voelen wat hij of zij zelf graag wil voelen.

***
De boodschap van het evangelie komt tot ons in de Kerk en onze heiligmaking geschiedt in de Kerk. Onze weg ligt in de Kerk. Een andere weg is inbeelding.

***
Een christen is niet te begrijpen zonder de Kerk. Daarom zei de grote Paus Paulus VI dat het een onzinnige splitsing is, van Christus te willen houden zonder van de Kerk te houden; naar Christus te willen luisteren maar niet naar de Kerk; met Christus te willen zijn buiten de Kerk om.

***
Een christen is niet een gedoopte die het doopsel ontvangt en vervolgens zijn eigen weg gaat. Zo ligt het niet, want de eerste vrucht van het doopsel is dat we tot de Kerk, tot het volk Gods gaan behoren.

***
Willen we een dialoog aangaan, dan is het nodig er niet te lang mee te wachten. Problemen dienen zo vlug mogelijk te worden aangepakt, zodra de storm geluwd is, want de tijd doet de scheidsmuur alsmaar hoger worden, net zoals hij het onkruid laat opschieten.

***
Nederigheid, mildheid, en alles voor allen willen zijn: dat zijn de drie basiselementen voor een dialoog. Maar we weten allemaal dat we om daartoe te komen, veel onzin en beledigingen moeten slikken. Dat moeten we toch maar doen, want op deze manier komt de vrede tot stand!

***
Om met elkaar te spreken is voor alles nederigheid nodig.

***
Een goed gesprek voeren is niet gemakkelijk, eerder moeilijk. Toch kunnen we alleen via zo’n gesprek bruggen bouwen in onze verhoudingen in plaats van muren die ons van elkaar verwijderen.

***
We hebben zo veel mooie gemeenschappen gezien: zij gingen goed vooruit… totdat op een gegeven ogenblik in één van haar leden de worm van de jaloezie en nijd binnenkroop, en daarmee de somberheid.

***
Sommige mensen kunnen niet verdragen dat een ander iets heeft, en dan is voor hen de oplossing, de ander te verlagen, om zichzelf een beetje hoger te plaatsen. Het middel daartoe is roddel. Als je goed kijkt, zul je achter elk geroddel jaloezie en afgunst vinden.

***
Iemand die nijdig en jaloers is, is bitter. Hij kan niet zingen, niet loven, hij weet niet wat vreugde is; hij kijkt altijd naar wat de ander wel heeft en hij niet. Dat veroorzaakt helaas bitterheid, een bitterheid die zich over heel de gemeenschap verspreidt. Want wie door dit gif is aangetast, wordt een zaaier van bitterheid.

***
De worm van de jaloezie draagt wrok, nijd, bitterheid in zich. Het is een slechte onrust die niet kan hebben dat een broeder of zuster iets bezit dat ik niet heb.

***
In het leven van een christen zijn nederigheid, mildheid, zachtmoedigheid zo belangrijk: ze zijn als een juwelendoosje voor de kleinheid. Ze vormen de grondslag waarop het gesprek tussen onze kleinheid en de grootheid van de Heer steeds verder kan gaan.

***
De trouw van de christen, onze trouw, bestaat er eenvoudig in, onze kleinheid te bewaren om in gesprek te kunnen blijven met de Heer.

***
God heeft met ons kleine mensen een echte band. God is groot en wij zijn klein. Zo kiest God, zelfs wanneer Hij mensen moet kiezen of ook zijn volk gaat kiezen, altijd de kleinen. Dat is zo sterk, dat Hij tot zijn volk zegt: Ik heb je gekozen omdat je het kleinste bent, het minst machtige onder de volkeren.

***
De Heer spreekt nooit met mensen alsof Hij het tegen een menigte heeft. Integendeel, Hij spreekt mensen altijd persoonlijk aan, en noemt iedereen bij zijn naam.

***
De relatie van de Heer met zijn volk is altijd een persoonlijke relatie, een relatie van persoon tot persoon: Hij is de Heer en zijn volk heeft een naam. Mensen, personen, hebben een naam. Het is niet een gesprek tussen een machtige en een mensenmassa, maar het is een persoonlijk tweegesprek.

***
God kiest altijd het kleinste, Hij roept het bij name en gaat een persoonlijke band ermee aan: daarom moeten we vóór alles klein zijn, als we met Hem in gesprek willen gaan.

***
Gehoorzamen houdt in: de moed hebben altijd te onderscheiden, steeds weer te onderscheiden – en niet relativeren – wat de geest doet in mijn hart, wat de geest wil in mijn hart en waar Hij mijn hart naartoe brengt.

***
Christelijke vrijheid en christelijke gehoorzaamheid betekenen volgzaamheid aan Gods woord; het is: de moed hebben nieuwe zakken te worden voor deze nieuwe wijn die voortdurend naar ons toe komt.

***
Ons voegen naar het woord van God om het te kunnen ontvangen vraagt ascetische instelling.

***
Onze God is een God die alle dingen nieuw maakt. En Hij vraagt dat wij volgzaam zijn voor Zijn nieuwheid. Jezus spreekt klare taal: jonge wijn in nieuwe zakken. Zo moet God ontvangen worden: met deze openheid voor het nieuwe. Deze houding heet volgzaamheid.

***
Het woord van God is levend. Daarom komt het tot ons en zegt wat het zeggen wil, en niet wat ik verwacht dat het zal zeggen of wat ik graag wil dat het zegt. Gods woord is een vrij woord. Het is ook een verrassing, want onze God is een God van verrassingen: Hij komt en maakt alles nieuw.

***
Wereldsheid maakt ons hart week. Ja, ze doet ons kwaad. Want het is nooit goed als je hart week is. Een goed hart staat open voor Gods woord, het neemt het in zich op.

***
De bekoring verhardt ons hart. En wanneer het hart verhard is, wanneer het niet openstaat, kan Gods woord er niet binnen komen.

***
De normale gang van het leven eist van de christen trouw aan zijn uitverkiezing. Die uitverkiezing moet hij nooit verkopen om tot eenvormigheid met de wereld over te gaan: dat is de bekoring waarmee het volk en waarmee ook wij te maken hebben.

***
Wanneer het woord van God niet in ons is, wordt de plaats door een ander woord ingenomen: door ons eigen woord, het woord van ons egoïsme, het woord van waar we nu net zin in hebben. En ook door het woord van de wereld.

***
Wereldsheid in het geestelijke is een gevaarlijke bekoring, want die verwekelijkt het hart door egoïsme en blaast de christenen een minderwaardigheidscomplex in, dat hen ertoe brengt zich te conformeren aan de wereld en net zo te handelen als iedereen doet, door de plezierigste mode te volgen.

***
Hoe is onze verhouding tot God, tot Zijn woord? Is het formeel? Is het afstandelijk? Dringt Gods woord door tot in het hart, verandert het ons hart, heeft het die macht of niet? Of is het een formele verhouding: alles goed, maar is het hart gesloten aan dat woord?

***
Het volk van God voelt zich zo dikwijls niet aanvaard door degenen die moeten getuigenis afleggen: christen leken, priesters, bisschoppen!

***
Het is eigen aan God, aan de liefde van God voor ieder van ons de wegen bereiden, ook onze wegen bereiden. Hij maakt ons geen christenen door spontane verwekking: Hij bereidt onze weg, ons leven lang vooraf.

***
De priester aanbidt Jezus Christus, de priester spreekt met Jezus Christus, de priester zoekt Jezus Christus en laat zich door Jezus Christus zoeken. Dat is de kern van ons leven. Als dat ontbreekt, raken we alles kwijt! Wat kunnen we dan nog aan mensen geven?

***
Wanneer we naar Jezus Christus toegaan, wanneer we de Heer zoeken in het gebed zijn we goede priesters. Maar als we ons integendeel van Jezus Christus verwijderen, moeten we compensatie zoeken in andere, wereldlijke attitudes.

***
Hoeveel schade berokkenen priesters de Kerk als ze hun kracht besteden aan onechte dingen, aan ijdelheid. En hoe vaak horen we niet met droefheid zeggen: die priester lijkt wel een vlinder, want hij is altijd bezig met ijdele zaken en hij heeft geen relatie met Jezus Christus.

***
De relatie met Jezus Christus redt de priester van de bekoring tot wereldlijkheid en tot de afgodendienst van de god Narcissus. De priester kan immers wel alles kwijt raken, maar nooit zijn band met de Heer. Anders zou hij de mensen niets meer te bieden hebben.

***
Om in de Heer te blijven, om in de liefde te blijven, is van Gods kant de Heilige Geest nodig. Maar van onze kant moeten we belijden dat het geloof een gave Gods is en ons toevertrouwen aan Jezus de Heer om Hem te aanbidden, te loven en om mensen van hoop te zijn.

***
Geloof ik in wat ik zeg? Is deze geloofsbelijdenis echt of zeg ik die uit het hoofd op omdat het moet? Of geloof ik maar half?

***
Het geloof moet beleden worden. Het moet in zijn geheel beleden worden, niet half en half. Het hele geloof! Maar het moet ook in zijn geheel bewaard worden, zoals het via de traditie tot ons gekomen is. Het hele geloof!

***
We zijn zo vaak uit het veld geslagen christenen. De Kerk is vol uit het veld geslagen christenen, die niet geloven dat het geloof een overwinning is, die dat geloof niet beleven. En als je dat geloof niet echt beleeft, is het een aftocht: dan overwint de wereld, de vorst van de wereld is dan overwinnaar.

***
De christen dient de geloofsbelijdenis niet als een papagaai op te zeggen en hij leeft niet als iemand die altijd weer verslagen wordt. Integendeel, hij belijdt zijn geloof in zijn geheel, en is bij machte God te aanbidden. Zo doet hij de thermometer van het leven van de Kerk stijgen.

***
Wie liefheeft, geeft, hij geeft dingen, hij geeft leven, hij geeft zichzelf aan God en aan de anderen. Maar wie niet liefheeft, wie egoïstisch is, die is altijd uit op krijgen. Die wil altijd dingen hebben, die is altijd op eigen voordeel uit.

***
Liefde bestaat meer in daden dan in woorden. Jezus heeft het zelf gezegd: niet zij die zeggen: ‘Heer, Heer’, en die zoveel praten komen in het Rijk der hemelen, maar zij die de wil van God volbrengen.

***
De toetssteen voor die christelijke concreetheid is het geloof in de menswording van het Woord, God die mens is geworden. Zonder dit fundament bestaat er geen echt christendom. De sleutel tot het christelijk leven is het geloof in Jezus Christus, Gods mensgeworden Woord.

***
Een liefde die uit illusies bestaat en niet concreet is, doet ons geen goed.

***
De christelijke liefde is concreet. Jezus zelf heeft het, wanneer Hij ons spreekt over liefhebben, over concrete zaken: hongerigen te eten geven, zieken bezoeken. Dat zijn allemaal concrete daden, want de liefde is juist concreet. Dat is de concrete aard van de christen.

***
Christelijk leven is een dubbel inwonen: wij in God en God in ons. Niet blijven steken in de geest van de wereld, in oppervlakkigheid, in afgodendienst, in ijdelheid. Nee, we moeten in de Heer blijven wonen!

***
De liefde van de televisie-feuilletons is geen echte liefde, die bestaat niet uit illusies. De ware liefde is concreet, ze berust op de werkelijkheid, niet op alleen maar woorden; ze berust op werkelijk geven en niet op het zoeken van eigen voordeel.

***
Heel vaak is ons hart als een weg, waar iedereen voorbij komt. Daarom juist moeten we het op de proef stellen en ons afvragen of wij telkens kiezen wat van God komt, en of wij het ware criterium kennen om onze wensen en gedachten te onderscheiden.

***
Indien een gedachte, een verlangen je brengt op de weg van nederigheid, van verootmoediging, van dienst aan anderen, komt ze van Jezus. Maar als ze je op weg zet naar zelfgenoegzaamheid, ijdelheid, hoogmoed, op weg naar een abstracte idee, komt ze niet van Jezus.

***
Een christen die in de Heer blijft, weet wat in zijn hart omgaat. Een hart gelijkt op een buurtmarkt: je vindt er van alles. Juist daarom is een voortdurend onderscheiding nodig; om te begrijpen wat werkelijk van de Heer komt.

***
Het hart van de mens gelijkt op een buurtmarkt: je vindt er van alles. Een christen moet ten volle leren zien wat er in hem omgaat door te onderscheiden wat de door Christus aangewezen weg volgt en wat integendeel brengt op die weg die de antichrist wijst.

***
De goddelijke barmhartigheid, aan allen aangeboden, kent geen enkele grens. De Heer is altijd bereid de grafsteen op te tillen van onze zonden, die ons van Hem, het licht van de levenden, verwijderen.

***
Het is een heerlijke uitnodiging tot de ware vrijheid: ons te laten bevrijden van de zwachtels van de hoogmoed. Want de hoogmoed maakt ons tot slaven van zoveel afgoden. Hier begint onze verrijzenis: wanneer ze de maskers van ons gelaat doet vallen, en wij de moed terugvinden tot ons oorspronkelijke gelaat, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God.

***
Christus roept ons met aandrang uit het duister van de gevangenis te komen waarin we onszelf hebben opgesloten door ons tevreden te stellen met een onecht, egoïstisch, middelmatig leven. “Kom naar buiten” zegt Hij ons, “Kom eruit!”

***
Christus legt zich niet neer bij de grafmonumenten die wij hebben gebouwd met onze keuzes voor het kwaad en voor de dood, met onze vergissingen, met onze zonden. Hij berust daar niet in! Hij nodigt ons uit, Hij beveelt ons bijna, uit dat graf te komen waarin onze zonden ons hebben doen neerdalen.

***
Soms lijkt ons leven op dat van de blinde die zich openstelt voor het licht, die zich openstelt voor God, die zich openstelt voor zijn genade. Andere keren is het helaas een beetje zoals dat van de wetgeleerden: vanuit de verhevenheid van onze hoogmoed oordelen we over anderen en soms zelfs over de Heer!

***
Dikwijls lokt een goed werk, een daad van naastenliefde, roddels en discussies uit, omdat er mensen zijn die de waarheid niet willen zien.

***
Elke ontmoeting met Jezus verandert ons leven, altijd. Het is een stap voorwaarts, een stap dichter naar God toe.

***
De Heer is groter dan alle vooroordelen, daarom was Hij niet bang zich op te houden met de Samaritaanse: de barmhartigheid is groter dan het vooroordeel. Dit moeten we goed leren! De barmhartigheid is groter dan het vooroordeel.

***
Jezus is onbevreesd: wanneer Hij iemand ziet, gaat Hij naar hem toe, omdat Hij liefheeft. Hij houdt van ons allen. Hij sluit zich nooit om vooroordelen voor iemand af.

***
Het Woord van Christus groeit in ons wanneer we het verkondigen, wanneer we het aan anderen doorgeven! En dat is het christelijk leven. Het is een zending voor de hele Kerk, voor alle gedoopten, voor ons allen: naar Jezus luisteren en Hem aan de anderen aanbieden.

***
De ontmoeting met God in het gebed spoort ons aan, opnieuw de berg af te dalen, omlaag naar de vlakte terug te keren, waar we zoveel broeders ontmoeten die zwaar te dragen hebben aan geestelijke en materiële armoede. We zijn geroepen om die broeders in nood de vruchten te brengen van onze ervaring met God.

***
We hebben er nood aan alleen te zijn, de berg op te gaan voor een tijd van stilte, om onszelf terug te vinden en de stem van de Heer beter te horen. Dat doen we in het gebed. Maar we mogen het daarbij niet laten!

***
Wij, leerlingen van Jezus, zijn geroepen om mensen te zijn die naar zijn stem luisteren en zijn woorden ernstig nemen. Om Jezus te horen, moet je dicht bij Hem zijn, Hem volgen, zoals de menigte in het evangelie deed die achter Hem aantrok over de straten van Palestina.

***
We moeten ons ontdoen van de afgoden, van de ijdele dingen, en ons leven bouwen op het wezenlijke.

***
De weg van het geloof voert ook door duisternis, door twijfel, en dat geloof voedt zich met geduld en volhardend wachten.

***
Jezus gaat niet met Satan in gesprek, zoals Eva in het aards paradijs had gedaan. Jezus weet goed dat je niet in gesprek kunt gaan met Satan, omdat hij zo geslepen is. Daarom kiest Jezus ervoor, in plaats van zoals Eva een gesprek aan te gaan, te schuilen in het Woord van God en Hij antwoordt met de kracht van dit Woord.

***
Om te bereiken dat het niemand ontbreekt aan brood, water, kleding, woning, werk en gezondheid, is het nodig dat we ons allen zien als kinderen van de Vader in de hemel en dus als broeders onder elkaar en dat we ons daarnaar gedragen.

***
Als daarentegen iemand alles alleen voor zichzelf oppot, wat zal er dan met hem gebeuren wanneer hij door God wordt geroepen? Hij zal de rijkdommen niet met zich kunnen meenemen, want – jullie weten het – in een lijkwade zitten geen zakken! Beter is het, met anderen te delen, want naar de Hemel nemen we alleen mee wat we hebben gedeeld met anderen.

***
De Voorzienigheid van God werkt via onze dienst aan de anderen, via ons delen met anderen. Als ieder van ons geen rijkdommen oppot alleen voor zichzelf, maar ze ten dienste van de anderen stelt, dan wordt in dit gebaar van solidariteit Gods Voorzienigheid zichtbaar.

***
In een hart dat bezeten is van rijkdom is niet veel plaats meer voor het geloof: alles wordt in beslag genomen door rijkdom, er is geen plaats voor het geloof.

***
Een hart dat in beslag wordt genomen door de begeerte om te bezitten is wel een hart vol van die begeerte om te bezitten, maar zonder God. Daarom heeft Jezus dikwijls de rijken gewaarschuwd, omdat voor hen het gevaar groot is dat zij hun vertrouwen stellen in de goederen van deze wereld, en de zekerheid, de uiteindelijke zekerheid, in God is gelegen.

***
Zij die een ambt hebben gekregen om leiding te geven, te verkondigen, de sacramenten toe te dienen, moeten zich niet beschouwen als de bezitters van bijzondere machten, heren, maar zich in dienst stellen van de gemeenschap door haar te helpen met vreugde de weg van de heiligheid te gaan.

***
In de christelijke gemeenschappen - bisdommen, parochies, verenigingen, bewegingen - kunnen verschillen niet in tegenspraak zijn met het feit dat we allen, door het doopsel, dezelfde waardigheid hebben: in Christus zijn we kinderen van God!

***
Ook roddels kunnen doden, omdat ze de goede naam van personen doden! Bij het begin kan het iets aangenaams lijken, ook amusant. Maar aan het einde vervult het ons hart met bitterheid en worden wij ook vergiftigd.

***
Jezus herinnert ons er aan, dat ook woorden kunnen doden! Vandaar dat men niet alleen het leven van de medemens niet mag bedreigen, maar ook niet het gif van de toorn over hem uit mag storten, hem niet mag treffen met laster en geen kwaad over hem spreken.

***
Juridische regels volstaan niet om tot goed en eerlijk gedrag te komen; daarvoor is een diepgaande motivatie nodig, waarin een verborgen wijsheid tot uitdrukking komt, de Wijsheid van God, die dank zij de Heilige Geest ontvangen kan worden.

***
Aan wie Jezus volgen houdt Hij de volmaakte liefde voor: een liefde die als enige maat heeft dat ze mateloos is, die verder gaat dan elke berekening.

***
Als wij christenen smakeloos worden en onze aanwezigheid als zout en licht uitdooft, worden we nutteloos.

***
Wij allen, gedoopten, zijn leerling- missionarissen en we zijn geroepen in de wereld een levend evangelie te worden: door een heilig leven zullen we ‘smaak’ geven aan de verschillende milieus en ze behoeden voor bederf, zoals zout doet. En door het getuigenis van echte naastenliefde zullen we er het licht van Christus brengen.

***
We moeten bidden dat veel jongeren ”ja” zeggen tot de Heer als Hij hen roept, zich geheel aan Hem toe te wijden om hun broeders belangeloos te dienen en hun leven aan de dienst van God en de broeders te wijden.

***
Godgewijde mannen en vrouwen vormen een getuigenis dat God goed en barmhartig is. Daarom dienen we de ervaringen van godgewijd leven met dankbaarheid te waarderen en de verschillende charisma’s en spiritualiteiten dieper te leren kennen.

***
Elke godgewijde persoon is een gave voor het Volk van God onderweg. Er is een grote nood aan dergelijke mensen die zich met nieuwe kracht inzetten om het evangelie te verspreiden.

***
Als iemand van jullie de Heer tegen zich hoort zeggen “volg Me”, wees dan moedig en ga met hem mee. De Heer stelt je nooit teleur.

***
De Heer komt langs de straten van ons dagelijks leven. Ook vandaag, op dit ogenblik, hier, loopt Hij over dit plein. Hij roept ons om met Hem mee te gaan, om met Hem voor het Rijk van God te werken.

***
Niet slechts begint Jezus zijn zending vanuit ergens in de marge, maar ook bij mensen die, zo kun je stellen, men “met een laag profiel” zou noemen. Om zijn eerste leerlingen en toekomstige apostelen te kiezen, richt Hij zich tot bescheiden en eenvoudige mannen die zich vol ijver voorbereiden op de komst van het Rijk van God.

***
Jezus leert ons dat de Goede Boodschap die Hij brengt niet aan slechts een deel van de mensheid is voorbehouden, maar aan allen moet worden meegedeeld. Het is een blijde aankondiging voor allen die haar verwachten, maar ook voor allen die misschien niets meer verwachten en niet eens meer de kracht hebben om te zoeken en te vragen.

***
Leerlingen van het Lam zijn betekent: niet leven als een belegerde burcht, maar als een stad op de berg, open, gastvrij, solidair. Het wil zeggen: geen houding van geslotenheid aannemen, maar aan allen het evangelie aanbieden, door met ons leven te getuigen dat het volgen van Jezus ons vrijer en vreugdevoller maakt.

***
Wat betekent het voor de Kerk, voor ons, vandaag, leerlingen te zijn van Jezus, het Lam van God? Het betekent: onschuld in plaats van boosaardigheid te stellen, liefde in plaats van geweld, nederigheid in plaats van hoogmoed, en dienstbaarheid in plaats van prestige.

***
Wij leven in een informatiemaatschappij die ons zonder onderscheid verzadigt van gegevens, alle op hetzelfde niveau, en ons uiteindelijk brengt tot een verschrikkelijke oppervlakkigheid op het ogenblik van het aanpakken van de morele kwesties. Dientengevolge wordt een opvoeding noodzakelijk die kritisch leert denken en een traject biedt van rijping in de waarden.

***
In de heersende cultuur wordt de eerste plaats ingenomen door hetgeen uiterlijk is, direct, zichtbaar, snel, oppervlakkig, voorlopig. De werkelijkheid maakt plaats voor de schijn.

***
De cultuur van het welzijn verdooft ons en wij verliezen onze kalmte, als de markt ons iets biedt dat wij nog niet hebben gekocht, terwijl al deze levens die door gebrek aan mogelijkheden zijn geknot, ons een puur schouwspel lijken dat ons op geen enkele wijze stoort.

***
Bijna zonder het te merken worden wij onbekwaam om medelijden te voelen ten overstaan van de smartelijke kreet van de ander, wij huilen niet meer ten overstaan van het drama van de ander en het interesseert ons ook niet meer zorg te dragen voor hen, alsof alles een verantwoordelijkheid was die ons vreemd is en ons niet toekomt.

***
Ik hoop dat we meer dan door de angst om fouten te maken worden bewogen door de angst ons op te sluiten in de structuren die ons een valse bescherming bieden, in de normen die ons veranderen in onverzoenlijke rechters, in de gewoonten waarbij wij ons gerust voelen.

***
Als iets ons heilig moet verontrusten en ons geweten zorgen moet baren, dan is dat het feit dat zovelen van onze broeders en zusters zonder de kracht, het licht en de troost van de vriendschap met Jezus Christus leven, zonder een geloofsgemeenschap die hen ontvangt, zonder een horizon van zin en leven.

***
Ik wil geen Kerk die zich erom bekommert het middelpunt te zijn en uiteindelijk opgesloten raakt in een wirwar van obsessies en procedures.

***
Ik geef de voorkeur aan een Kerk die gekneusd, gewond en vuil is, omdat zij langs de straten is uitgetrokken, boven een Kerk die ziek is, omdat zij gesloten is en uit gemakzucht zich vastklampt aan eigen zekerheden.

***
Vandaag en altijd zijn de armen de bevoorrechte ontvangers van het evangelie, en de evangelisatie die belangeloos op hen is gericht, is een teken van het Rijk dat Jezus is komen brengen. Men moet zonder omhaal van woorden zeggen dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen ons geloof en de armen. Laten wij hen nooit alleen.

***
De Kerk is geroepen altijd het open huis van de Vader te zijn. Een van de concrete tekenen van dit open zijn is overal kerken met een open deur te hebben.

***
Uitgaan naar de anderen om de menselijke randgebieden te bereiken wil niet zeggen zonder richting en zonder zin op de wereld af snellen.

***
In haar voortdurende onderscheiding kan de Kerk ook ertoe komen eigen gewoonten te herkennen die niet direct verbonden zijn met de kern van het evangelie, waarvan de boodschap gewoonlijk niet op de juiste wijze wordt waargenomen. Laten wij niet bang zijn deze te herzien.

***
Het geloof behoudt altijd een aspect van het kruis, enige duisterheid die geen afbreuk doet aan de vastberadenheid om erin toe te stemmen niet wegneemt. Er zijn dingen die men alleen begrijpt en waardeert uitgaande van deze instemming, die verwant is met de liefde, uitstijgend boven de duidelijkheid waarmee men de redenen en de argumenten ervan kan begrijpen.

***
Met de heilige bedoeling hun de waarheid over God en het menselijk wezen mee te delen geven wij hun bij sommige gelegenheden een valse god of een menselijk ideaal dat niet werkelijk christelijk is. Zo zijn wij trouw aan een formulering, maar brengen wij het wezen niet over. Dat is het ernstigste risico.

***
Soms is bij het horen van een volledig orthodox taalgebruik dat wat de gelovigen meekrijgen op grond van het taalgebruik dat zij gebruiken en begrijpen, iets dat niet beantwoordt aan het ware evangelie van Jezus Christus.

***
Laten wij eraan denken dat de uitdrukkingsvorm van de waarheid vele gestalten kan aannemen en de vernieuwing van de uitdrukkingsvormen noodzakelijk wordt om aan de mens van vandaag de evangelische boodschap in haar onveranderlijke betekenis door te geven.

***
Het evangelie nodigt vóór alles ertoe uit een antwoord te geven aan God, die ons liefheeft en die ons redt, door Hem in de ander te herkennen en buiten zichzelf te treden om het welzijn van allen te zoeken. Deze uitnodiging moet in geen enkele omstandigheid worden versluierd! Alle deugden staan ten dienste van dit antwoord van liefde.

***
Er bestaat in de katholieke leer wegens het verschil in verhouding tot het fundament van het christelijk geloof, een rangorde of, beter gezegd, hiërarchie van waarheden. Dit geldt zowel voor de dogma’s van het geloof, als voor het geheel van het onderricht van de Kerk, daarbij inbegrepen het morele onderricht.

***
Alle geopenbaarde waarheden komen voort uit dezelfde goddelijke bron en worden geloofd met hetzelfde geloof, maar sommige hiervan zijn belangrijker om directer de kern van het evangelie tot uitdrukking te brengen.

***
Wanneer men zich een pastoraal doel stelt en een missionaire stijl aanneemt die werkelijk allen zonder uitzondering of uitsluiting bereikt, dan concentreert de verkondiging zich op het wezenlijke, op hetgeen het mooist, het grootst, het aantrekkelijkst en tegelijkertijd het noodzakelijkst is.

***
Wij moeten dus realistisch zijn en het niet als vanzelfsprekend beschouwen dat onze gesprekspartners de volledige achtergrond kennen van hetgeen wij zeggen, of dat zij ons betoog in verband kunnen brengen met de essentiële kern van het evangelie die daaraan zin, schoonheid en aantrekkingskracht verleent.

***
Een bepalen van de doeleinden zonder een passend gemeenschappelijk zoeken naar de middelen om ze te bereiken is gedoemd zich te vertalen in pure fantasie.

***
Ik nodig allen uit moedig en creatief te zijn in deze taak de doelstellingen, structuren, stijl en methoden van evangelisatie van de eigen gemeenschap opnieuw te overdenken.

***
De pastoraal in missionair opzicht vereist van het gemakzuchtige pastorale criterium van “men heeft het altijd zo gedaan” af te stappen.

***
Een buitensporige centralisatie maakt, in plaats van te helpen, het leven van de Kerk en haar missionaire dynamiek moeilijk.

***
Ook het pausdom en de centrale structuren van de universele Kerk hebben er behoefte aan te luisteren naar de oproep tot een nieuwe pastorale opzet.

***
De bisschop moet de missionaire gemeenschap altijd bevorderen in zijn Kerk. Daarom zal hij soms vooropgaan om de weg te wijzen, dan weer zal hij eenvoudigweg te midden van allen staan en in enkele omstandigheden zal hij achter zijn volk aan moeten lopen, omdat de kudde zelf een eigen speurzin heeft om nieuwe wegen te vinden.

***
Het is zeer heilzaam dat de andere kerkelijke instellingen, basisgemeenschappen en kleine gemeenschappen, bewegingen en andere vormen van vereniging niet het contact verliezen met de parochie ter plaatse en dat zij integreren in de organische pastoraal van de particuliere Kerk. Dit integreren zal vermijden dat zij alleen maar blijven steken bij een gedeelte van het evangelie en de Kerk of dat zij veranderen in nomaden zonder wortels.

***
De parochie is een gemeenschap van gemeenschappen, een heiligdom waar de dorstigen komen drinken om verder te gaan op de weg, en een centrum van voortdurende missionaire uitzending.

***
De parochie is geen structuur in verval: ze is een kerkelijke aanwezigheid in het gebied, een omgeving waar naar het Woord wordt geluisterd, van groei van het christelijk leven, van dialoog, van verkondiging, van edelmoedige naastenliefde, van aanbidding en viering.

***
De hervorming van de structuren eist dat zij alle meer missionair worden, dat de gewone pastoraal op ieder niveau expansiever en opener is, dat zij degenen die in de pastoraal werkzaam zijn, een voortdurende houding van erop uitgaan doet aannemen en zo het positieve antwoord begunstigt van al degenen aan wie Christus zijn vriendschap aanbiedt.

***
Er zijn kerkelijke structuren die een evangeliserende dynamiek kunnen beïnvloeden; eveneens kunnen goede structuren nuttig zijn, wanneer er leven is dat hen bezielt, hen ondersteunt en hen beoordeelt. Zonder nieuw leven en een authentieke evangelische geest, zonder trouw van de Kerk aan haar eigen roeping, ontaardt iedere nieuwe structuur binnen korte tijd.

***
De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.

***
Een leerling weet zijn hele leven aan te bieden en het tot aan het martelaarschap toe op het spel te zetten als getuigenis van Jezus Christus, maar zijn droom is het niet overal vijanden te maken, maar veeleer dat het Woord wordt aangenomen en zijn bevrijdende en vernieuwende kracht openbaart.

***
Een evangeliserende gemeenschap let altijd op de vruchten, omdat de Heer wil dat zij vruchtbaar is. Zij zorgt voor het graan en verliest haar gemoedsrust niet door het onkruid.

***
Een evangeliserende gemeenschap stelt zich beschikbaar om te begeleiden. Zij begeleidt de mensheid in al haar processen, hoe moeilijk die ook mogen zijn en hoe lang die ook mogen duren. Zij kent het lange wachten en de apostolische verdraagzaamheid. Evangelisatie gebruikt veel geduld en vermijdt het geen rekening te houden met grenzen.

***
De evangeliserende gemeenschap neemt door werken en gebaren een plaats in het dagelijks leven van de anderen, verkort de afstanden, verlaagt zich, indien nodig, tot vernedering en aanvaardt het menselijk leven door het lijdend vlees van Christus in het volk aan te raken.

***
De evangeliserende gemeenschap ervaart dat de Heer het initiatief heeft genomen, haar in de liefde is voorafgegaan (vgl. 1 Joh. 4, 10) en daarom weet zij de eerste stap te zetten, weet zij zonder vrees het initiatief te nemen, tegemoet te gaan, hen die ver zijn, te zoeken en te komen naar de kruispunten van de wegen om degenen die worden uitgesloten, uit te nodigen.

***
Trouw aan het voorbeeld van de Meester, is het van vitaal belang dat de Kerk vandaag erop uitgaat om het evangelie aan allen te verkondigen, op alle plaatsen, bij alle gelegenheden zonder talmen, zonder afkeer en zonder vrees.

***
Het Woord heeft een potentieel in zich dat wij niet kunnen voorzien. Het evangelie spreekt van een zaad dat, eenmaal gezaaid, vanzelf groeit, ook wanneer de landbouwer slaapt (vgl. Mc. 4, 26-29). De Kerk moet deze ongrijpbare vrijheid van het Woord aanvaarden, dat op zijn manier en in zeer verschillende vormen doeltreffend is, die zodanig zijn dat zij vaak onze voorspellingen te boven gaan en onze schema’s doorbreken.

***
De vreugde van het evangelie, die het leven vult van de gemeenschap van de leerlingen, is een missionaire vreugde.

***
Iedere christen en iedere gemeenschap zal onderscheiden wat de weg is die de Heer vraagt, maar wij worden allen uitgenodigd deze oproep te aanvaarden: uit de eigen gemakzucht naar buiten te treden en de moed te hebben naar alle randgebieden te gaan die behoefte hebben aan het licht van het Evangelie.

***
Het is noodzakelijk dat men van een louter behoudende pastoraal overgaat op een beslist missionaire pastoraal.

***
De christenen hebben de plicht Jezus Christus te verkondigen zonder iemand uit te sluiten, niet als iemand die een nieuwe verplichting oplegt, maar als iemand die een vreugde deelt, wijst op een mooie horizon, een begerenswaardig gastmaal aanbiedt. De Kerk groeit niet door proselitisme, maar “door aantrekkingskracht”.

***
Een gelovige is fundamenteel “iemand die herinnert”.

***
De evangeliserende vreugde straalt altijd op de achtergrond van de dankbare herinnering: het is een genade waarom wij moeten vragen. De apostelen vergaten nooit het ogenblik waarop Jezus hun hart raakte: “Het was ongeveer het tiende uur” (Joh. 1, 39).

***
De ware nieuwheid is die welke God zelf op mysterieuze wijze tot stand wil brengen, die welke Hij ingeeft, die welke Hij teweegbrengt, die welke Hij richting geeft en op duizend wijzen begeleidt.

***
Telkens wanneer wij trachten naar de bron terug te keren en de oorspronkelijke frisheid van het evangelie terug te krijgen, verschijnen er nieuwe wegen, creatieve methoden, andere uitdrukkingsvormen, sprekendere tekenen, woorden die vol zijn van een vernieuwde betekenis voor de huidige wereld.

***
Christus is het “eeuwig evangelie” (Apok. 14, 6) en Hij is “dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid” (Heb. 13, 8), maar zijn rijkdom en zijn schoonheid zijn onuitputtelijk. Hij is altijd jong en een voortdurende bron van nieuwheid.

***
Moge de nu eens angstige, dan weer hoopvol zoekende wereld van onze tijd de Blijde Boodschap ontvangen, niet van bedroefde, ontmoedigde, ongeduldige en angstige verkondigers van het evangelie, maar van dienaren van het evangelie wier leven vurigheid uitstraalt, die als eersten in zichzelf de vreugde van Christus hebben ontvangen.

***
Een verkondiger van het evangelie zou niet voortdurend een begrafenisgezicht moeten hebben.

***
Wanneer de Kerk oproept tot evangeliserende inzet, doet zij niets anders dan de christenen te wijzen op de ware dynamiek van de persoonlijke verwezenlijking: “Hier ontdekken wij een andere diepe wet van de werkelijkheid: het leven groeit en rijpt in de mate waarin wij het geven voor het leven van anderen. Dit is uiteindelijk de zending”.

***
Het aanbod is leven op een hoger niveau, maar niet minder intens: “Het leven wordt sterker door het te geven en het verzwakt in isolement en gemak. Immers, wie het meest de mogelijkheden van het leven uitbuiten, zijn zij die de veilige oever verlaten en hartstocht opvatten voor de zending om de anderen het leven mee te delen”.

***
Het goede streeft er altijd naar zich mee te delen. Iedere authentieke ervaring van waarheid en schoonheid zoekt uit zichzelf haar verspreiding en iedere persoon die een diepe bevrijding beleeft, krijgt een grotere gevoeligheid voor de noden van anderen. Door het mee te delen schiet het goede wortel en ontwikkelt het zich.
 
***
Ik zal niet moe worden de woorden van Benedictus XVI te herhalen die ons naar het middelpunt van het evangelie voeren: “Aan het begin van het christen zijn staat niet een ethische beslissing of hoogstaand idee, maar de ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft”.

***
Ik begrijp de mensen die neigen tot droefheid door de grote moeilijkheden die zij moeten lijden, maar beetje bij beetje moet men het toelaten dat de vreugde van het geloof begint te ontwaken, zoals een geheim, maar vast vertrouwen, ook te midden van de ergste nood.

***
Er zijn Christenen die een levensstijl van een Veertigdagentijd zonder Pasen lijken te hebben.

***
Laten wij niet wegvluchten van de verrijzenis van Jezus, laten wij ons nooit gewonnen geven, wat er ook gebeurt. Moge niets sterker zijn dan zijn leven dat ons voortdrijft!

***
Wie het waagt, die stelt de Heer niet teleur, en wanneer iemand een kleine stap naar Jezus toe doet, ontdekt hij dat Hij reeds op zijn komst met open armen wachtte.

***
Wanneer het innerlijk leven zich opsluit in eigen belangen, is er geen ruimte meer voor de ander, komen de armen niet meer binnen, luistert men niet meer naar de stem van God, geniet men niet meer van de zoete vreugde van zijn liefde, klopt het enthousiasme van het goede te doen niet meer.

***
Het grote gevaar van de huidige wereld, met haar veelsoortig en overstelpend aanbod aan consumptieartikelen, is een individualistische treurigheid die voortkomt uit een gemakzuchtig en hebzuchtig hart, uit een ziekelijk zoeken naar oppervlakkige genoegens, uit een geïsoleerd geweten.

***
De vreugde van het evangelie vervult het hart en het hele leven van hen die Jezus ontmoeten. Zij die zich laten redden door Hem, worden bevrijd van de zonde, het treurigheid, de innerlijke leegte, het isolement. Met Jezus Christus wordt de vreugde altijd geboren en herboren.

***
De beproevingen en de moeilijkheden maken deel uit van een groter plan. De Heer, de meester van de geschiedenis, leidt alles tot zijn voltooiing. Niettegenstaande de wanorde en de rampen die de wereld in verwarring brengen, zal het plan van Gods goedheid en barmhartigheid zich voltrekken! En dit is onze hoop.

***
De tegenspoed die ons overkomt omwille van ons geloof en van onze gehechtheid aan het evangelie, zijn gelegenheden om getuigenis af te leggen. Ze moeten ons niet van de Heer vervreemden, maar moeten ons er toe brengen ons nog meer toe te vertrouwen aan Hem, aan de kracht van zijn Geest en van zijn genade.

***
De Heer helpt ons ook geen angst te hebben: voor oorlogen, voor omwentelingen en ook niet voor natuurrampen, voor epidemieën. Jezus bevrijdt ons van fatalisme en valse apocalyptische visioenen.

***
Ook vandaag zijn er inderdaad valse "redders", die pogen de plaats van Jezus in te nemen: leaders van deze wereld, goeroes, tovenaars ook, personages die de geesten en de harten, vooral van de jongeren, naar zich willen trekken. Jezus waarschuwt ons: "Loopt niet achter hen aan!".

***
Indien God trouw is en liefheeft, kan Hij dat niet zijn voor een beperkte tijd: trouw is eeuwig, zij kan niet veranderen. De liefde van God is eeuwig, zij kan niet veranderen! Hij is voor altijd trouw en wacht op ons, op ieder van ons, Hij vergezelt ieder van ons met deze eeuwige trouw.

***
Vóór ons bevindt zich de God van de levenden, de God van het verbond, de God die mijn naam draagt, onze naam. ... Vóór ons ligt de definitieve nederlaag van de zonde en de dood, het begin van een nieuwe tijd van vreugde en licht zonder einde.

***
Jezus zegt dat onze pelgrimstocht van de dood naar het leven gaat: het volle leven! Wij zijn op weg, op pelgrimstocht naar het volle leven en dat volle leven verlicht onze weg! Bijgevolg ligt de dood achter ons, achter onze rug, niet vóór ons.

***
Indien wij slechts met een menselijke blik kijken, zijn wij geneigd te zeggen dat de weg van de mens van het leven naar de dood gaat. Dat zie je. Doch dat is slechts zo als men met menselijke ogen kijkt.

***
Het is niet dit leven dat de referentie is voor de eeuwigheid, voor het andere leven dat ons wacht, maar het is de eeuwigheid - dat leven - dat licht en hoop geeft aan het aardse leven van ieder van ons.

***
Het leven dat God voor ons bereidt is niet eenvoudigweg een verfraaiing van het huidige leven: het overtreft onze verbeelding, want God verrast ons voortdurend met zijn liefde en met zijn barmhartigheid.

***
In het diepste van ons hart horen we de stem van Jezus die ons zegt: “Vandaag moet ik in jouw huis te gast zijn”, dat wil zeggen, in je hart, in je leven. En laten we Hem met vreugde ontvangen: Hij kan ons veranderen, Hij kan ons hart van steen omvormen tot een hart van vlees. Hij kan ons bevrijden van het egoïsme en van ons leven een geschenk van liefde maken.

***
“God herinnert”, altijd, Hij vergeet niemand van alle die door Hem zijn geschapen. Hij is de Vader die waakzaam en liefdevol wacht tot Hij in het hart van het kind het verlangen van de terugkeer naar huis ziet ontwaken.

***
Er bestaat geen beroep, geen sociale afkomst, er bestaat geen zonde of misdaad van welke soort dan ook die uit het geheugen en uit het hart van God ook maar een van zijn kinderen zou kunnen wissen.

***
Onze vreugde is Jezus Christus, zijn trouwe onuitputtelijke liefde! Daarom, waanneer een christen triest wordt, betekent het dat hij zich van Jezus verwijderd heeft.

***
De christelijke vreugde, zoals de hoop, heeft haar grondslag in de trouw van God, in de zekerheid dat Hij altijd zijn beloften getrouw is.

***
Hoe groot onze grenzen en onze verwarringen ook zijn, het is ons niet toegestaan lamlendig en wankel te zijn tegenover de moeilijkheden en tegenover onze eigen zwakheden.

***
De vreugde van het evangelie is echter niet gelijk welke vreugde. Ze vindt haar reden in het zich aanvaard en bemind weten door God.

***
De Kerk is geen toevluchtsoord voor trieste mensen, de Kerk is het huis van de vreugde!

***
We zijn geroepen op weg te gaan om steeds dieper door te dringen in het mysterie van Gods liefde, dat ons te boven gaat en ons in staat stelt met innerlijke rust en vreugde te leven.

***
Het geloof is met Jezus de weg gaan; het is een tocht die een leven lang duurt. Op het einde zal er de definitieve ontmoeting zijn. Zeker, op sommige ogenblikken tijdens deze tocht voelen we ons moe en verward. Het geloof geeft ons echter de zekerheid van de voortdurende aanwezigheid van Jezus in elke situatie, ook in de meest pijnlijke of onbegrijpelijke.

***
Wanneer de ontmoeting plaats heeft is het nooit een vluchtige ontmoeting want God wil lang bij ons blijven. God haast zich om ons te ontmoeten, maar nooit heeft Hij haast om ons te verlaten. Hij blijft bij ons. Zoals wij naar Hem verzuchten en naar Hem verlangen, zo ook verlangt Hij bij ons te blijven.

***
God wacht niet om hem te zoeken: meteen gaat Hij op zoek. Onze Vader is een geduldige zoeker! Hij gaat voor ons uit en wacht altijd op ons. Hij wordt het niet moe op ons te wachten. Hij gaat niet van ons weg, maar heeft het geduld om het gunstige moment af te wachten voor de ontmoeting met ieder van ons.

***
In de Bijbel is het altijd God die als eerste het initiatief neemt om de mens te ontmoeten: Hij is het die de mens zoekt. En gewoonlijk zoekt Hij hem precies op het ogenblik dat de mens de bittere en tragische ervaring opdoet, God te verraden en Hem te ontvluchten.

***
Als de dorst naar de levende God begint te tanen, loopt het geloof gevaar, gewoonte te worden, loopt het gevaar uit te doven als een vuur dat niet meer opgerakeld wordt. Loopt het gevaar “ranzig” te worden, “zinloos”.

***
Ik denk wel eens: weten wij nog te wachten op de morgen van de Heer? Of willen wij het heden? De morgen van de Heer is voor Maria de dageraad van de morgen van Pasen, van die eerste dag van de week.

***
De liturgie van het martelaarschap van Stefanus voert ons terug tot de echte betekenis van de Menswording, door Betlehem met Calvarië te verbinden en ons eraan te herinneren dat de goddelijke redding de strijd tegen de zonde meebrengt en gaat via de nauwe deur van het Kruis. Dit is de weg die Jezus duidelijk zijn leerlingen gewezen heeft zoals blijkt uit het evangelie van deze dag: "Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam. Wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden" (Mt 10, 22).

***
In het martelaarschap van Stefanus herhaalt zich dezelfde botsing tussen goed en kwaad, tussen haat en vergiffenis, tussen mildheid en geweld, die haar hoogtepunt in het Kruis van Christus heeft bereikt. De gedachtenis aan de eerste martelaar helpt zo, onmiddellijk, een vals beeld van Kerstmis oplossen: het fabelachtige, mierzoete beeld, dat in het evangelie niet bestaat!

***
Wanneer men in een gezin niet opdringerig is en ‘mag ik’ vraagt, wanneer men in een gezin niet egoïstisch is en ‘dank je wel’ zegt, en wanneer iemand in een gezin beseft dat hij iets slechts heeft gedaan en zijn verontschuldigingen aanbiedt, dan heerst er vrede in dat gezin en is er vreugde.

***
De hoop van de Maagd wankelt nooit! Vrouw van de hoop is zij. Dat zegt ons dat de hoop zich voedt met luisteren, met beschouwing, met geduld, tot de tijd van de Heer rijp zal zijn. Ook bij de bruiloft van Cana is Maria de moeder van de hoop, die haar vol aandacht en zorg doet zijn voor de belangen van de mensen.

***
Bethlehem blijft altijd Bethlehem. God is op een specifiek moment en in een specifiek land gekomen, en daar is de tederheid van God, de genade van God verschenen. We kunnen niet aan Kerstmis denken zonder aan het Heilig Land te denken.

***
God is geduldig, en de vrede, de sereniteit van de Kerstnacht is een weerspiegeling van het geduld dat God met ons heeft.

***
God geeft nooit een geschenk aan wie niet in staat is het te ontvangen. Als Hij ons het geschenk van Kerstmis geeft is het omdat wij allen in staat zijn het te begrijpen en te ontvangen. Iedereen, van de grootste heilige tot de grootste zondaar, van de meest zuivere mens, tot de meest corrupte. Ook wie corrupt is, is daartoe in staat: bij zo’n arme ziel is die capaciteit misschien een beetje gaan roesten, maar toch is ook hij ertoe in staat.

***
Kerstmis was geen aanklacht tegen het sociale onrecht, tegen de armoede, maar het was een aankondiging van vreugde. Al het overige zijn conclusies die wij trekken.

***
God werd een kind dat helemaal afhankelijk was van de zorg van een vader en een moeder. Daarom geeft Kerstmis ons zoveel vreugde. We voelen ons niet meer alleen, God is neergedaald om bij ons te zijn. Jezus is één van ons geworden en heeft op het kruis voor ons de meest wrede dood geleden, die van een misdadiger.

***
Het verontrust me als christenen de hoop verliezen en niet meer kunnen omarmen en liefkozen. Misschien dat ik daarom met het oog op de toekomst vaak spreek over kinderen en ouderen, dat wil zeggen, over degenen die het meest kwetsbaar zijn.

***
De boodschap van Kerstmis is een boodschap van tederheid en van hoop. Als God ons ontmoet zegt Hij ons twee dingen. Allereerst: wees hoopvol. God doet altijd open, Hij doet de deur nooit dicht. Ten tweede: wees niet bang voor tederheid.

***
Indien God zich door Jezus zo voor de mens geëngageerd heeft dat Hij één van de onzen werd, wil dat zeggen dat al wat wij zullen gedaan hebben voor een broeder of zuster, aan Hem gedaan is.

***
Indien God zich met Kerstmis niet openbaart als iemand die het heelal van uit den hoge overheerst, maar als Degene die zich verlaagt en neerdaalt op aarde, arm en klein, betekent dit dat wij, om op Hem te gelijken, ons niet boven de anderen mogen plaatsen doch ons integendeel moeten verlagen, dienstbaar zijn, ons klein maken met de kleinen en arm met de armen.

***
De geboorte van Jezus is de manifestatie van God die zich eens en voor altijd aan de kant van de mens heeft geplaatst om ons te redden, ons op te richten uit het stof van onze ellende, onze moeilijkheden, onze zonden.

***
Maria wist niet hoe zij moeder kon worden, maar ze vertrouwde zich totaal toe aan het mysterie dat zich zou gaan voltrekken, en ze werd de vrouw van de verwachting en van de hoop.

***
Al voordat Maria Jezus het levenslicht schenkt, grondt zij met Hem een band van verwantschap: ze wordt leerlinge en moeder van haar Zoon op het ogenblik dat ze de woorden van de Engel aanneemt en zegt: “Zie de dienstmaagd des Heren: mij geschiede naar uw woord!” (Lc 1, 38).

***
De heiligen richten een boodschap tot ons. Zij zeggen ons: heb vertrouwen in de Heer, want de Heer stelt niet teleur! De heiligen moedigen ons aan, niet bang te zijn om tegen de stroom in te gaan, om niet begrepen of belachelijk gemaakt te worden, wanneer wij over Hem en het evangelie spreken; zij tonen ons met hun leven dat wie trouw blijft aan God en Zijn woord, reeds op deze aarde de troost van Zijn liefde ervaart en in de eeuwigheid het honderdvoud.

***
Het Koninkrijk der hemelen is voor hen die hun zekerheid niet zoeken in dingen, maar in Gods liefde; voor wie een eenvoudig, nederig hart heeft, niet meent rechtvaardig te zijn en de anderen niet veroordeelt, voor hen die kunnen lijden met wie lijdt en zich verheugen met wie in vreugde is, die niet gewelddadig zijn doch barmhartig en die proberen verzoening en vrede te bewerken.

***
Heilig zijn is niet het voorrecht van slechts enkelen, als iemand die een grote erfenis krijgt; bij het doopsel kregen wij allemaal de erfenis, heiligen te kunnen worden. Heiligheid is een roeping voor iedereen. Wij zijn dus allemaal geroepen om de weg van de heiligheid te gaan en deze weg heeft een naam, een gelaat: het gelaat van Jezus Christus.

***
Heiligen zijn geen supermensen en ze werden niet als volmaakten geboren. Het zijn mensen die, voordat zij de glorie van de hemel bereikten, een normaal leven hebben geleid met zijn vreugde en verdriet, inspanning en hoop. Toen zij Gods liefde hadden leren kennen, zijn zij Hem met heel hun hart gevolgd, onvoorwaardelijk en zonder schijnheiligheid.

***
De heilige Paulus heeft het geloof bewaard omdat hij het heeft doorgegeven zoals hij het ontvangen had, hij trok de verre randgebieden in, zonder zich te verschansen in verdedigende opstellingen.

***
De heilige Paulus heeft zich vastberaden verzet tegen hen die de boodschap van Christus wilden conserveren, laten verstarren, binnen de grenzen van Palestina. Om die reden heeft hij moedige keuzen gemaakt, is naar vijandig gebied getrokken, heeft hij zich laten uitdagen door hen die veraf waren, door andere culturen. Hij heeft vrijmoedig gesproken, zonder angst.

***
De apostel Paulus maakt aan het eind van zijn leven een fundamentele balans op en zegt: “Ik heb het geloof bewaard” (2 Tim. 4, 7). Maar hoe heeft hij het bewaard? Niet in een brandkast! Hij heeft het niet in de grond gestopt, zoals die wat luie knecht. De heilige Paulus vergelijkt zijn leven met een gevecht en een wedloop. Hij heeft geloof bewaard omdat het hem niet genoeg was het te verdedigen. Hij heeft het verkondigd, hij heeft het uitgestraald, hij heeft het ver uitgedragen.

***
De liefde van een bisschop: houd van de armen, van de weerlozen en van hen die opvang en hulp nodig hebben. Spoor de gelovigen aan om aan de apostolische inzet mee te werken en luister graag naar hen.

***
De liefde van een bisschop: heb al degenen die God u toevertrouwt lief, heb ze lief met de liefde van een vader en van een broer. Heb voor alles de priesters en de diakens lief. Zij zijn uw medewerkers, ze zijn voor u de meest naasten van uw naasten. Laat een priester nooit wachten; vraagt hij om een afspraak? Antwoord onmiddellijk! Wees hen nabij.

***
Wat is ons hart vol geluk, als we kunnen begrijpen dat alles gave Gods is! Dank u wel zeggen is zo makkelijk, en toch zo moeilijk! “Dank u” is een van de sleutelwoorden van het leven in gemeenschap. “Mag ik alstublieft”, “neem me niet kwalijk”, “dank u wel”. Dikwijls vinden we alles vanzelfsprekend! En dat gebeurt ook met God. Het is makkelijk om bij de Heer aan te kloppen om iets te vragen, maar hem gaan bedanken? “Ach, daar denk ik niet aan”.

***
Ik denk aan de tien melaatsen van het evangelie die door Jezus genezen werden. Het is toch wel indrukwekkend, te zien dat er een enkele rechtsomkeer maakt om God met luider stem te loven en Hem te danken. Jezus zelf merkt het op. Weten te bedanken, weten te loven om wat de Heer doet voor ons.

***
En ik vraag me af: ben ik een “gelegenheids”-christen of ben ik een christen te allen tijde? De cultuur van het voorlopige, van het betrekkelijke, dringt ook in het geloofsleven door. God vraagt ons, Hem iedere dag trouw te zijn in ons dagelijkse doen en laten. Nooit de weg van het voorlopige opgaan. Dat is dodelijk voor ons. Het geloof is definitieve trouw, zoals dat van Maria.

***
Tegenwoordig vragen we ons allemaal af of we bang zijn voor wat God ons kan vragen of voor wat Hij mij ons vraagt. Laat ik me door God verrassen of sluit ik me op in mijn materiële zekerheden, in mijn intellectuele, ideologische zekerheden, in de zekerheid van mijn plannen? Laat ik God werkelijk binnenkomen in mijn leven? Wat voor antwoord geef ik Hem?

***
Altijd verrast God ons, Hij verbreekt onze schema’s, doorkruist onze plannen, en zegt ons: vertrouw me maar, wees niet bang, laat je verrassen, kom uit je schulp en volg Mij!

***
God verrast ons; juist in de armoede, de zwakheid, in de nederigheid geeft Hij zich te kennen en schenkt Hij ons zijn liefde, die ons redt, ons geneest en ons kracht geeft. Hij vraagt alleen maar dat we zijn woord volgen en vertrouwen hebben in Hem.

***
De heilige Franciscus getuigt van eerbied voor alles, hij getuigt dat de mens geroepen is de mens te behoeden, dat de mens in het hart van de schepping moet staan, op de plaats waar God – de Schepper – hem gewild heeft. Niet een instrument van de idolen die wijzelf scheppen. Harmonie en vrede! Franciscus was een man van harmonie en vrede.

***
De Franciscaanse vrede is geen zoeterig gevoel. Zij is evenmin een soort pantheïstische harmonie met de energieën van de kosmos… De vrede van de heilige Franciscus is die van Christus en haar vindt wie Zijn “juk op zich neemt”, dat wil zeggen, zijn gebod: bemint elkaar zoals Ik u bemind heb (vgl. Gv 13, 34; 15, 12).

***
De Gekruisigde spreekt ons niet over nederlaag, niet over mislukking; paradoxaal genoeg spreekt Hij ons over een dood die leven is, die het leven voortbrengt, omdat zij ons spreekt over liefde, omdat het de Liefde is van de mens geworden God, en die Liefde sterft niet, integendeel, zij triomfeert over het kwaad en de dood.

***
De catecheet is een mens van de herinnering aan God als hij een mens is van geduld, van volharding, een mens die moeilijkheden, beproevingen, mislukkingen met gelijkmoedigheid en hoop op de Heer het hoofd weet te bieden. Als hij een zachtmoedige mens is, in staat tot begrip en medelijden.

***
De catecheet is een mens van de herinnering aan God als hij met Hem en de naaste een voortdurende, levensechte verhouding heeft. Als hij een mens is van geloof die werkelijk op God vertrouwt en die in Hem zijn zekerheid vindt. Als hij een mens is van naastenliefde, van liefde die alle mensen als zijn broeders ziet.

***
Welke weg moeten we bewandelen om geen zorgeloze personen te zijn die hun zekerheid zoeken in zichzelf en in de dingen, maar om mannen en vrouwen te zijn van de herinnering aan God? Streven naar gerechtigheid, naar godsvrucht, naar geloof, naar naastenliefde, naar geduld, naar zachtmoedigheid (vgl. 1 Tm 6, 11).

***
Wat is de Catechismus zelf anders dan de herinnering aan God? Herinnering aan zijn optreden in de geschiedenis, aan zijn ons nabij komen in Christus, aanwezig in zijn Woord, in de Sacramenten, in zijn Kerk, in zijn liefde?

***
Ik me stel de vraag: wie is de catecheet? Dat is iemand die de herinnering aan God bewaart en voedt; die deze herinnering in zichzelf koestert en weet wakker te maken in de ander. Niet om zich te laten zien, niet om over zichzelf te praten, maar om over God te spreken, over zijn liefde, over zijn trouw. Alles wat God ons geopenbaard heeft ter sprake brengen en doorgeven, dat wil zeggen geheel de leer, zonder iets weg te laten of toe te voegen.

***
Wie wind najaagt, wordt zelf wind - zegt Jeremia, een andere grote profeet (vgl. Jer 2, 5). We zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, niet naar het beeld en de gelijkenis van de dingen, van de afgoden!

***
"Wee de zorgelozen van Sion" zei de profeet. Als de herinnering aan God ontbreekt, wordt alles genivelleerd, alles wordt herleid tot het ik, tot mijn welzijn. Het leven, de wereld, de anderen verliezen hun vastheid, ze tellen niet meer mee, alles wordt tot één dimensie herleid: hebben. Als we de herinnering aan God verliezen, verliezen ook wij onze vastheid.

***
Heb oog voor het verdriet van je broeder en voeg er niet nog een ander verdriet aan toe; houd je hand terug en bouw de gebroken harmonie weer op; en doe dat niet met het conflict, maar met een ontmoeting! De oorlog betekent altijd het mislukken van de vrede, ze is altijd een nederlaag voor de mensheid.

***
Hoezeer wens ik dat allen naar het Kruis zouden kijken! Daar zien we Gods antwoord: daar wordt geweld niet beantwoord met geweld, op dood wordt niet geantwoord met de taal van de dood. In de stilte van het Kruis houdt het wapengekletter op en wordt de taal gesproken van verzoening, vergiffenis, dialoog en vrede.

***

Een menselijke persoon zijn betekent: elkaars hoeder zijn! En wanneer de harmonie integendeel wordt verbroken, volgt er een totale verandering: de broer die behoed en bemind moest worden, wordt dan de tegenstander die bestreden en uit de weg geruimd moet worden. Wat een gewelddadigheid volgt er op dat moment, hoe vele conflicten en oorlogen hebben onze geschiedenis getekend!

***
Dat is precies wat de passage van het boek Genesis waarin de zonde van de mens wordt verhaald ons duidelijk wil maken: de mens raakt in conflict met zichzelf, hij merkt dat hij naakt is en hij verbergt zich omdat hij bang is voor Gods blik; hij geeft de schuld aan zijn vrouw, die vlees is van zijn vlees; hij verbreekt de harmonie met de schepping en gaat zover dat hij zijn hand opheft tegen zijn broer om hem te vermoorden.

***
Als de mens alleen aan zichzelf denkt, aan zijn eigen belangen en zichzelf in het middelpunt plaatst, als hij zich laat bekoren door de afgoden van overheersing en macht, als hij Gods plaats inneemt, dan maakt hij alle relaties kapot, dan vernielt hij alles; en dan zet hij de deur open naar het geweld, naar de onverschilligheid en naar het conflict.

***
Het geschapene behoudt zijn schoonheid, die ons vervult met bewondering, het blijft een goed werk. Maar ook is er het geweld, de verdeeldheid, het conflict, de oorlog. Dat gebeurt wanneer de mens, dat hoogtepunt van de schepping, zijn blik afwendt van het uitzicht op schoonheid en goedheid en zich opsluit in zijn egoïsme.

***
Gods wereld is een wereld waarin iedereen zich verantwoordelijk voelt voor de ander, voor het welzijn van de ander.

***
De onrust van de liefde spoort ons altijd aan de ander tegemoet te gaan, zonder af te wachten dat die ander eerst duidelijk maakt wat hij nodig heeft. De onrust van de liefde schenkt ons de gave van de pastorale vruchtbaarheid en wij, ieder van ons, we moeten ons afvragen: hoe staat het met mijn geestelijke vruchtbaarheid, met mijn pastorale vruchtbaarheid?

***
Geloven wij in de liefde voor God en voor de anderen? Laten we de onrust voor hun noden in ons toe, of blijven we opgesloten in onszelf, in onze gemeenschappen, die voor ons heel vaak “comfortgemeenschappen” zijn? Je kunt soms in een flatgebouw wonen zonder de mens te kennen die naast je woont; of je kunt in een gemeenschap leven zonder je eigen medebroeder echt te kennen.

***
Dat is dan die onrust van de liefde: steeds, zonder respijt, uit zijn op wat goed is voor de ander, de geliefde persoon, met die intensiteit die ook tot tranen toe beweegt.

***
We kunnen onszelf afvragen: ben ik onrustig voor God, om Hem te verkondigen, Hem te doen kennen? Of laat ik me verleiden door die spirituele wereldsheid die ertoe aanzet, alles te doen ter liefde van mezelf?

***
De schat van Augustinus is juist deze houding: altijd uitgaan naar God, altijd uitgaan naar de kudde… Hij is een man die klaar staat, klaar voor deze twee manieren van uitgaan; van de liefde geen “privé-eigendom” maken… steeds onderweg blijven!

***
Augustinus laat zich door God verontrusten, hij wordt niet moe Hem te verkondigen, te evangeliseren met moed, zonder vrees, hij tracht het beeld te zijn van Jezus, de Goede Herder die zijn schapen kent (vgl. Joh. 10, 14), wat meer is, zoals ik graag herhaal, die “de geur van zijn kudde ruikt”, en erop uitgaat om de verdwaalde te zoeken.

***
De onrust van het zoeken naar de waarheid, van het zoeken naar God, wordt de onrust om Hem steeds meer te leren kennen en buiten zichzelf te treden om Hem aan de anderen te doen kennen. Het is nu juist de onrust van de liefde.

***
Ik zou willen zeggen tegen wie zich onverschillig jegens God voelt: heeft uw hart de onrust van het zoeken bewaard of heeft u dat laten verstikken door de dingen die het uiteindelijk doen verschrompelen? God wacht op u, Hij zoekt u: wat antwoordt u? Heeft u deze toestand van uw ziel opgemerkt? Of slaapt u? Gelooft u dat God op u wacht of is deze waarheid voor u alleen maar woorden?

***
Waar het Kruis is, is er voor ons christenen altijd hoop. Als er geen hoop is, zijn wij geen christenen. Daarom zeg ik graag: laat u de hoop niet ontnemen. Laten zij ons de hoop niet ontnemen, omdat die kracht een genade is, een gave van God die ons verder brengt, door de blik op de hemel te richten.

***
Schaamte brengt ons tot de nederigheid die ons iedere dag doet beseffen dat niet wij het Koninkrijk Gods opbouwen, maar dat het altijd de genade van de Heer is die in ons handelt als in aarden vaten die broos zijn, ontoereikend, ongeschikt, maar die een onmetelijke schat bevatten die wij meedragen en meedelen.

***
Vragen om de genade van de schaamte; om de schaamte die voortkomt uit een voortdurend gesprek met Hem in zijn barmhartigheid; de schaamte die ons doet blozen voor Jezus Christus; de schaamte die ons in harmonie brengt met het Hart van Christus die zich voor mij tot zonde liet worden; de schaamte die ons hart in tranen tot harmonie brengt en die ons bijblijft in het dagelijks volgen van “mijn Heer”.

***
Jezus nodigt ons ertoe uit, ons nooit over Hem te schamen, maar Hem altijd met volledige toewijding te volgen, vertrouwend op Hem en ons op Hem verlatend.

***
Ik zoek Jezus, ik dien Jezus omdat Hij mij het eerst heeft gezocht, omdat Hij mij voor zich gewonnen heeft: en dat is het hart van onze ervaring. Maar Hij is de eerste, altijd.

***
Om naar de vele randgebieden te gaan is creativiteit nodig, maar altijd in gemeenschap, binnen de Kerk, met dat behoren tot haar dat ons de moed geeft om verder te gaan. Christus dienen is deze concrete Kerk liefhebben en haar edelmoedig dienen in een geest van gehoorzaamheid.

***
Mensen zijn die in de Kerk geworteld en gegrondvest zijn: zo wil Jezus ons. Er kunnen geen parallelwegen of aparte wegen zijn. Ja, er zijn wegen van zoeken, creatieve wegen, ja, dat is belangrijk: naar de randgebieden gaan.

***
Met de centrale plaats van Christus correspondeert ook de centrale plaats van de Kerk: dat zijn twee onafscheidelijke vuurhaarden: Christus kan ik alleen maar volgen in de Kerk en met de Kerk.

***
Is voor ons, voor ons allen, de vraag vanzelfsprekend niet: is Christus het centrum van mijn leven? Stel ik Christus werkelijk in het centrum van mijn leven? Want altijd is er de bekoring, te denken dat wijzelf in het centrum staan.

***
Het gebed is de adem van het geloof: in een vertrouwensrelatie, in een liefdesrelatie mag het gesprek niet ontbreken, en het gebed is het gesprek van de ziel met God.

***
De Boze is sluw en hij maakt ons wijs dat we met onze menselijke gerechtigheid onszelf en de wereld kunnen redden. In werkelijkheid kan alleen Gods gerechtigheid ons redden! En Gods gerechtigheid heeft zich geopenbaard in het Kruis: het Kruis is Gods oordeel over ons allen en over deze wereld.

***
Als er in ons hart geen barmhartigheid is, geen vreugde om de vergiffenis, zijn we niet met God verenigd, ook al volbrengen we alle voorschriften, want de liefde is het die redt, niet het alleen maar doen wat voorgeschreven is.

***
God vergeet ons niet, de Vader laat ons nooit in de steek. Hij is een geduldige Vader, Hij wacht altijd op ons! Hij respecteert onze vrijheid, maar Hij blijft altijd trouw. En wanneer wij tot Hem terugkeren, ontvangt Hij ons als zijn kinderen, in zijn huis, want Hij houdt nooit, zelfs geen ogenblik, op met liefde op ons te wachten.

***
Laten we samen voortgaan op de weg van het Kruis, laten we voortgaan en in ons hart dat Woord van liefde en vergeving dragen. Laten we voortgaan en uitzien naar de Verrijzenis van Jezus, die ons zozeer liefheeft. Hij is een en al liefde.

***
Het woord van het Kruis is ook het antwoord van de christenen op het kwaad, dat in ons en om ons heen blijft doorgaan. Christenen moeten door het goede antwoorden op het kwaad, door net als Jezus het Kruis op zich te nemen.

***
Christus’ Kruis is een Woord dat liefde is, barmhartigheid, vergeving. Het is ook een oordeel: God oordeelt ons door zijn liefde. Als ik zijn liefde aanvaard, ben ik gered, als ik haar weiger ben ik veroordeeld, niet door Hem, maar door mezelf, want God veroordeelt niet, Hij doet niets anders dan liefhebben en redden.

***
Jezus’ Kruis is het Woord waarmee God antwoord geeft op het kwaad van de wereld. Soms lijkt het ons dat God niet reageert op het kwaad, dat Hij stil blijft. In werkelijkheid heeft God gesproken, Hij heeft gereageerd, en zijn antwoord is het Kruis van Christus.

***
Materiële en evenzeer geestelijke armoede bestrijden, vrede opbouwen en bruggen bouwen: dat zijn a.h.w. de richtingwijzers op de weg waartoe ik ieder van de landen die u vertegenwoordigt wil uitnodigen.

***
Er kunnen geen bruggen tussen de mensen gebouwd worden als God vergeten wordt. Maar ook het omgekeerde is waar: je kunt niet echt met God verbonden leven als je anderen links laat liggen.

***
De vrede kan geen waarachtige vrede zijn als iedereen zichzelf als maatstaf ziet, als iedereen steeds en alleen maar zijn eigen recht kan opeisen zonder zich tegelijk te bekommeren om het welzijn van de ander, van allen, vanuit de natuur die alle mensen op aarde met elkaar gemeen hebben.

***
We voelen ons dichtbij al die mannen en vrouwen staan die op zoek zijn naar de waarheid, de goedheid en de schoonheid van God, die zich inzetten om de waardigheid van de mens te verdedigen door te bouwen aan een vreedzaam samenleven tussen de volkeren en om de schepping met zorg te behoeden.

***
Wij weten wat voor geweld in de recente geschiedenis de poging om God en het goddelijke aan de horizon van de mensheid te laten verdwijnen teweeg heeft gebracht, en we kunnen zien hoe waardevol het is, in onze samenleving te getuigen van de oorspronkelijke openheid voor het transcendente, die in het hart van de mens gegrift staat.

***
We moeten in de wereld de dorst naar het absolute levend houden en niet toelaten dat een een-dimensionale visie over de mens de overhand krijgt, die vindt dat hij te herleiden valt tot wat hij produceert en tot wat hij consumeert: dat is een van de gevaarlijkste valstrikken van onze tijd.

***
We kunnen veel doen voor het welzijn van degene die armer is, die zwak is en die lijdt, om rechtvaardigheid te bevorderen, verzoening naderbij te brengen en vrede op te bouwen.

***
Laten we de barmhartige Vader vragen, dat geloof dat we op de dag van ons doopsel als geschenk ontvangen hebben, ten volle te mogen beleven en er vrij, blij en moedig van te getuigen.

***
Terwijl de Kerk zeker ook een menselijke en historische instelling is, met alles wat dat inhoudt, is zij toch niet van politieke, maar wezenlijk van geestelijke aard: ze is het Volk van God, het heilige Volk van God, dat op weg is, Christus tegemoet.

***
De christelijke waarheid is aantrekkelijk en overredend, omdat ze beantwoord aan de diepe nood van het menselijk bestaan en op overtuigende wijze verkondigt dat Christus de enige redder is van heel de mens en van alle mensen.

***
We moeten niet toegeven aan pessimisme en moedeloosheid: we zijn er vast van overtuigd dat de Heilige Geest door zijn machtige adem de Kerk de moed geeft om vol te houden en ook om te zoeken naar nieuwe methoden van evangelisatie, om het evangelie tot de uiteinden der aarde te brengen.

***
Allen moeten wij een strijd strijden die dieper gaat! Dat is het krachtige en moedige besluit, te verzaken aan het kwade en zijn verleidingen, en het goede te kiezen, bereid om onszelf niet te ontzien. Dat is nu juist wat het volgen van Christus inhoudt, dat betekent: je kruis opnemen!

***
Een leerling van Jezus ziet af van alle bezittingen omdat hij in Hem het allergrootste goed gevonden heeft, waarin ieder ander bezit zijn waarde en betekenis krijgt. Een christen maakt zich los van alles en vindt alles terug, in de logica van het evangelie, de logica van de liefde en de dienstbaarheid.

***
Jezus wil niemand misleiden. Hem volgen betekent niet: in een triomftocht meelopen! Jezus werk is juist een werk van barmhartigheid, van vergeving, van liefde dat door het kruis heengaat. Dat werk wil Jezus niet op zijn eentje volbrengen: Hij wil ons ook laten delen in de missie die de Vader Hem heeft toevertrouwd.

***
Zeker, de poort van Jezus is nauw, want Hij vraagt ons de poort van ons hart voor Hem open te doen, te erkennen dat wij zondaars zijn die zijn redding nodig hebben. Jezus zegt ons in het evangelie dat christen zijn niet betekent een “etiketje” dragen! Christenen in waarheid, van harte. Heel ons leven moet door die nauwe poort gaan die Christus is.

***
En zie, Jezus antwoordt op die vraag door te zeggen: “Doe uw best, binnen te gaan door de nauwe poort, want velen zullen proberen binnen te komen, maar ze zullen daar niet in slagen” (Lc 13, 24). Wat bedoelt Jezus? Wat is die poort waardoor we binnen moeten gaan? En waarom spreekt Jezus over een nauwe poort?

***
De evangelist Lucas vertelt dat onderweg iemand naar Hem toe kwam en Hem vroeg: “Heer, zijn het er maar weinig, die gered worden?” (13, 23). Jezus antwoordt niet rechtstreeks op die vraag: het is niet belangrijk om te weten hoevelen er gered worden, maar veeleer, te weten wat de weg is naar de redding.

***
Jezus volgen houdt in: verzaken aan het kwade, aan het egoïsme, en kiezen voor het goede, voor de waarheid, de gerechtigheid, ook wanneer dat een offer vraagt en afzien van eigen belangen. En dat, ja dat verdeelt. Hij bepaalt het criterium. Zie, in deze zin is Jezus “teken van tegenspraak” (Lc 2, 34).

***
Jezus zegt: Ik ben verdeeldheid komen brengen; niet dat Jezus de mensen onderling wil verdelen, integendeel: Jezus is onze vrede, Hij is onze verzoening! Maar die vrede is niet de vrede van het graf, ze is geen neutraliteit, Jezus brengt geen neutraliteit, deze vrede is geen compromis ten koste van alles.

***
Het geloof houdt in: God kiezen als basis-criterium van het leven, en God is niet leeg, God is niet neutraal, God is altijd positief, God is liefde, en de liefde is positief!

***
Het geloof is niet een sierstuk, iets decoratiefs; leven volgens het geloof is niet het leven met wat godsdienstigs versieren, zoals je een taartje met room versiert.

***
Toen Maria de genade had ontvangen, de Moeder te mogen zijn van het mensgeworden Woord, heeft zij dat geschenk niet voor zichzelf gehouden. Dat is ons voorbeeld. Zij die de allerkostbaarste gave had gekregen van God, gaat als eerste antwoord-gebaar dienen en Jezus brengen.

***
Bij een christen mogen de daden van dienstbaarheid en naastenliefde nooit worden losgemaakt van de voornaamste bron van ieder van onze daden: dat is n.l. het luisteren naar het Woord van de Heer, we moeten – net als Maria – aan Jezus’ voeten blijven in de houding van een leerling.

***
Uit de beschouwing ontstaat in ons het vermogen om te leven en anderen Gods liefde te brengen. En ons werk van liefde in de daden van barmhartigheid brengt ons ook naar de Heer, want Hem, de Heer, zien we juist in onze broeder en zuster in nood.

***
God wil voor allen altijd barmhartigheid en geen veroordeling. Hij wil dat ons hart barmhartig is, want Hij is vol erbarmen en Hij kan onze ellende, moeilijkheden en ook onze zonden goed begrijpen. Dat is nu juist wat de Samaritaan doet : hij doet helemaal Gods barmhartigheid na, de barmhartigheid voor de mens in nood.

***
Jezus wil niet alleen handelen, Hij is Gods liefde in de wereld komen brengen en wil haar verspreiden in de stijl van gemeenschap, in de stijl van broederschap. Daarom vormt Hij onmiddellijk een gemeenschap van leerlingen, die een missionaire gemeenschap is. Onmiddellijk traint Hij hen voor de missie, om te gaan.

***
Er is geen tijd te verliezen met gepraat, wij moeten niet wachten op de instemming van allen, wij moeten gaan en verkondigen. Aan allen brengen wij de vrede van Christus, en als ze die niet aanvaarden, gaan wij evengoed verder.

***
Wij moeten ons niet beroemen, alsof wij de hoofdrolspelers waren: hoofdrolspeler is er maar één, dat is de Heer! Hoofdrolspeler is de genade van de Heer! Hij is de enige hoofdrolspeler! En onze vreugde is alleen deze: zijn leerlingen, zijn vrienden te zijn.

***
Jeruzalem is het einddoel, waar Jezus zijn heilszending zal voltooien. Jezus gaat recht op zijn doel af, en tegen de mensen die Hij ontmoet en vragen hem te mogen volgen, zegt Hij ook heel duidelijk wat de voorwaarden daartoe zijn : geen vaste woonplaats hebben, zich los kunnen maken van de banden van menselijke affecties; niet toegeven aan heimwee naar het verleden.

***
Jezus zegt tot zijn leerlingen, die voor Hem uit naar Jeruzalem moeten gaan om aan te kondigen dat Hij langs zal komen, dat zij niets moeten opleggen: als ze geen bereidheid vinden om Hem te ontvangen, moeten ze verder gaan en hun weg voortzetten.

***
Jezus wil dat wij, christenen, vrije mensen zijn net zoals Hij. Jezus wil geen egoïstische christenen, die hun eigen ego volgen; Hij wil geen zwakke christenen, christenen zonder wil, geen christenen op ‘afstandbediening’, die niet in staat zijn tot creativiteit, die altijd verwijzen naar de wil van een ander. Als een christen niet met God kan spreken, God niet in zijn geweten kan horen, is hij niet vrij.

***
Wij moeten meer naar ons geweten leren luisteren. Doch opgepast! Dat betekent niet mijn eigen ik volgen, doen wat mij interesseert, wat mij goed uitkomt, wat mij bevalt … dat is het niet!

***
Het geweten is de innerlijke ruimte waar men luistert naar de waarheid, de goedheid, naar God; het is de inwendige plaats van mijn relatie met Hem die tot mijn hart spreekt en mij helpt onderscheiden, die mij helpt begrijpen welke weg ik moet gaan en die, als de beslissing eenmaal genomen is, mij helpt door te gaan, trouw te blijven.

***
Laten wij erkennen dat God niet iets vaags is, onze God is niet een spray-God, Hij is concreet, Hij is niet een abstract iemand, maar heeft een naam: “God is liefde”. Het is geen sentimentele, emotionele liefde, maar de liefde van de Vader die aan de oorsprong van elk leven staat, de liefde van de Zoon die sterft op het kruis en verrijst, de liefde van de Geest, die de mens en de wereld vernieuwt.

***
De Heilige Drie-eenheid is niet het product van menselijke redeneringen; het is het gelaat waarmee God zelf zich heeft geopenbaard, niet boven van een zetel af, maar met de mensheid optrekkend.

***
Wanneer iemand Jezus Christus werkelijk kent en in Hem gelooft, ervaart hij zijn tegenwoordigheid en de kracht van zijn verrijzenis in het leven en kan hij niet anders dan deze ervaring meedelen. En als deze persoon onbegrip of tegenspoed ontmoet, gedraagt hij zich als Jezus bij zijn lijden: hij antwoordt met de liefde en de kracht van de waarheid.

***
De Geest van de verrezen Christus verjaagt de vrees uit de harten van de apostelen en zet hen ertoe aan uit het cenakel naar buiten te gaan om het evangelie te brengen. Ook wij moeten geen angst hebben christen te zijn en als christen te leven! Wij moeten deze moed hebben te gaan en de verrezen Christus te verkondigen.

***
Christus heeft het kwaad volledig en definitief overwonnen, maar het is aan ons, de mensen van iedere tijd, deze overwinning in ons leven en in de concrete werkelijkheid van de geschiedenis en de maatschappij een plaats te geven.

***
Alles gaat via het hart van de mens: als ik mij door de genade van de verrezen Christus laat bereiken, als ik het deze mogelijk maak mij te veranderen in dat aspect van mij dat niet goed is, dat mij en anderen kwaad kan doen, dan maak ik het voor de overwinning van Christus mogelijk in mijn leven succes te hebben, haar weldoende nowerking uit te breiden.

***
God wordt nooit moe ons te vergeven, wij worden soms moe om vergiffenis te vragen. Hij is de liefdevolle Vader die altijd vergeeft, die dat hart van barmhartigheid heeft voor ons allen.

***
Vader, wij vragen u om vergeving voor degenen die zich overal in schikken en die zich opsluiten in hun eigen welvaart, dat hun hart gevoelloos maakt.

***
Wij zijn een samenleving die vergeten is wat huilen is, wat ‘mee-lijden’ is: de globalisering van de onverschilligheid heeft ons het vermogen tot huilen ontnomen!

***
De globalisering van de onverschilligheid maakt ons allen tot “naamlozen”, verantwoordelijken zonder naam en zonder gezicht.

***
De welzijns-cultuur, die ons aan onszelf doet denken, maakt ons ongevoelig voor het roepen van de anderen, en doet ons leven binnen zeepbellen die mooi zijn maar niets inhouden; ze zijn slechts de illusie van wat onbeduidend en voorlopig is, een illusie die ons onverschillig maakt voor anderen en zelfs ertoe leidt tot globalisering van onverschilligheid.

***
De droom machtig te zijn, zo groot als God te zijn, of liever: God te zijn, leidt tot een keten van misvattingen, dat is tot een keten des doods, en dat brengt ertoe, het bloed van onze broeder te vergieten!

***
De verspreiding van het evangelie wordt niet verzekerd door het aantal personen, noch door het aanzien van het instituut, noch door de hoeveel beschikbare middelen. Wat telt, is doordrongen zijn van de liefde van Christus en zijn leven enten op het kruis van de Heer.

***
Hoe meer de missie u oproept om naar de randen van het bestaan te gaan, des te meer moet uw hart met dat van Christus verenigd zijn, zo vol barmhartigheid en liefde. Daar ligt het geheim van pastorale vruchtbaarheid, van de vruchtbaarheid van een leerling van de Heer!

***
Het gevaar van het activisme, van een te groot vertrouwen in structuren, ligt altijd op de loer. Als we naar Jezus kijken, zien we dat Hij zich voor iedere beslissing of belangrijke gebeurtenis terugtrok in een langdurig en intens gebed.

***
Zonder de voortdurende verbondenheid met God verwordt de zending tot een vak.

***
De missie is genade. En als de apostel een vrucht is van het gebed, zal hij ook in het gebed het licht en de kracht vinden om te handelen. Want op het eigen moment dat de band met de bron ervan, de Heer, verbroken wordt, wordt onze zending vruchteloos of dooft ze zelfs uit.

***
Arbeiders voor de oogst worden niet met een reclamecampagne gekozen of door een oproep tot edelmoedige dienst, maar ze worden “gekozen” en “gezonden” door God. Hij is degene die kiest, die zendt en die de zendingsopdracht verleent.

***
Juist het Kruis, altijd weer het Kruis met Christus garandeert de vruchtbaarheid van onze missie. En vanuit het Kruis, de opperste daad van barmhartigheid en liefde, worden we nieuw geboren als “nieuwe schepping” (Gal 6, 15).

***
Vruchtbaarheid van de pastoraal, vruchtbaarheid van de evangelieverkondiging wordt niet geschonken in het succes, ook niet in het mislukken volgens menselijke criteria, maar door de gelijkvormigheid met de logica van Jezus’ kruis, en dat is de logica van buiten zichzelf te treden om zich weg te geven, de logica van de liefde.

***
Het Paasmysterie is het kloppende hart van de missie van de Kerk! Als wij in dat mysterie blijven, zijn we beschermd, evenzeer tegen een wereldse en triomfalistische visie op de missie, als tegen de ontmoediging die ons kan overvallen bij beproevingen en mislukkingen.

***
Juist omdat de heilige Paulus zich gelijkvormig heeft laten maken aan Jezus’dood, heeft hij deel gekregen aan zijn verrijzenis, aan zijn overwinning. In het uur van duisternis en beproeving is de dageraad van licht en redding al aanwezig en werkzaam.

***
De Heer vinden die ons troost en Gods volk gaan troosten. Dat is missie. De mensen van nu hebben er nood aan dat we getuigen van de barmhartigheid en tederheid van de Heer, die het hart verwarmt, de hoop opwekt en tot het goede trekt.

***
Waar ligt de oorsprong van de missie? Het antwoord is simpel: ze ontstaat uit een roeping, de roeping van de Heer. Wie door Hem geroepen wordt, wordt geroepen om uitgezonden te worden.

***
Éénheid in de verscheidenheid: er is geen andere katholieke weg om één te worden. Dat is de katholieke geest, de christelijke geest: in alle verscheidenheid één worden. Dat is de weg van Jezus!

***
Wanneer wij onze gedachten en gevoelens, de logica van de menselijke macht laten prevaleren, en wanneer wij ons niet laten onderrichten en leiden door het geloof, door God, worden wij een struikelblok.

***
Als we de stad van de mens willen bouwen zonder God, heeft dat tot gevolg dat we menselijke en voorbijgaande afgoden in de plaats stellen van de levende God, afgoden die voor een ogenblik vrijheid lijken te bieden, maar die uiteindelijk nieuwe slavernij en dood met zich meebrengen.

***
Het is een constante illusie, te denken dat het afwijzen van God, van de boodschap van Christus en van het evangelie van het Leven zou leiden naar vrijheid, naar de volle verwerkelijking van de mens.

***
Het is een constante illusie de stad van de mens te willen bouwen zonder God, zonder het leven en de liefde van God: dan wordt het een nieuwe toren van Babel.

***
Dikwijls laat de mens zich leiden door ideologieën en redeneringen die een beletsel zijn tegen het leven; ze hebben geen respect voor het leven omdat zij zich laten leiden door egoïsme en eigenbelang, door winstbejag, macht en genot.

***
Egoïsme leidt naar leugen, waarmee men probeert zichzelf en de naaste te misleiden. Maar God kun je niet misleiden.

***
Wanneer de mens zichzelf wil bevestigen, door zich op te sluiten in zijn egoïsme en Gods plaats in te nemen, zaait hij uiteindelijk de dood.

***
Jezus brengt ons in herinnering dat Hem volgen betekent: uit onszelf treden en van ons leven niet een eigen bezit maken, maar een gave voor Hem en de anderen.

***
Ook de grootste liefde verzwakt en dooft uit, als zij niet voortdurend gevoed wordt.

***
Wij christenen, wij zijn niet door de Heer uitgekozen voor kleine dingetjes, gaat steeds verder, naar de grootse dingen. Jongeren, zet jullie leven op het spel voor grootse dingen!

***
Laten wij vertrouwen hebben in het handelen van God! Met Hem kunnen wij grootse dingen doen; Hij zal ons de vreugde laten voelen zijn leerlingen, zijn getuigen te zijn. Zet in op de grote idealen, op de grootse dingen.

***
Als wij de weg van de gezindheid van de wereld willen gaan, en met de wereld onderhandelen zullen wij nooit de troost van de Heer hebben. En als wij alleen maar troost zoeken, dan zal dat alleen maar een oppervlakkige troost zijn, niet die van de Heer, het zal een menselijke troost zijn. De Kerk gaat altijd tussen het kruis en de verrijzenis, tussen de vervolgingen en de vertroostingen van de Heer. En dit is de weg: wie deze weg opgaat, vergist zich niet.

***
Heb ik eraan gedacht welke verborgen afgod ik in mijn leven heb die mij verhindert de Heer te aanbidden? Aanbidden is ons ontdoen van onze, ook meest verborgen, afgoden en kiezen voor de Heer als middelpunt, als hoofdweg van ons leven.

***
De Heer aanbidden wil zeggen Hem de plaats geven die Hij moet hebben; de Heer aanbidden wil zeggen stelling nemen, geloven, echter niet eenvoudigweg met woorden, dat Hij alleen werkelijk ons leven leidt; de Heer aanbidden wil zeggen dat wij ten overstaan van Hem ervan overtuigd zijn dat Hij de enige God is, de God van ons leven, de God van onze geschiedenis.

***
De inconsequentie van gelovigen en herders tussen hetgeen ze zeggen en hetgeen ze doen, tussen woord en wijze van leven, ondermijnt de geloofwaardigheid van de Kerk.

***
Het geduld van God moet in ons de moed om naar Hem terug te keren vinden, welke fout, welke zonde er ook in ons leven is.

***
God heeft geduld met ons, omdat Hij ons bemint, en wie bemint, begrijpt, hoopt, schenkt vertrouwen, laat niet in de steek, verbreekt geen banden, weet te vergeven. Laten wij het in ons leven van christenen herinneren: God wacht altijd op ons, ook wanneer wij ons hebben verwijderd! Hij is nooit ver en als wij naar Hem terugkeren, is Hij altijd bereid ons te omarmen.

***
Laten wij vragen dat de Heer ons deelgenoot maakt van zijn verrijzenis: moge Hij ons openstellen voor het nieuwe van Hem dat verandert, voor de zo mooie verrassingen van God; moge Hij van ons mannen en vrouwen maken die in staat zijn te herinneren aan hetgeen Hij in onze persoonlijke geschiedenis en die van de wereld tot stand brengt; moge Hij ons in staat stellen Hem te voelen als de Levende, die leeft en werkzaam is te midden van ons.

***
Herinneren aan wat God voor mij, voor ons heeft gedaan en doet, herinneren aan de afgelegde weg; en dit zet het hart wijd open voor de hoop op de toekomst. Laten wij leren te herinneren aan wat God in ons leven heeft gedaan!

***
Als je tot nu toe ver van Hem vandaan bent geweest, zet dan een kleine stap: Hij zal je met open armen ontvangen. Als je onverschillig bent, aanvaard het dan te riskeren: je zult niet teleurgesteld worden. Als het je moeilijk lijkt Hem te volgen, wees niet bang, vertrouw je aan Hem toe, wees er zeker van dat Hij je nabij is, met je is en dat Hij je de vrede zal geven die je zoekt, en de kracht om te leven zoals Hij wil.

***
Laten wij ons niet afsluiten voor het nieuwe dat God in ons leven wil brengen! Wij zijn vaak moe, teleurgesteld, bedroefd, wij voelen de last van onze zonden, wij denken dat wij het niet redden. Laten wij ons niet opsluiten in onszelf, laten wij het vertrouwen niet verliezen, laten wij nooit berusten: er zijn geen situaties die God niet kan veranderen, er is geen zonde die Hij niet kan vergeven, als wij ons voor Hem openstellen.

***
De dingen van het hart hebben geen uitleg, zij komen alleen.

***
Uit het feit dat men niet uit zichzelf naar buiten treedt, komt nu juist de frustratie van sommigen voort, die uiteindelijk droevig, droevige priesters worden en veranderd zijn in een soort verzamelaars van antiquiteiten of nieuwe dingen in plaats van herders te zijn met de geur van de schapen.

***
Wie niet uit zichzelf naar buiten treedt, wordt in plaats van een middelaar te zijn langzamerhand een tussenpersoon, een manager. Wij kennen allen het verschil: de tussenpersoon en de manager hebben al hun loon en omdat zij hun leven en hun hart niet op het spel zetten, krijgen zij geen liefdevolle dank, die uit het hart komt.

***
Wij ontmoeten de Heer juist niet in eigen ervaring of herhaalde introspecties: cursussen zelfredzaamheid kunnen nuttig zijn in het leven. Zo moeten wij naar buiten treden om onze zalving, de kracht en de verlossende doeltreffendheid ervan te ervaren: aan de “randgebieden” waar lijden is, vergoten bloed, blindheid die wil zien, waar gevangenen zijn van zoveel slechte heren.

***
De kostbare olie, waarmee het hoofd van Aäron gezalfd wordt, beperkt zich er niet toe zijn lichaam een goede geur te verlenen, maar breidt zich uit en bereikt “de randgebieden”. De Heer zal het duidelijk zeggen: zijn zalving is voor de armen, voor de gevangenen, voor de zieken en voor hen die bedroefd en eenzaam zijn. De zalving, geliefde broeders, is niet om onszelf een goede geur te verlenen en nog minder om deze in een vaasje te bewaren, omdat de olie ranzig zou worden ... en het hart bitter.

***
En jullie schamen je niet voor zijn kruis! Integendeel, jullie omarmen het, want jullie hebben begrepen dat in de zelfgave, in de zelfgave, in het buiten jezelf treden de ware vreugde is gelegen en dat Hij met de liefde van God het kwaad heeft overwonnen.

***
Het in liefde aangenomen kruis van Christus leidt nooit tot droefheid maar tot vreugde, de vreugde gered te zijn en een klein beetje dat te kunnen doen wat Hij heeft gedaan op de dag van zijn dood.

***
Laat jullie nooit door moedeloosheid overmannen! Onze vreugde komt niet voort uit veel bezit, maar komt voort uit de ontmoeting met een Persoon: Jezus.

***
Niet bang zijn voor de genade, niet bang zijn buiten onszelf te treden, niet bang zijn buiten onze christelijke gemeenschappen te treden om de andere 99 te vinden die niet thuis zijn. En met hen een gesprek aan te gaan en hun te zeggen wat wij denken, hun onze liefde, die de liefde van God is, te gaan tonen.

***
Niet bang zijn, niet bang zijn. Niet bang zijn voor de liefde, voor de liefde van God, onze Vader. Niet bang zijn. Niet bang zijn de genade van Jezus Christus te ontvangen, niet bang zijn voor onze vrijheid die wordt gegeven door de genade van Jezus Christus, of, zoals Paulus zei: “Gij staat niet onder de wet, maar onder de genade”.

***
En wanneer een gemeenschap gesloten is, altijd onder dezelfde mensen die spreken, dan is dat geen gemeenschap die leven geeft. Het is een steriele, geen vruchtbare gemeenschap.

***
Het is gemakkelijker thuis te blijven met dat ene schaapje! Het is gemakkelijker met dat schaapje, het te kammen, het te strelen... maar wij, priesters, ook jullie, christenen, allen: de Heer wil dat wij herders zijn, niet mensen die schaapjes kammen; herders!

***
Ik begrijp de christelijke gemeenschappen niet die gesloten zijn, binnen de parochie. Ik wil u één ding zeggen. In het evangelie staat die mooie passage die ons spreekt over de herder die, wanneer hij terugkeert naar de schaapskooi, merkt dat er een schaap ontbreekt, de 99 achterlaat en het gaat zoeken, er één gaat zoeken. Maar wij hebben er één; er ontbreken ons de 99! Wij moeten naar buiten treden, wij moeten naar hen toegaan! In deze cultuur - laten wij elkaar de waarheid zeggen - hebben wij er alleen maar één, wij zijn een minderheid! En voelen wij het vuur, de apostolische ijver om te gaan en naar buiten te treden en de andere 99 te vinden?

***
De christen moet moedig zijn en ten overstaan van een probleem, van een maatschappelijke, religieuze crisis moet hij de moed hebben verder te gaan, moedig verder te gaan. En wanneer men niets kan doen, geduldig: verdragend. Verdragen.

***
Ik gebruik graag de uitdrukking de randgebieden opzoeken, de randgebieden van het bestaan. Allen, allen van de fysieke tot de geestelijke armoede, die ook reëel is. Alle randgebieden, alle kruispunten: daarheen gaan. Daar is het dat het zaad van het evangelie moet worden gezaaid, met woord en getuigenis.

***
Het evangelie is als het zaad: jij zaait het, jij zaait het met jouw woord en met jouw getuigenis. En dan maak jij de statistiek niet, hoe het is gegaan: dat doet God. Hij doet dit zaad groeien; maar wij moeten zaaien met de zekerheid dat Hij het water geeft, dat Hij de groei geeft.

***
De profeet Ezechiël heeft gezegd: “Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en een hart van vlees geven”. Wat wil dit zeggen? Een hart dat liefheeft, een hart dat lijdt, een hart dat blij is met de anderen, een hart vol tederheid voor wie zich met het stempel van de wonden van het leven in zich aan de rand van de samenleving voelt staan.

***
De ware revolutie, de revolutie die het leven radicaal verandert, heeft Jezus tot stand gebracht door zijn verrijzenis: het kruis en de verrijzenis. Als een christen in deze tijd geen revolutionair is, is hij geen christen!

***
Er zijn zeer veel revolutionairen in de geschiedenis, er zijn er zeer veel geweest. Maar niemand heeft de kracht gehad van deze revolutie die Jezus ons heeft gebracht: een revolutie om de geschiedenis te veranderen, een revolutie die het hart van de mens ten diepste verandert.

***
Een christen kan nooit verveeld of verdrietig zijn. Wie Christus liefheeft is een persoon vol vreugde en die vreugde uitstraalt.

***
Tot jullie jongeren zeg ik: Wees niet bang om tegen de stroom in te gaan, wanneer ze van ons onze hoop willen stelen. Ga tegen deze stroom in en wees er trots op om er tegen in te gaan. Vooruit, wees moedig en ga tegen de stroom in! En wees er trots op!

***
Hoeveel oprechte mensen geven de voorkeur eraan tegen de stroom in te gaan, als zij maar niet hoeven af te zien van de stem van het geweten, de stem van de waarheid! Oprechte mensen zijn niet bang om tegen de stroom in te gaan! En wij, wij moeten niet bang zijn!

***
Maar om te kunnen behoeden, moeten we ook onszelf niet verwaarlozen. Laat ons in gedachten houden dat haat, afgunst en hoogmoed het leven verontreinigen! Hoeden betekent dus te waken over onze gevoelens, over ons hart, want daaruit komen onze goede of slechte voornemens: zowel die welke opbouwen, alsook die vernietigen.

***
Laten wij hoeder zijn van de schepping en van het in de natuur gelegde plan van God, behoeder van de ander, van de omgeving. Laten we niet toe dat tekenen van vernietiging en dood de weg van onze wereld begeleiden!

***
Jozef is 'behoeder', omdat hij kan luisteren naar God en zich door Diens wil laat leiden. En juist daardoor heeft hij nog meer empathie voor de aan hem toevertrouwde mensen en weet realistisch de gebeurtenissen te duiden, heeft grote aandacht voor zijn omgeving en weet de verstandigste beslissingen te nemen.

***
Laten wij terugkeren naar de Heer. De Heer wordt nooit moe te vergeven! Wij worden moe Hem om vergeving te vragen. En laten wij om de genade vragen niet moe te worden om vergeving te vragen, omdat Hij nooit moe wordt te vergeven.

***
Wanneer wij onderweg zijn zonder het Kruis, wanneer wij zonder het Kruis bouwen en wanneer wij een Christus belijden zonder Kruis, zijn we geen leerlingen van de Heer: dan zijn we werelds, zijn we bisschoppen, priesters, kardinalen, pausen, maar geen leerlingen van de Heer.

***
We kunnen op weg gaan zo veel we willen, we kunnen van alles bouwen, maar als we Jezus Christus niet belijden, dan werkt het niet. Dan worden we een NGO hulporganisatie, maar geen Kerk, geen Bruid van Christus.

***
Op weg gaan: ons leven is een (af te leggen) weg en wanneer we stilstaan, werk het niet.

***
Iedere christen en iedere gemeenschap is missionair in de mate waarin deze het evangelie brengt en beleeft en van de liefde getuigt van God voor allen, in het bijzonder voor wie zich in moeilijkheden bevindt.

***
Wij moeten ons niet in onszelf opsluiten, in onze eigen problemen, in onze eigen ideeën en belangen, in deze kleine wereld, die ons zoveel schade berokkent, maar naar buiten treden en wie behoefte heeft aan aandacht, begrip, hulp, tegemoet gaan om hem de warme nabijheid van de liefde van God te brengen door gebaren van fijngevoeligheid, oprechte genegenheid en liefde.

***
De armen, eenzamen, zieken, gemarginaliseerden zijn het vlees van Christus.

***
Stellen wij ons de vraag of wij de neiging hebben ons op te sluiten in onszelf, in onze groep, of dat wij ons door de Geest laten openen voor de zending.



 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis