Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Missionaire en spirituele profielen arrow Christus onder de sluier van de islam/3
Afdrukken Verzenden naar een vriend


Missionaire en spirituele profielen
 


 
CHRISTUS ONDER DE SLUIER VAN DE ISLAM/3

Louis Massignon en de moslims

 

 

Ten beste spreken voor de moslims

De hoogste bemiddelaar, de ware plaatsvervanger, is in de ogen van Massignon al-Hallâj, dankzij wie hij weer christen is geworden. Christus, "de Vreemdeling", is tot hem gekomen onder de sluier van de symbolen en de taal, dierbaar aan al-Hallâj, een "Christus-achtige figuur" vanwege zijn boodschap en zijn lot, en wel zozeer dat Massignon de gestorven al-Hallâj beschouwde als "uitdrukkelijk christen".

Toen Massignon had begrepen dat de eerste plaatsvervanger Jezus was geweest, wilde hij zich onmiddellijk wijden aan het heil van de mensen, zijn broeders en zusters. Later wilde hij zelfs zijn offer volledig te maken door tot priester te worden gewijd. Maar Massignon zal herhalen dat zijn terugkeer tot de Kerk te danken was aan het gebed van islamitische heiligen, van al-Hallâj tot de Alussi, een gebed dat voor hem als een niet in te lossen schuld zal zijn. Vanuit deze optiek stichtte hij het gebedsgenootschap badaliyya, "vervanging", gebaseerd op het principe van het medelijden, in zijn etymologische betekenis van gemeenschap van gevoelens en ook lijden dat wordt beleefd in eenheid met een ander of zelfs in plaats van een ander.

Het medelijden wortelt in de ik-jij-relatie waarbij "de Vreemdeling" de vraag herhaalt: "Wie van ons twee, zeg me eens, is Degene die liefheeft?".

Deze zo bijzondere ervaring van een ontmoeting met de levende Christus door middel van het getuigenis en het gebed van enkele islamitische vrienden heeft Massignon ertoe gebracht naar de islam niet te kijken met de comparatistische kilte van de godsdiensthistoricus, maar met het elan van de mystieke extase waarbij naar de moslims wordt gekeken met de blik zelf van God. Het leidt tot een diepgaande reflectie te weten dat aan de oorsprong van die nieuwe toenadering tussen christenen en moslims die Massignon meer dan ieder ander heeft bevorderd, de wil van de "Vreemdeling" heeft gestaan die hem was komen bezoeken en een niet te voorziene kromming in de parabool van zijn leven heeft aangebracht.

De islamitische heilige die Massignon bekeerde

Massignon heeft altijd verklaard dat hij alles aan al-Hallâj had te danken: dankzij hem was hij op mysterieuze wijze christen geworden. Daarom zijn zij onafscheidelijke makkers geworden, zoals ook de voortdurende herbewerking en de ononderbroken uitbreiding tot enkele maanden voor zijn dood van het monumentale proefschrift van Massignon over al-Hallâj in vier delen laten zien. Door zijn leven te wijden aan de bestudering van al-Hallâj heeft Massignon zich met hem vereenzelvigd als met een ander ego in een levende relatie: "Het is niet zijn volle en sterke, oprechte en ene, groeiende en geschonken leven dat mij het geheim van zijn hart heeft geopenbaard; het is veeleer hij die het mijne heeft gepeild en het nog steeds peilt". Zijn martelaarschap, hij was ervan overtuigd, "bracht de Kerk zelf op een hoger plan".

Massignon ontdekte de figuur van al-Hallâj ten tijde van de eerste contacten met de islam in Caïro, in de tijd dat hij alles verslond wat het hem mogelijk kon maken de islamitische cultuur van binnenuit te begrijpen. Hij werd derhalve vertrouwd met deze soefi ("mysticus", van de naam van het wollen kledingstuk sûf dat deze mensen die dorstten naar God, kenmerkte), die in 922 ter dood werd gebracht door een vonnis, uitgesproken door de kalief in omstandigheden die doen denken aan de doodstraf van Christus: hem werden handen en voeten afgesneden, hij werd opgehangen aan een stuk hout, opdat allen het konden zien misschien werd hij zelfs gekruisigd , hij vergaf zijn beulen, de dag erna kreeg hij de genadesteek, hij werd onthoofd, verbrand en zijn as werd boven vanaf een minaret in de wind verspreid. Zijn executie ontketende immers volksopstootjes in Bagdad en men dacht dat verbranding van het lichaam andere vormen van maatschappelijke rebellie zou kunnen voorkomen.

Al-Hallâj had de erfenis van Christus willen omarmen door deze na te volgen overeenkomstig de gewoonte van de soefi's een voorbeeld van heiligheid uit te kiezen onder de profeten uit het verleden. Iedere heilige, zo zegt men in de islam, "wandelt onder de voet" van een bijzondere profeet. Dat Jezus een zeer bijzondere verering geniet onder de soefi's, bevestigt dit gezegde van Ibn Arabî: "Hij wiens ziekte Jezus heet, kan niet genezen".

Waarom werd al-Hallâj gedood? Om dat uit te leggen is het wantrouwen van de islam ten opzichte van mysticisme niet voldoende. Vanaf de allereerste islamitische generaties waren er, ruim vóór al-Hallâj, mannen en vrouwen die een zeker formeel legalisme wilden overwinnen om een godsdienst van liefde en verinnerlijking van de rituele praktijken te vestigen, die zij hoe dan ook in acht bleven nemen: gebed, aalmoezen, vasten, pelgrimstochten. Voor de soefi's was de ware Ka'ba het heiligdom van Mekka waar de moslims uit heel de wereld samenkomen het hart: dit is meer dan dat gebouw, het middelpunt waar de mens heen moet om hun aanbidding te vervullen.

"De godsdienst van het kruis zal mijn dood zijn

En ondanks zijn doodstraf zal ook na al-Hallâj ondanks terugkerende spanningen met theologen en juristen het soefisme blijven bloeien. Sommige beweringen van de soefi's, maar vooral hun enthousiasme brachten in verwarring. Dit kan immers merkwaardig lijken, daar de islam door westerlingen wordt gezien als een fanatieke godsdienst, maar in de klassieke synthese betreft het een godsdienst die voortdurend tot matiging, tot de weg van het midden uitnodigt. Buitensporigheden, ook die in de zin van een deugd, worden nooit bijzonder gewaardeerd. Gul zijn is goed, maar niet te. Men moet devoot zijn, maar niet te.

De meest paradoxale uitdrukkingen van al-Hallâj, de meest "dronken" (zoals de soefi's zouden zeggen), de vrucht van ogenblikken van extase, werden geëxtrapoleerd, daar zij de beschuldiging uitlokten grenzen te overschrijden.

De meeste aanstoot gevende van zijn beweringen was zeker: "Ik ben de waarheid". In het Arabisch klinkt dat precies als: "ik ben God". Immers, al-haqq, "de waarheid", is een van de 99 namen van God. Toen Massignon de reden van het ter dood brengen van al-Hallâj zocht, merkte hij op dat hij in de islamitische hagiografie werd beschouwd als een held die door God in een bijzondere strijd was verslagen. Al-Hallâj had een grote uitdaging gedaan: zijn vereenzelviging met God. Maar God wil dat het geheim van de vereniging afgunstig wordt bewaakt, zonder aan allen, zonder onderscheid, te worden geopenbaard. Al-Hallâj had daarentegen de wijze "leer van het verborgene" geschonden. Een afgunstige God duldt niet dat zijn naam als Geliefde wordt geopenbaard en daarom geeft hij al-Hallâj de beproeving van de doodstraf.

"Ja, ga de mijnen waarschuwen dat ik
over zee ben gegaan en het schip te pletter is geslagen.
De godsdienst van het kruis zal mijn dood zijn.
Ik wil Mekka niet meer, en evenmin Medina.
In deze verzen van al-Hallâj staat tegenover de traditionele godsdienst, gesymboliseerd door Mekka en Medina, een dronken makende godsdienst, een godsdienst van de vereenzelviging met God, gesymboliseerd door het kruis: het kruis, omdat in deze wereld de vereniging met God een ondraaglijke last met zich meebrengt. Daarom is al-Hallâj een verslagene: precies zoals men in de liefde wordt verslagen.

Michele Chiappo

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)



11/11/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis