web agency
testata
  Home   De Gemeenschap   Uitdiepingen   Contact   Italiano   Español   Français  
Home arrow Missionaire en spirituele profielen arrow Als de hemel niet leeg is, dan is voor christenen zending niet facultatief (2)
Hoofdmenu
Home
Wie wij zijn
Waar wij werkzaam zijn
Onze missieposten
Mail ons
Archief Actualiteiten
Activiteiten
Studiecentra
Publicaties
Leven van de missies - Paraguay
Kennismaking met kerkelijk recht
Uitdiepingen
Reflecties
Uit het leven gegrepen
Focus België/Nederland
Interviews
Getuigen uit Noord-Europa
Missionaire en spirituele profielen
Thema’s van Spiritualiteit
Kennismaking met het godgewijde leven
Missiologie voor iedereen
Leven van de missies - Kameroen
Het tijdschrift "Missione Rh"
Photo gallery
Hulpmiddel
Zoeken
Sitemap
Het is toegestaan artikels
die op deze site
verschijnen te kopiëren
slechts in hun volheid
en met als bronvermelding
www.missionerh.it.
banner1.jpg

| Afdrukken |

lees het eerste deel van het artikel


ALS DE HEMEL NIET LEEG IS, DAN IS VOOR CHRISTENEN

 ZENDING NIET FACULTATIEF(2)


Een lectuur van Madeleine Delbrêl in het licht

 van de encycliek Spe salvi *


Atheïsme: een plaats die gunstig is voor onze bekering

Laten wij over dit thema nadenken, omdat een van de grote uitdagingen die de Kerk op vandaag onder ogen moet zien, de terugkeer is van het atheïsme en men ziet dit ook aan de literatuur over dit onderwerp[2].

Bij Madeleine gaan de weg van de Christus in ons en zending in volledige gemeenschap met de Kerk samen. Daarom kiest zij ervoor als maatschappelijk werkster in een marxistische stad te werken en juist het atheïsme te beschouwen als een "plaats die gunstig is voor onze bekering". Het is een conditio sine qua non van ons missionaris zijn dat wij veranderen, dat wij ons dag voor dag en uur voor uur voegen naar Gods woord. Madeleine Delbrêl herhaalt het met aandrang: wee, "als evangeliseren mij niet evangeliseert", daar "niets anders ons toegang tot het hart van onze naaste zal verschaffen dan het feit dat wij Christus toegang tot het onze hebben verschaft".

In deze zin is zending de volheid van het christelijk leven.

Haar missionaire mystiek laat haar voelen dat nog vóór dat de vereniging tussen God en de mensen tot wie zij zich geroepen voelt, plaatsvindt, deze plaatsvindt in haar. "Door U [Christus] zijn wij de scharnier van vlees...in ons wordt het sacrament van de liefde werkelijkheid. Wij beminnen U, wij beminnen hen, opdat wij allen één worden".

Zij leeft in eenheid met het universum, zoals de contemplatieven die, uitgaande van de liefde van God, naar allen toegaan en tot Hem terugkeren in naam van iedere mens, ook al blijft zij daar waarheen God haar zendt: dat is de plaats van de heiligheid, het punt waar men zich geheel moet onderdompelen, als stort men zich in God zelf, en waarvan men de problematiek moet leren kennen; dat zal zij doen met volledige inzet, waarbij zij de verleiding die zovele katholieken overwon, de marxistische ideeën te omarmen, trotseert. In een diepgaande studie ontdekt Madeleine door het vertrouwen in het verstand, dat haar deed zeggen "dat, als men de rede veracht, de genade niet zal eren", het diepgaande breekpunt, het afwijzen van God, dat zij nooit zou hebben kunnen aanvaarden en haar doet denken aan haar levensloop. Haar analyse is zeer actueel. Het verschil - zo schrijft zij - tussen de hoop van haar communistische vrienden en de christelijke hoop is dat de eerste een menselijk hopen is op de wereld en haar wetten, dat wil zeggen op de "materie". De christelijke hoop komt van God, hangt niet van ons af. Zo stelt de paus betreffende Marx in Spe salvi: "Zijn werkelijke dwaling is het materialisme: de mens is juist niet enkel het product van de economische omstandigheden, en hij kan niet alleen van buitenaf, door het scheppen van gunstigere economische voorwaarden geheeld worden" (nr. 21). En ook nog: "De hemel is niet leeg. Het leven is niet slechts het product van de wetten en het toeval van de materie, doch in alles en tegelijk ook boven alles staat een persoonlijke wil" (nr. 5).

En Madeleine, die in de communistische wereld een opwindende uitdaging herkende, omdat deze "ons in een crisissituatie brengt en ons juist aanvalt op het wezenlijke van onze hoop", zegt: "Wat wij de communisten moeten geven, - omdat zij onze naaste zijn - is de bovennatuurlijke hoop, de hoop die God ons geeft, de hoop die wij altijd aan God moeten vragen. Zij is het verlangen naar God, de hartstocht voor God, het medelijden met de wereld. Zij is gemaakt om in ons hart vlees te worden. Zij schept daarin de verwachtingen die van Jezus Christus zijn, die van de hartstocht van God en van het medelijden van God, evenals van iedere mens, voor alle mensen en voor ieder van hen".

Geluk is geen distributieve gerechtigheid

Binnen deze hartstocht voor de mens, voor de misdeelden, voor het proletariaat, zo sterk in haar tijd, wil zij het christelijk antwoord brengen. Madeleine maakt een heldere analyse van het moderne gezicht van het leven van de mensen, zij kent het lijden van de uitputtende arbeid die in bepaalde maatschappelijke lagen van de maatschappij de enige mogelijkheid is om werk te hebben, en de antropologische verandering die heeft plaatsgevonden bij een mens die nu afhankelijk is van een loon, waarvoor hij alles opoffert, ook zijn gevoelens, en die het paradigma zelf van de menselijke activiteit heeft veranderd: "Men probeert niet meer te worden betaald voor een werk, maar te werken om te worden betaald". Zij ziet de vervreemding ervan, waardoor "wij in de wereld van de arbeid slechts een minderheid vinden die het maximum van haar denken en van haar wil kan gebruiken", en dit gaat gepaard met het feit dat mensen die tot een raderwerk worden gereduceerd, dingen worden. Maar deze mensen "hebben het recht te worden geëvangeliseerd. Wij moeten hun durven zeggen, als wij van hen onze broeders hebben gemaakt: dat geluk geen distributieve gerechtigheid is, maar armoede"; ja, omdat morgen nooit werkelijk rechtvaardig zal zijn en wat de mens in de wereld zal kunnen vinden, nooit als eeuwig zal klinken. Daarom heeft hij het recht iemand vóór zich te hebben die in relatie met God staat, die een ware en uitgegroeide persoonlijkheid is, die geen angst heeft om te spreken en de confrontatie aan te gaan, die niet verbergt wat hij denkt, en zegt wat zij niet weten: wie Jezus Christus is.

Zeggen dat geluk niet is gelegen in distributieve gerechtigheid, maar in armoede, is niet een andere vorm van een, deze keer troostende, vervreemding. Madeleine zelf weet dat, als God voor ons het enige absolute goede is, wij ook het goede dat waarnaar de mensen verlangen, als komend van Hem en het kwaad dat het daarvan verstoken zijn veroorzaakt, serieus moeten nemen. Daarom gaat haar visie gepaard met een belangrijk onderscheid tussen het Rijk Gods en de wereld, dat ons ook voor vandaag duidelijke aanwijzingen geeft betreffende de zending van de Kerk.

"Het Rijk Gods is niet de liefde voor de wereld, maar die voor de mensen. De wereld is niet een absolute werkelijkheid: het is een relatief iets", iets dat hier en nu mogelijk is, dat "onophoudelijk wordt veranderd door het spel van de goede en kwade krachten in de harten van alle mensen". Voor Madeleine zal men de wereld niet beter kunnen maken door te werken aan de opbouw van de wereld: het is een betere mens die de wereld beter zal maken. En niet door de resultaten, de "balans", van het Rijk Gods met die van de wereld te laten samenvallen kan men de komst ervan afmeten. "Niet de optelsom van de rechtvaardige steden zal het hemelse Jeruzalem maken", maar de liefde van kleine en grote Kerken, gevormd door heilige mensen, die de verlossing van velen zal veroorzaken. Niet de overwinning van het kwaad op dit ogenblik moet ons angst aanjagen: ook perioden van chaos en gruwelijkheid, zo legt zij ons uit, kunnen ervoor zorgen dat mensen van hartstocht en van een dergelijke intensiteit van geloof branden dat zij heil voortbrengen. De ontwikkeling van het Rijk in de wereld heeft een perspectief van eeuwigheid dat dient te worden gerespecteerd. "Naast de vormen van economische bevrijding die de wereld predikt, ... verkondigt Christus de bevrijding van het kwaad". Hier weerklinken opnieuw de woorden van Spe salvi over Marx: "Hij is vergeten dat de mens altijd mens blijft. Hij is de mens vergeten en hij is diens vrijheid vergeten. Hij is vergeten dat de vrijheid altijd ook de vrijheid tot het kwaad blijft. Hij geloofde dat als de economie op orde zou zijn, alles vanzelf op orde zou zijn" (nr. 21).

Naar aanleiding hiervan herinnert Madeleine eraan dat Christus geen onderscheid heeft gemaakt tussen maatschappelijke klassen. Veel christenen zoeken de ware bevrijding alleen maar in het privéleven en blijven de dictatuur van het kwaad in de maatschappij accepteren; anderen worden arm met de armen, maar zetten pas een eerste stap, misschien de gemakkelijkste. Christus heeft gesproken met de rijken en de armen, omdat Hij iets heel anders vraagt: de vernieuwing van het hart, een wezenlijke bekering, die in het leven van ieder alles nieuw zal maken. De heilige Paulus heeft niet een strijd gevoerd tegen slavernij, maar het hart van de door hem geëvangeliseerde christenen accepteerde het niet meer dat men slaven bezat. Het evangelie is er voor allen, niet alleen voor de armen, het is een verkondiging aan de zondaars, wat meer is, het is "altijd een ontmoeting tussen twee zondaars" .

Spe salvi bevestigt: "Het christendom heeft geen sociaal-revolutionaire boodschap gebracht, zoals bijvoorbeeld die van Spartacus, die met bloedige strijd op niets uitliep. Jezus was geen Spartacus, Hij was geen vrijheidsstrijder zoals Barabbas of Bar-Kochba. Wat Jezus, die zelf aan het kruis was gestorven, had gebracht was iets heel anders: de ontmoeting met de Heer aller heren, de ontmoeting met de levende God en aldus de ontmoeting met een hoop die sterker was dan het lijden van de slavernij en daarom het leven en de wereld van binnenuit omvormde" (nr. 4).

Het fundamentele probleem voor Madeleine Delbrêl is dat men staat tegenover een stomme en dove wereld. Door sommigen wordt het geloof verward met een eenvoudige "christelijke mentaliteit" of met "gezond verstand". De voortsnellende ontkerstening wordt inderdaad ook veroorzaakt door het zich terug trekken van de christenen in de bevoorrechte maatschappelijke sectoren, door de achterwege gebleven verkondiging van het evangelie in woorden en leven, maar zij is ook de vrucht van de geestelijke ellende waarin men de mensen heeft achtergelaten die op vandaag zelfs niet meer in staat zijn te luisteren. Dit is de grote moeilijkheid. Het is nodig dat men zij oor weer leent om te luisteren, terwijl de stem in de woestijn moet blijven roepen. Ook Madeleine bemerkt dat de omstandigheden in Frankrijk, een missieland, zeer verschillen van die in de zogenaamde "missiegebieden", waar men Christus nog moet leren kennen. De mensen met wie zij in contact staat, hadden immers al het licht van Christus ontvangen en hadden het verworpen.

De atheïsten, de niet-gelovigen of de onverschilligen lijken als het ware immuun voor het evangelie, als het ware ingeënt tegen het evangelie, dat zij in mismaakte vorm kennen. Het is intussen geen probleem meer van een vreemd, veraf staand taalgebruik of van een door slechte getuigen verraden boodschap. Het is ook een intellectuele doofheid jegens het bovennatuurlijke en jegens datgene wat in de mens niet kan worden bevredigd door de wereld. Wij kunnen dit vertalen als: er is geen vraag meer naar het absolute.

Een missionaire parochie

Nu dringt zich ten opzichte van deze diagnose de vraag op wat het recept hiervoor is.

Madeleine Delbrêl is een figuur met een grote liefde voor de Kerk als moeder, ook in haar hiërarchische component, in tegenstelling tot enkele tendensen in die periode. Hiervan getuigt onder andere haar toevlucht in de moeilijkste ogenblikken tot de stad Rome, tot de Sint Pieter en tot een verdieping van haar geloof, gevolgd door een zeer korte ontmoeting met Pius XII; zij begrijpt zijn vraag om het apostolaat te beoefenen als een uitnodiging om in haar en de gelovigen opnieuw het gevoel voor aanbidding op te wekken, de aanbidding van een God die door alle mensen kan en mag worden gekend als bestaand en liefhebbend.

In een leven tussen niet-gelovigen zijn de gelovigen zij die dikwijls haar aandacht trekken.

Op dat ogenblik, de eerste helft van de 20ste eeuw, wordt in Frankrijk de discussie geopend over de "missionaire parochie" en zij schetst enige kenmerken daarvan. Het is bijvoorbeeld nuttig dat de liturgie "missionair" is, dat wil zeggen begrijpelijk voor niet-gelovigen, maar het  meest noodzakelijk is dat zij toegankelijk is voor de gelovigen, dat zij de gelovigen ten dienste staat om hun apostolische roeping te beleven, om hun functie uit te oefenen van biddende mensen tussen hun niet-gelovige broeders en zusters, van band die zij moeten zijn tussen God en hen die God niet kennen. Als zending het contact is in ons tussen de liefde van God en de afwijzing van de wereld, dan dienen de kenmerken van een missionaire parochie rekening ermee te houden dat christenen vanaf de geboorte vaak zelden door een bewuste roeping missionarissen zijn. Hier weerklinkt nogmaals Spe salvi die stelt: "Voor ons, die altijd geleefd hebben met het christelijk godsbesef en er ongevoelig voor geworden zijn, is het hebben van de hoop die uitgaat van de waarachtige ontmoeting met deze God, bijna niet meer waarneembaar" (nr. 3).

Als wij God matig liefhebben, dan komt dat voor Madeleine, omdat wij Hem matig kennen. De eerste van onze taken dient dan ook te zijn Hem zo goed mogelijk te kennen om Hem te doen kennen. De geloofswaarheden die moeten worden geleerd, zijn echter gemaakt om te worden beleefd, om ons hiermee te vormen, daarom leert de Kerk deze.

Door zich haar diepste christelijke essentie weer eigen te maken zal de parochie van de missionaire werkzaamheid niet een soort gespecialiseerde werkzaamheid maken, die haar zou verzwakken, maar een vernieuwing van haar levende, bovennatuurlijke krachten, van haar goddelijke dimensies: het bewustzijn kinderen van de levende God te zijn maakt ons tot broeders en zusters.

Als wij in de marge blijven van het leven van de mensen, als het normaal voor ons is stommen onder doven te blijven, vreemdelingen voor de wereld of zwijgend medeplichtigen aan onrecht, wat zullen wij dan kunnen antwoorden, wanneer wij onze wegen zullen verlaten om voor de Heer te verschijnen, die ons zal vragen wat wij met onze broeder en zuster hebben gedaan? Voor haar "is het alleen door anderen dat wij liefde met liefde kunnen vergelden". Maar wie zijn die anderen? "Men kan God onmogelijk liefhebben zonder de mensheid lief te hebben, men kan de mensheid onmogelijk liefhebben zonder ... de mensen die men leert kennen lief te hebben met een concrete liefde". Zij zijn het die zij dagelijks tegenover zich had, aan wie zij de grootste aandacht besteedde.

Het sacrament van het leven in gemeenschap

Ziehier waarom voor Madeleine Delbrêl de waarde van kleine christelijke gemeenschappen, die al een vestiging van het Rijk Gods zijn, van vitaal belang is. "Het christendom is altijd als een familie, als een equipe, als broeders en zusters naar de ander toegegaan; het feit samen met de Christus te zijn kan de wereld veranderen. Men verenigt zich om één te worden met de Christus en samen één te worden en de ander bij deze liefde te betrekken". Hieruit komt voor haar het belang voort van haar kleine gemeenschap, waaraan zij zoveel geschriften en zoveel energie heeft gewijd. Ook het werk waarvoor het communistisch bestuur van de stad Ivry haar had geroepen om dit in de sociale sector te doen, zal naar het tweede plan verdwijnen en door haar worden opgegeven, omdat het haar op een weg zou zetten die de hare niet was, een "mystiek van de doelmatigheid", die haar niet overtuigt. Zij voelt zich verantwoordelijk voor iedereen, maar vooral voor haar metgezellinnen. Zij zegt dat de Heer haar zal vragen wat zij heeft gedaan, opdat zij waarlijk van Hem waren.

Zij schrijft: "Leven in gemeenschap is voor de wereld een soort sacrament realiseren". Men kan het moeilijk zonder gemeenschapsleven stellen "om het vuur te ontsteken in hen die ons omgeven".

"Het enige getuigenis dat Hij (Jezus) vraagt is dat wij elkaar liefhebben en dat ons leven daden bevat die iemand veronderstellen, een onzichtbare, maar een levende, niet aan te raken, maar die werkzaam is".

Het belang van kleine kernen die het evangelie beleven, is gelegen in het feit dat de mensen die deze tegenkomen, niet zozeer zijn geïnteresseerd in de inhoud van het geloof, maar in het feit wat voor hen geloven is. Voor haar is het geloven spreken over een feit. Ten opzichte van het kenbaar gemaakte geloof, van feiten kan men niet de ogenschijnlijke dubbelzinnigheid handhaven van de wereld, die wereld die alvorens buiten ons te zijn in ons is, als nog niet bekeerd deel. Feiten betekenen niet het verwezenlijken van grootse dingen: "Kleine dingen doen voor God laat ons Hem evenzeer liefhebben als grootse daden stellen. Anderzijds zijn wij zeer slecht op de hoogte van de omvang van onze daden ... Alles wat wij doen, kan alleen maar klein zijn ... Wat God doet, is groot". In deze daden geven wij onze handen, onze mond, ons lichaam aan God om lief te hebben. Dus is het voor de christen belangrijk capabel te zijn, "iets goed en degelijk te doen", omdat de rol die wij hebben, of de roeping niet telt, maar "het antwoord dat men geeft, de absoluutheid waarmee men op deze roeping ingaat, waarmee men trouw hieraan blijft. Wat heiligheid uitmaakt, is niet onze roeping, maar de vasthoudendheid waarmee wij deze hebben aanvaard".

Ook wanneer men haar de vraag zal stellen over de juridische vorm van haar gemeenschap, zal men haar ondanks het beperkte aantal horen stellen: "Jullie klein aantal betekent niets, in jullie vorm van leven is een wijze van toewijding aan God in het seculiere leven die de Heer jullie misschien zal vragen te bewaren in zijn eerste oorspronkelijkheid, waarbij Hij zich het recht zal voorbehouden dit "mosterdzaadje" vrucht te laten dragen, wanneer Hij dat opportuun zal achten".

Haar verborgen en openbare werk, haar standpuntbepalingen, initiatieven, het aanwezig zijn in de lokale en universele Kerk, alles werd beleefd, als was het de laatste dag van haar bestaan, omdat men in ieder klein ding en op ieder ogenblik haar trouw ziet. "Niet wat wij moeten doen, is belangrijk: een bezem of een pen vasthouden, spreken of zwijgen, verstellen of een lezing houden, een zieke verzorgen of typen". "Iedere kleine handeling is een immense gebeurtenis, waarbij ons het paradijs wordt gegeven en waarbij wij het paradijs kunnen geven".

Mariangela Mammi



 De citaten zijn ontleend aan:

J. Guéguen, Petite vie de Madeleine Delbrêl, Desclée de Brouwer, Paris 1995.

J. Loew, Vivre l'Évangile avec Madeleine Delbrêl, Bayard/Centurion, Paris 1994.

C. de Boismarmin, Madeleine Delbrêl. 1904-1964. Rues des villes chemins de Dieu, Nouvelle Cité, Paris 1985.

M. Delbrêl, Nous autres, gens des rues. Textes missionnaires, Éd. du Seuil, Paris 1966.
M. Delbrêl, La joie de croire, Éd. du Seuil, Paris 1968.

Een lijst met publicaties in het Italiaans is beschikbaar op www.madeleine-delbrel.net/italien. Gribaudi Editore publiceert de 'Opera omnia'. 



"De echte sterren van ons leven zijn mensen die goed wisten te leven. Ze zijn lichten van hoop. Zeker, Jezus Christus is het Licht Zelf, de Zon, Die is opgegaan over alle duisternis van de geschiedenis. Maar om Hem te vinden hebben wij ook lichtjes dichtbij nodig, mensen die licht van Zijn Licht schenken en zo oriëntatie bieden op onze reis" (Spe salvi, 49).



Madeleine Delbrêl wordt in 1904 in Mussidan (Frankrijk) geboren uit een niet-godsdienstig gezin. Met 29 jaar bekeert zij zich. Vanaf 1933 leeft zij met enkele metgezellinnen in Ivry-sur-Seine; zij werkt hier als maatschappelijk werkster en komt in een marxistische omgeving terecht, waar zij het niet opgeeft Christus te verkondigen. Over haar gemeenschap schrijft zij: "Als wij geen gezin hebben, ... dan is dat, omdat de Heer ons bezit en wij alleen door Hem willen bezeten worden. Als wij geen programma hebben, dan is dat, omdat onze Vader in de hemel het voor ons van tevoren heeft geschreven en het voor ons voldoende is zijn wilsbeschikkingen van dag tot dag te ontvangen". Als men haar zegt dat de wereld het nodig heeft het gezicht van de vreugde te zien, antwoordt zij "dat wij u over vreugde zullen spreken, wanneer wij deze zullen hebben geleerd op het kruis, waar wij onze liefde terugvinden. Onze vreugde heeft een zo exorbitante prijs dat het noodzakelijk is geweest alles wat wij bezitten, te verkopen, en ons zelf om haar te kopen". "Het kruis is niet facultatief, noch voor de wereld, noch voor ons". "Onze roeping vertrekt vanaf het kruis en gaat naar het kruis, omdat het de roeping van het evangelie is".

Zij sterft onverwachts in 1964 met achterlating van vele geschriften, die ook de vrucht zijn van lezingen. Kard. Carlo Maria Martini heeft haar "een van de grootste mysticae van de 20ste eeuw" genoemd. Zoals Hans Urs von Balthasar over haar zei, maakte het gebed het haar mogelijk haar humour te verenigen met een diepgaande degelijkheid en een sterk realisme in haar maatschappelijke en psychologische analyses; gehoorzaamheid aan de Kerk met een grote vrijheid. Haar zaligverklaringsproces is op het ogenblik gaande.



De Mission de France

De Mission de France heeft haar oorsprong te danken aan kard. Emmanuel Suhard van Parijs. Hij was met betrekking tot de afwezigheid van het geloof bij de mensen van zijn tijd ervan overtuigd dat het een illusie was te denken in termen van het gevestigde christendom: de Kerk in haar geheel kon alleen maar een houding aannemen van missioneren. Dit krijgt concreet gestalte in de opening in 1941 van een interdiocesaan seminarie in Lisieux om priesters te vormen die naar arbeiders- en plattelandsmilieus, verstoken van priesters, moeten worden gezonden om samen te delen en te evangeliseren. Onder hen die deze vorming verzorgen, is ook p. Jacques Lorenzo. Belangrijk is in die jaren de publicatie van het boek La France. Pays de mission? van twee jonge priesters, H. Godin en Y. Daniel: hierin ontdekt Frankrijk, als oudste dochter van de Kerk, dat het integendeel een gebied is waar de Kerk zelf opnieuw moet worden gesticht. De Mission de France inspireert ook de beweging van priester-arbeiders: opgeheven in de jaren vijftig, werd zij opnieuw gestimuleerd na Vaticanum II. In 1954 is de Mission de France verheven tot territoriale prelatuur.  


 

Mariangela Mammi is lid van de Gemeenschap Redemptor hominis en heeft het licentiaat missiologie (summa cum laude) behaald aan de Pauselijke Universiteit Greogoriana met een scriptie getiteld: De geleidelijke zelffinanciering van de Kerken in Afrika. Theologisch-pastorale grondslagen en concrete ervaringen voor een zelffinanciering in de Kerkgemeenschap. Zij heeft verschillende artikelen over missiologie en spiritualiteit gepubliceerd, en het boek Lichten van hoop. Getuigen van het avontuur van het geloof, Editrice Missionaria Italiana, Bologna 2001. Op het ogenblik is zij in Paraguay werkzaam, in de parochie van Ypacaraí (bisdom San Lorenzo) en aan het studiecentrum Redemptor hominis.




*Dit is het tweede deel van het
artikel gepubliceerd in "Missione Redemptor hominis" n. 84 (2008) I-IV.

[2] G. Frosini, Ateismo di ritorno. Nuove frontiere della missione della Chiesa, in "Testimoni" n. 19 (2007) 4-7. De auteur heeft zijn reflectie voorgezet in de volgende nummers van hetzelfde tijdschrift.  

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

30/10/2011
 
< Vorige   Volgende >
Website van de Gemeenschap Redemptor hominis.
Kerkelijke realiteit aan het einde van de jaren '60 gesticht in Rome door de priester Emilio Grasso.

web agency