|
Missiologie voor iedereen/3
GELIJK AAN GOD WORDEN?
De kardinaal van Bologna, Carlo Caffarra, zei enige tijd geleden dat "de tijd voorbij is waarin men christen kon zijn zonder ooit de beslissing genomen te hebben om het te worden".
Dat zijn woorden die ons tot nadenken stemmen. Het gebrek aan zo'n ‘beslissing', inderdaad, doet het christendom als zout zonder smaak worden en de missie verdwijnt van de horizont van wie die nodige overtuiging niet heeft.
Niemand kan geven wat hij niet heeft. Wat voor een rijkdom en een geschenk heeft de christen te geven?
In de vorige bijdrage verwezen we naar de Vader "oorsprong zonder oorsprong van alles".
Laat ons nu het mysterie verdiepen waaruit de missie van de Kerk voortvloeit, omdat dit ons bewuster maakt van wie we zijn.
Het decreet van het Tweede Vaticaans Concilie over de missieactiviteit van de Kerk Ad gentes zegt op nr. 2: "De Kerk op aardse pelgrimstocht is krachtens haar aard missionair, omdat zij volgens het plan van God de Vader haar oorsprong heeft in de zending (missio) van de Zoon en de zending van de Heilige Geest. Dit plan vloeit voort uit de ‘liefdebron', uit de liefde van God de Vader, die, omdat Hij het Beginsel is zonder Beginsel, waaruit de Zoon wordt voortgebracht en waaruit door de Zoon de Heilige Geest voortkomt, vrij ons schept in zijn onmetelijke en barmhartige goedheid en ons bovendien genadig roept om met Hem te delen in het leven en de heerlijkheid. Zo heeft Hij de goddelijke goedheid in rijke mate over ons uitgestort en Hij blijft dit doen, zodat Hij, de Schepper van allen, ook eens zal zijn ‘alles in allen' door zijn eigen heerlijkheid te bewerken en tevens ons geluk".
Wij christenen handelen en leven dikwijls zonder eraan te denken dat we de hoofdrolspelers zijn van dit verhaal dat over ‘geluk' gaat.
"De liefdebron", "Beginsel zonder Beginsel" is de Vader. Als men over een vader spreekt dan impliceert dit gelijktijdig ook het bestaan van één of meer kinderen. Men zou aan niemand kunnen zeggen dat hij vader is als er nergens een kind van hem bestaat. Hetzelfde geldt voor de kinderen. Als ze zo genoemd worden is het omdat er ergens een vader bestaat.
In de Drievuldigheid zijn de relaties (of missies) relaties van de meest volmaakte liefde. De heilige Augustinus legt ons uit dat er in de Schrift gezegd wordt dat de Zoon uit de Vader komt "niet omdat de ene meerdere is en de andere mindere, maar omdat de ene Vader is en de andere Zoon is, de ene voortbrengt en de andere is voortgebracht, de ene uit wie de gezondene is, en de andere die is uit degene die zendt"[1].
Ziehier het onderscheid dat toch geen ‘verschil' van natuur, van waardigheid is. Als ons christelijk leven en onze christelijke missie naar het toonbeeld van de Drieëenheid gevormd dienen te worden, dan betekent dit dat er onder ons nooit een mindere en een meerdere kan bestaan slechts omdat er een verschillende status of functie bestaat; omdat de ene priester is en de ander leek, omdat de ene zendt en de andere wordt gezonden, etc.. Groot is de waardigheid van de personen binnen de Kerk, maar iedereen is wie hij is, naar het toonbeeld van de Vader die volledig onderscheiden is van de Zoon; de Vader brengt de Zoon voort en de Zoon wordt voortgebracht; de Vader is niet de Zoon en de Zoon is niet de Vader (ze zijn onderscheiden). De Vader moet niet de rol van de Zoon spelen en de Zoon niet die van de Vader. Ieder heeft zijn eigen identiteit. De Zoon erkent dat het de Vader is die leven doet, het beginsel zonder beginsel. De grootheid van de Zoon bestaat in zijn bekwaamheid dat leven te ontvangen.
Opdat de liefdesband zou bestaan, dient iedereen zijn eigen identiteit te bewaren. Als er geen persoonlijke identiteit bestaat kan de liefde niet beleefd worden. In een versmelting waarin geen onderscheid meer zou bestaan, zou er ook geen mogelijkheid meer bestaan tot wederzijdse liefde.
Krachtens de relatie onder de Personen van de Drievuldigheid, die met de technische term van ‘circumincessio' (wederkerige doordringing van de goddelijke Personen) geduid wordt, bevindt alles wat er in de Vader is zich ook in de Zoon omwille van de liefdesband, de band van de Heilige Geest, maar zonder verlies aan identiteit.
De eenheid van God is zo volmaakt dat de drie Personen elkaar doordringen en de ene in de andere verblijven. Zo beschrijft de Kerk deze ‘circumincessio', deze immanentie van de ene in de andere:"Omwille van deze eenheid is de Vader volledig in de Zoon, volledig in de Heilige Geest; de Zoon is volledig in de Vader, volledig in de Heilige Geest; de Heilige Geest is volledig in de Vader, volledig in de Zoon"[2]. Deze waarheid bevindt zich in de Heilige Schrift. Jezus zegt: "Geloof je niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij?" (Joh 14, 10). En de heilige Paulus legt uit dat de Heilige Geest in God is, zoals de geest van de mens in de mens aanwezig is (vgl. 1Cor 2, 10-11).
Vanuit dat beginsel moeten we praktische gevolgen trekken. Bijvoorbeeld, in een gemeenschap van gewijd leven, zoals het geval is van degene die schrijft, moeten de inter-persoonlijke relaties naar dat toonbeeld streven. Dat betekent dat ieder van ons in de gemeenschap een eigen identiteit bezit, maar hij moet die eenheid scheppen waardoor het goede van een persoon het goede van allen is, de tijd van de ene de tijd van allen is, de hoop en de vreugde van de ene allen toebehoren, het lijden van de ene allen aangaat, omdat er slechts één de liefde is die ons bindt. Alles wordt met iedereen gedeeld en alles wordt door iedereen behartigd. Er bestaan geen rijken en geen armen, niemand die uitsluitend geeft en niemand die uitsluitend ontvangt.
Een gemeenschap van gewijd leven moet ‘au maximum d'urgence' laten zien wat in alle gezinnen tot stand gebracht zou moeten worden, alsook in alle menselijke relaties die geroepen zijn om een voorsmaak van de hemel reeds nu te beleven. Dat zou moeten gebeuren al wetend dat wij met beide voeten goed op de grond moeten staan en dat wij toch in de tijd van het ‘nu al en nog niet' blijven leven.
Dat is de rede waarom het decreet Ad gentes, nog steeds op nr. 2, voortgaat al zeggend dat God ons niet als individuen wilde redden, maar door ons te roepen tot vorming van een gemeenschap: "God heeft echter de mensen tot deelname aan zijn leven willen roepen niet slechts als enkelingen, zonder enige onderlinge verbondenheid, maar Hij heeft hen tot één volk willen maken, waarin zijn kinderen, die overal waren verspreid, hun eenheid zouden vinden".
Een gemeenschap van godgewijden is de plaats waar die band beleefd en getuigd wordt opdat steeds meer mensen de schoonheid van God, bron van alle vreugde, zouden kunnen waarnemen; opdat zijn plan zou verwezenlijkt worden waardoor Hij alle mensen tot zich roept om ‘alles in allen' te zijn.
In de Italiaanse kerken weerklinkt dikwijls onder de gelovigen, soms wat moeizaam, een lied dat ons eraan herinnert dat ‘God zich gelijk aan ons heeft gemaakt om ons gelijk aan Hem te maken'. Als wij waarlijk zouden meemaken wat dat betekent, zouden wij gelijk die mens worden over wie de heilige Augustinus vertelt en die in staat is voor de Heer een nieuw gezang te zingen omdat zijn hart - opnieuw geboren - nieuw is[3], zoals die Schoonheid, zo oud en toch steeds nieuw[4], die hij herontdekt heeft.
Mariangela Mammi
[1] Augustinus, De Triniteit, IV, 20, 27.
[2] Concilie van Firenze, in H. Denzinger, Enchiridion (1995), n. 1331.
[3] Vgl. Augustinus, Preek 34, 1.
[4] Vgl. Augustinus, Belijdenissen, X, 27, 38.
28/10/09
|