Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Latijns-Amerika arrow Leven van de parochie van Ypacaraí arrow Die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort
Afdrukken Verzenden naar een vriend




DIE GAAN TOT DE HEER KOMEN NOOIT IETS TE KORT


Wij hernemen een homilie van Emilio, onlangs gehouden in de parochie van Ypacaraí in Paraguay. Hij heeft in het bijzonder een vers uit de antwoordpsalm van de dag becommentarieerd: "De rijken zijn arm en behoeftig geworden, die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort" (Ps. 33,11).


 

 

Zalig de armen van geest

In dit vers vinden wij een tegenstelling tussen rijken en armen, die vaak in de Heilige Schrift aanwezig is. Om een juiste interpretatie hiervan te geven moeten wij een vers in zijn context plaatsen en in het geheel van het woord van God, rekening houdend met het begrip dat de apostelen, de Kerk en haar leergezag ons daarvan hebben doorgegeven. Anders vervalt men tot fundamentalisme.

Het thema van de armen dient bijvoorbeeld niet in strikt sociologische zin te worden geïnterpreteerd, maar ruimer. Men hoeft maar te denken aan het verschil tussen het evangelie van Lucas die verkondigt: "Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods" (Luc. 6, 20) en het evangelie volgens Matteüs die ons spreekt van het zalig zijn van "de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen" (Mat. 5, 3).

Er is dus een materiële armoede waaraan het evangelie herinnert om geen schatten op aarde te verzamelen en Jezus te volgen, maar er is vooral een geestelijke armoede die fundamenteel is om het Rijk der hemelen te verwelkomen.

Er is een menselijk mechanisme dat wij allen kennen, en dat is dat men hoe meer men heeft, des te meer wil hebben door rijkdom te verzamelen. Het is dus belangrijk het vrij zijn van goederen en personen te verwerven.

De evangelische armoede houdt immers verband met de vrijheid van het hart; zij nodigt ertoe om nergens aan gehecht te zijn, ook niet aan het leven: "Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden" (Mat. 10, 39).

Zoals bekend is, zijn er armen in materiële zin, maar die aan het weinige dat ze hebben, gehecht zijn en bereid zouden zijn een misdaad te begaan om zich meester te maken van andermans rijkdom waarnaar zij meer dan naar iets anders verlangen.

Er zijn vervolgens veel vormen van armoede: culturele armoede, armoede aan liefde, vriendschap...

Er zijn bijvoorbeeld mensen die maar uitgeven, zij weten niet eens hoe de goederen die zij hebben, te gebruiken en zij zien de zin van hun leven niet.

Er zijn bovendien mensen die rijk zijn, maar arm aan liefde en vriendschap. Degenen die hen omringen, zijn geïnteresseerd in hun goederen en hebben hen niet lief als persoon. De dag dat zij hun rijkdom of macht zouden moeten verliezen, zullen zij in de steek worden gelaten.

Het is triest om de dood van de rijken te zien: zij vermogen niets ten overstaan van de dood ondanks de middelen en de meest geperfectioneerde zorg en zij zijn vaak omringd door personen die alleen maar ongeduldig wachten op hun laatste adem om de goederen onder elkaar te verdelen.

Er zijn families die rijk zijn, maar in hun familierelaties smartelijk worden getroffen, waar aanhankelijkheid en liefde ontbreken.

Laten wij daarom denken aan het fundamentele verschil tussen zijn en hebben, en aan het belang van het bemind worden om wat men is en niet om wat men heeft, opdat wij vrij kunnen zijn van het verzamelen van goederen en de obsessie voor de schijn.

Met verwijzing naar de betekenis van het gebrek aan authentieke liefde kunnen wij beter de zin begrijpen van het vers van de antwoordpsalm: "De rijken zijn arm en behoeftig geworden"[1].

De psalm voegt er als tegenovergestelde aan toe: "Die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort".

De arme van hart is dus hij die de Heer zoekt en Hem kan verwelkomen als hoogste goed. Wie rijk is aan zichzelf, kan de Heer niet ontvangen, zich door Hem laten verrijken.

Maria, de arme

Er is een omkering van rollen: de rijke verliest wat hij heeft, en wie niet heeft, ontvangt. Het is de logica die door het Magnificat van Maria wordt bezongen bij de ontmoeting met haar nicht Elisabeth, wanneer zij uitroept:

"Hij zag welwillend neer op de kleinheid zijner dienstmaagd" (Luc. 1, 48).
"Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen" (Luc. 52-53). 

Het is de zegezang van de armen. Wie een arm hart heeft, kan de Heer ontvangen. Maria is de arme bij uitstek; maagd wilde immers zeggen arm. In het Oude Testament is, evenals in sommige huidige traditionele culturen, degene die geen kinderen heeft, arm; onvruchtbaarheid is een vloek. Kinderen zijn daarentegen een rijkdom en een zegen.

Maria was maagd, arm, vrij. Maria was ontvangst, vrijheid van hart om de Heer te ontvangen. Zij behoorde tot de groep van de anawim, de gelovigen, de armen van de Heer, zij die hoopten en verwachtten dat God zou komen om het hart van de mens te overladen[2].

Die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort

De betekenis van dit psalmvers en van de liturgie waarin het is opgenomen, zo heeft Emilio onderstreept, is dat wij de Heer moeten zoeken.

De Heer is geen noodhulp die men alleen maar inroept, als men er in het leven behoefte aan heeft om problemen op te lossen.

Christenen zijn christenen als gedoopten, maar dat is niet voldoende, als zij van hun leven niet een voortdurend zoeken naar de Heer maken, als zij alleen maar leven volgens een gewoonte van een bepaald geloof en riten. Zij voelen zich vaak gerustgesteld door enkele tekens, door een aan de muur opgehangen afbeelding, een rozenkrans (die men zelfs ook nog weinig gebruikt), een jaarlijkse bedevaart... en zij geloven zo de Heer en het heil te bezitten.

Ook bij de menselijke relaties heeft men de neiging te denken dat de ander altijd ter beschikking staat, als een pop die men pakt en weer achterlaat. Hoeveel huwelijken mislukken hierdoor. Men probeert niet meer zo te leven dat men de ander voortdurend ontdekt, elke dag opnieuw verliefd wordt, maar men leeft van de routine; het huwelijk wordt na de lente van het begin, zoals sommigen zeggen "het graf van de liefde". Het huwelijk wordt beschouwd als een eindpunt en niet als een uitgangspunt voor een nieuwe dimensie van de liefde, die samen ontdekt en opgebouwd moet worden.

De structuur van de menselijke relaties en de structuur van het geloof zijn analoog en staan met elkaar in verbinding, zo benadrukt Emilio. Wij zijn geroepen het geloof te beleven als een dialogale structuur, als een verantwoordelijk antwoord op de liefde van de Heer, als een verlangen en zoeken naar zijn Persoon en niet naar de goederen die Hij ons rijkelijk kan schenken.

De woorden "die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort" lijken een tegenstrijdigheid uit te drukken: waarom blijven zoeken, als het aan niets ontbreekt?

Het geloof is zwart-wit. God verbergt zich, opdat de mens Hem zoekt en bij het zoeken naar Hem verlangt. De ontmoeting met Hem blust het verlangen niet uit, maar zet de mens ertoe aan Hem nog dieper te zoeken. Men moet zich niet binden aan de gaven van de Heer, maar aan zijn Persoon en Hem zoeken in de armoede van het hart.

De zin van de schijnbare tegenstrijdigheid is dus dat wij worden uitgenodigd om het verlangen naar de Heer, de relatie met zijn Persoon, te koesteren in een dialoog van hart tot hart, om te kunnen zeggen: mij ontbreekt het aan niets, maar mijn hart zoekt U, omdat het U bemint en naar U verlangt"[3].

Het Brood dat uit de hemel is neergedaald

Na deze overweging van het vers uit psalm 33, heeft Emilio uitgelegd dat dit vers duidelijk een inleiding vormde op het evangelie van de dag dat ging over de eucharistie (vgl. Joh. 6, 51-58).

Een persoonlijke relatie met de Heer zoeken en beleven laat ons immers beter begrijpen wat Jezus wil zeggen: "Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld" (Joh. 6, 51). Het brood dat de Heer ons geeft, betrekt ons bij de overwinning van de verrijzenis en het eeuwig leven.

Het brood waaraan wij elke dag behoefte hebben, waarom wij vragen in het Onze Vader, is zeker het dagelijks brood, de vrucht van de aarde en van het werk, om ons te voeden, maar het is vooral Hij die uit de hemel komt. Het is de eucharistie, Christus: lichaam, bloed, ziel en godheid. Christus, mens geworden Woord van God.

Hier, in de gave van de eucharistie, vinden dan de woorden van de hierboven becommentarieerde psalm hun diepste betekenis: "Die gaan gaan tot de Heer komen nooit iets te kort". Emilio heeft ten slotte onderstreept dat wij nooit het verband tussen woord van God en eucharistie mogen vergeten, daar Christus het mens geworden Woord van God is.

Er bestaat immers altijd het gevaar te vervallen tot een magisch idee en te denken dat het eten van dat Brood automatisch in eeuwigheid zal doen leven, zonder een persoonlijke en verantwoordelijke deelname. Men vergeet dat het luisteren naar en antwoord geven op dat Woord ons in Christus, het vlees geworden Woord, moet veranderen. Het Woord is vlees geworden, opdat de mens God wordt.

Ook in ons geschapen zijn zijn wij geroepen tot deze spanning van een eucharistisch leven te leven: laten wij de eucharistie, het vlees geworden Woord, ons in Hem, in gegeven  woord veranderen. De Kerk roept iedere dag de Heer aan om naar ons toe te komen, naar de tafel van de armen, bedelaars van liefde.

En Hij komt naar ons toe, in ons, opdat de mens Hem kan blijven zoeken en alleen maar honger heeft naar het Woord van de Heer, dat hem verandert.

De mens leeft immers niet van brood alleen, maar van ieder Woord dat komt uit de mond van de Heer.

(Verzorgd door Antonietta Cipollini)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 



[1] "Deze rijken zijn dus behoeftig, ze zijn behoeftig; en wat nog erger is, het ontbreekt hun aan brood. Gelooft immers niet dat het hun aan goud en zilver ontbreekt, hoewel het hun ook hieraan ontbreekt. Voor zover iemand heeft gehad, wat heeft hem verzadigd? Daarom is hij arm gestorven, omdat hij meer wilde verwerven dan wat hij bezat. Het ontbreekt hun ook aan brood. Waarom ontbreekt het hun ook aan brood? Als je niet begrijpt om welke brood het gaat, heeft Hij je gezegd: Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; en Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Maar hun die de Heer zoeken zal het aan geen enkel goed ontbreken", de heilige Augustinus, Uiteenzetting over psalm 33, 15, op https://www.augustinus.it  

[2] Het Griekse bijvoeglijk naamwoord ptochós (arm) heeft niet alleen een materiële betekenis, maar wil zeggen 'bedelaar'. Het moet in verband worden gebracht met het Hebreeuwse begrip anawim, de 'armen van Jahwe', dat nederigheid oproept, bewustzijn van de eigen beperkingen, de eigen existentiële toestand van armoede. De anawim vertrouwen op de Heer, weten dat zij van Hem afhankelijk zijn", paus Franciscus, Boodschap voor de 29ste Wereldjongerendag 2014. "Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen" (Mat. 5, 3).

[3] "Jezus presenteert zich, zoals de heilige Teresia van het Kind Jezus goed heeft gezien, in zijn menswording als een bedelaar, een behoeftige op zoek naar liefde. De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt over de mens als een 'bedelaar van God' (nr. 2559) en zegt ons dat het gebed de ontmoeting is van Gods dorst met onze dorst (nr. 2560)", Paus Franciscus, Boodschap voor de 29ste Wereldjongerendag 2014...  




05/10/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis