Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Kennismaking met kerkelijk recht arrow Kennismaking met kerkelijk recht/39. De gave van de gelovigen voor de viering van de mis
Afdrukken Verzenden naar een vriend


Kennismaking met kerkelijk recht/39


 

DE GAVE VAN DE GELOVIGEN VOOR DE VIERING VAN DE MIS

 

Een oude traditie in de Kerk wil dat de gelovigen gaven voor de viering van de mis voor hun intenties geven. Het betreft een praktijk die vanaf de achtste eeuw van kracht is; aanvankelijk deden de gelovigen gaven in natura, die vervolgens werden vervangen door geld.

De Kerk heeft deze praktijk altijd goedgekeurd en bevorderd, maar tegelijkertijd heeft zij erover gewaakt misbruik te vermijden en eventueel verkeerde theorieën die zich in dezen konden manifesteren, af te wijzen.

Het Wetboek van Canoniek Recht vermeldt dit gebruik, volgens hetwelk de priester die een mis celebreert of concelebreert, een gave mag ontvangen om deze op te dragen voor een bepaalde intentie van de gelovigen (vgl. can. 945, §1). De term “opdragen” betekent dat de bedienaar die celebreert, de intentie tot uitdrukking brengt dat de vrucht van de eucharistieviering wordt bestemd voor een levende of overleden persoon[1].

Met hun gaven dragen de gelovigen zo bij aan het welzijn van de Kerk, werken zij mee aan het onderhoud van de bedienaars en aan de ondersteuning van haar apostolische activiteiten; in enkele streken van de wereld vertegenwoordigen deze gaven de enige bron van onderhoud van de geestelijkheid.

Een nauwkeurige regelgeving

Na de rechtmatigheid van de gaven voor opdragen van de eucharistieviering volgens een bepaalde intentie te hebben bevestigd bepaalt het Wetboek precieze normen om ook maar de minste schijn te vermijden van handel met het oog op ongeoorloofd gewin, een praktijk die streng gestraft dient te worden (vgl. can. 1385).

Er moeten onderscheiden missen worden gevierd overeenkomstig de intentie van ieder van hen voor wie een, ook bescheiden, gave is gegeven en aanvaard (vgl. can. 948)[2]. De handeling van het aanvaarden houdt de plicht in hetgeen de gever heeft gevraagd, te volbrengen, ook al mocht de gave daarna verloren gaan buiten schuld van de bedienaar.

Als een som geld wordt geschonken voor de viering van missen, zonder dat het aantal ervan nader is aangegeven, dan zal dit bepaald worden naar de hoogte die geldt op de plaats waar de gever woont, tenzij men aanneemt dat zijn intentie een andere is (bijvoorbeeld dat hij een gebaar van welwillendheid jegens de priester of de parochie wil doen).

De bedienaar die meer missen celebreert op eenzelfde dag, kan ieder daarvan opdragen  overeenkomstig de intentie waarvoor de gave is gedaan; met uitzondering van kerstdag, waarop hij de gaven met betrekking tot drie intenties voor zichzelf mag houden, heeft hij echter recht op de gave van één mis (vgl. can. 951 §1)[3], waarbij hij de rest bestemt voor de door de ordinaris[4] bepaalde doeleinden.

De bisschoppen en pastoors hebben de plicht op zondag de mis te vieren pro populo, dat wil zeggen voor hun gelovigen, waarvoor geen gave is voorzien. Als zij echter op dezelfde dag een tweede mis celebreren (of concelebreren), kunnen zij de gave betreffende de intentie waarvoor de mis is opgedragen, behouden.

Iedere bedienaar kan gaven ontvangen voor de missen die hij binnen een jaar kan vieren; dit, opdat de gelovigen niet teveel tijd hoeven te wachten, voordat aan hun intenties is voldaan.

Het komt normaliter de bisschoppenconferentie (of het provinciaal concilie, dat tegenwoordig zeer zelden wordt gehouden) toe het bedrag voor de gave voor een mis vast te stellen. De priester mag een hoger bedrag aanvaarden, als hem dat spontaan wordt gegeven.

Bij gebrek aan een bepaling van het bevoegd gezag staat het Wetboek het toe de gewoonte van de plaats te volgen.

De mis met “collectieve” intenties

Het hoge aantal intenties van de gelovigen met betrekking tot de schaarste aan priesters in de huidige omstandigheden en hun verlangen deel te nemen aan de mis die zij hebben gevraagd te vieren, heeft het kerkelijk gezag ertoe gebracht te voorzien in passendere procedures.

Dit is de reden van enkele bepalingen die zijn uitgevaardigd door de Congregatie voor de Clerus en die het huidige normenstelsel van het Wetboek aanvullen en veranderen, waarbij de viering van zogenaamde missen voor meer intenties worden toegestaan met inachtneming van bepaalde voorwaarden[5].

Als de gelovigen die hun gaven hebben gegeven voor het vieren van missen, tevoren hiervan op de hoogte gesteld, het ermee eens zijn dat hun intenties bij andere worden gevoegd, kan men hen tevredenstellen met één mis, die dan wordt gevierd overeenkomstig een “collectieve” intentie.

Deze praktijk is eenzelfde celebrant twee maal per week toegestaan; hij heeft het recht de gave van een mis voor zich te houden, terwijl de overblijvende som bestemd is voor de door de ordinaris bepaalde doeleinden.

Er zijn bovendien zogenaamde “Gregoriaanse” missen, zo genoemd, omdat deze zijn ingesteld door paus Gregorius de Grote: zijn bestaan in de viering van een dagelijkse mis voor overledenen gedurende een onafgebroken periode van dertig dagen[6].

Een catechese voor de gelovigen

Een bijzondere, voor de gelovigen gemaakte catechese moet het mogelijk maken de theologische betekenis te doen begrijpen van de gave die aan de priester wordt gedaan voor de viering van het eucharistisch offer. De gelovige betaalt niet voor een dienst, en “koopt” nog minder een mis. Met zijn gebaar geeft hij iets van wat hij bezit, en geeft daarmee de gave van zichzelf en zijn vereniging met het in de christelijke gemeenschap gevierde eucharistisch offer aan.

De gelovigen worden zo opgevoed tot het samen delen van de goederen en ervan bewust gemaakt dat door middel van hun gaven zij meewerken aan het onderhoud van de priesters en de verwezenlijking van de apostolische activiteiten van de Kerk[7].

 

Silvia Recchi

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

______________________

[1] Vgl. B.F. Pighin, Diritto sacramentale, Marcianum Press, Venezia 2006, 243.

[2] Er zijn ook de gaven voor de zogenaamde “gestichte” missen, die voortkomen uit de opbrengsten van vrome stichtingen die de plicht hebben hun goederen te gebruiken voor de viering van missen.

[3] De bedienaar die een tweede of een derde mis celebreert, kan echter een vergoeding op extrinsieke titel behouden, bijvoorbeeld voor reizen ter plaatste enz.

[4] Onder de term ordinaris moet men verstaan de ordinaris ter plaatse, als de celebrant pastoor of parochievicaris is, maar het zou ook de religieuze ordinaris kunnen zijn voor de celebranten die lid zijn van een religieus instituut of een klericale sociëteit van apostolisch leven van pauselijk recht.

[5] Congregatie voor de Clerus, Decreet Mos iugiter, 22 februari 1991.

[6] De verklaring Tricentenario Gregoriano van de Congregatie van het Concilie van 24 februari 1967 heeft deze toepassing echter minder stringent gemaakt en het onderbreken van de dertig dagen mogelijk gemaakt in het geval van bijzondere redenen (zoals de viering van een huwelijk, een uitvaartmis of in geval van ziekte enz.) met de verplichting zo spoedig mogelijk de viering van de dertig missen te voltooien. Dit zouden ook missen kunnen zijn die door meer priesters op verschillende plaatsen worden gevierd, met behoud van het principe van de viering gedurende dertig dagen.

[7] Vgl. Congregatie voor de Clerus, Decreet Mos iugiter..., art. 7.

 

10/01/2015

 

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis