Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Kennismaking met kerkelijk recht arrow Kennismaking met kerkelijk recht/35. De viering van het huwelijk/2
Afdrukken Verzenden naar een vriend



Kennismaking met kerkelijk recht/35

 

 

DE VIERING VAN HET HUWELIJK/2

Canonieke vorm en pastorale problemen in Afrika

 

Een katholiek huwelijk moet een door het recht van de Kerk bepaalde vorm respecteren, wil het als sacrament worden beschouwd.

Can. 1108 § 1 biedt de elementen van deze vorm en geeft de uitzonderingen aan.

De gewone canonieke vorm

Het algemene principe is dat alleen die huwelijken geldig zijn die gesloten worden ten overstaan van de plaatselijke Ordinaris[1] of pastoor[2] of van een door een door beiden gedelegeerde priester of diaken die assisteert bij het huwelijk[3], en ten overstaan van twee getuigen.

De assistent bij het huwelijk is een gekwalificeerde getuige die de bevoegdheid heeft een functie namens de Kerk uit te oefenen.

Wat de twee getuigen betreft, is het alleen vereist dat zij kunnen getuigen van de viering van het huwelijk, dat wil zeggen dat zij in het bezit zijn van hun verstandelijke vermogens, in staat zijn zich te realiseren wat er gebeurt, en daarvan te getuigen. Zij moeten gedurende de viering van het huwelijk aanwezig zijn. Hun tegenwoordigheid is passief, terwijl die van de assistent actief is.

De bevoegdheid om bij het huwelijk te assisteren is gewoon, indien zij verband houdt met het ambt, zoals in het geval van de Ordinaris en de pastoor; zij is daarentegen gedelegeerd, indien zij is toegestaan aan een persoon zonder ambt.

De plaatselijke Ordinaris en de pastoor assisteren krachtens hun ambt binnen de grenzen van hun gebied geldig bij huwelijken, niet alleen van onderdanen, maar ook van niet-onderdanen, mits een van beiden tot de Latijnse ritus behoort, tenzij deze plaatselijke Ordinaris of pastoor door een vonnis of een decreet geëxcommuniceerd zijn of onder interdict geplaatst, of in hun ambt gesuspendeerd of als zodanig verklaard zijn (can. 1109)[4].

De Codex past het principe van territorialiteit toe: de plaatselijke Ordinarissen en de pastoors hebben alleen de bevoegdheid voor al degenen die in hun gebied zijn (bisdom, parochie).

Een personele Ordinaris of pastoor, dat wil zeggen voor een groep door ritus, nationaliteit, taal of andere criteria bepaalde gelovigen, assisteren alleen geldig bij het huwelijk van hen van wie ten minste een van beiden onderdaan is binnen de grenzen van hun rechtsgebied (vgl. can. 1110)[5].

De plaatselijke Ordinaris en de pastoor kunnen aan andere priesters en aan diakens de bevoegdheid delegeren om te assisteren bij huwelijken in hun eigen gebied. In het geval van een algemene delegatie kan de gedelegeerde op zijn beurt subdelegeren voor een bijzonder geval; de bijzondere delegatie betreft integendeel een huwelijk en kan niet gesubdelegeerd worden zonder verlof van degene die delegeert (vgl. can. 131 en can. 137).

De huidige Codex voorziet erin dat waar er noch een priester, noch een diaken is, de diocesane bisschop met een gunstig oordeel van de bisschoppenconferentie en de het verlof van de Apostolische Stoel lekengelovigen, mannen en vrouwen, kan delegeren om bij een huwelijk te assisteren; deze leken moeten geschikt, bekwaam en in staat zijn op de juiste wijze de viering van het huwelijk uit te voeren (vgl. can. 1112).

De buitengewone canonieke vorm

De Codex voorziet ook in een buitengewone vorm van het huwelijk (vgl. can. 1116). Voor de geldigheid van de buitengewone vorm zijn er door het recht bepaalde subjectieve en objectieve voorwaarden nodig. De subjectieve voorwaarden zijn de intentie om een werkelijk christelijk huwelijk te sluiten en de objectieve voorwaarden de aanwezigheid van een volgens het recht of op grond van een ernstig bezwaar om er een te hebben of te gaan zoeken bevoegde assistent. Bovendien moet er een niet noodzakelijk dreigend, maar wel aanstaande levensgevaar zijn, ook als de feiten daarna een dergelijke inschatting loochenen of moeten er ook buiten levensgevaar dergelijke omstandigheden zijn dat men naar wijs oordeel voorziet dat deze toestand gedurende minstens een maand zal duren.

Wat de getuigen betreft, wordt er van hen niets anders gevraagd dan dat zij aanwezig zijn, in het bezit zijn van hun verstandelijke vermogens en in staat zijn te getuigen van de viering van het huwelijk.

Bij de buitengewone vorm is er geen enkele bijzondere formaliteit vereist voor het geven van de consensus; voldoende is een uiterlijke uiting of “een of andere publieke vorm” (vgl. can. 1127 §2) ten overstaan van twee getuigen.

Wat de eventuele aanwezigheid van een priester of een diaken die niet bevoegd zijn te assisteren, betreft, is deze wenselijk, niet voor de geldigheid van de buitengewone vorm, maar opdat zij mede verantwoordelijk zijn bij de mededeling aan de pastoor van de viering in de buitengewone vorm en ook om het heilig karakter van deze viering te onderstrepen.

De personen die gehouden zijn aan de canonieke vorm

Wie zijn dus de personen die gehouden zijn aan de canonieke vorm op straffe van nietigheid van hun huwelijk?

De Codex verduidelijkt dit in can. 1117; de canonieke vorm moet in acht genomen worden, als tenminste één van de partijen die het huwelijk sluiten, in de katholieke Kerk is gedoopt of hierin opgenomen na het doopsel te hebben ontvangen in een andere niet-katholieke gemeenschap. De ander die het huwelijk sluit, kan een katholieke gedoopte zijn of een niet-katholieke gedoopte christen of een niet-gedoopte, al naar gelang het geval met inachtneming van de bepalingen inzake gemengde huwelijken[6] of huwelijken met verschil in eredienst[7].

Bij gemengde huwelijken of huwelijken met verschil in eredienst worden de eisen betreffende de canonieke vorm van het huwelijk veel flexibeler en indien ernstige moeilijkheden een belemmering zijn om de canonieke vorm in acht te nemen, dan heeft de locale Ordinaris van de katholieke partij de macht om ervan te dispenseren, behoudens “een of andere publieke vorm van viering” (vgl. can. 1127 §2) voor de geldigheid van het huwelijk[8]. Het komt de bisschoppenconferentie toe de regels te bepalen volgens welke die dispensatie wordt verleend overeenkomstig een gemeenschappelijke praktijk in het gebied. Het is echter niet toegestaan dat vóór of na de canonieke viering er een andere religieuze viering van hetzelfde huwelijk is. Het is eveneens niet toegestaan dat de katholieke assistent en de niet-katholieke bedienaar bij het vieren van dezelfde ritus beiden de consensus van de partijen vragen.

In moeilijkere situaties vereist het canonieke recht dat er slechts één “een of andere publieke vorm van viering” is. Om welke vorm gaat het?

Het gaat in dit geval om een publieke vorm van het recht die in een bepaalde maatschappelijke context wordt gebruikt, zoals de ritus van een religieuze niet-katholieke gemeenschap of ook de louter burgerlijke vorm van het huwelijk.

De Kerk kan dus in enkele gevallen een huwelijk valideren dat alleen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand is gesloten of volgens de ritus van een christelijke niet-katholieke Kerk is gevierd; zij kan een publieke vorm van huwelijk “canoniseren” door de dispensatie van de canonieke vorm te verlenen. Zij kan ook, zoals bij de buitengewone vorm, de eisen van de canonieke vorm tot een minimum te beperken. Zij “canoniseert” echter niet de traditionele riten van het gewoontehuwelijk in Afrika; deze riten worden immers niet beschouwd als “publieke vorm van viering”.

Men kan zich de vraag stellen waarom de flexibiliteit ten opzichte van de vorm van viering van het huwelijk die het canoniek recht in sommige omstandigheden toestaat, niet van toepassing is op de viering van de traditionele Afrikaanse huwelijken, waarbij men het verschijnsel waarover wij het hebben gehad, doet ontstaan, namelijk dat van een groot aantal gelovigen die zijn uitgesloten van de sacramenten, omdat zij in een toestand leven die als ongeregeld wordt beschouwd.

De Afrikanen die katholiek zijn geworden en gebonden zijn aan hun tradities, zijn verrast door de punctuele en individualistische wijze die de viering van het huwelijk in het Westen kenmerkt, en zij staan vaak perplex, wanneer zij zien dat stellen die het voortschrijdende proces van het traditionele huwelijk ingaan, als levend in concubinaat worden beschouwd. Enkele Afrikaanse schrijvers beschuldigen het recht van de Kerk ervan geen rekening te houden met hun culturen, wat de vorm betreft die vereist is voor de geldigheid van het huwelijk, en zij dringen aan op een ernstige reflectie in dezen.

Wanneer men verwijst naar de motieven van het opleggen hiervan op het Concilie van Trente, wordt de canonieke vorm van het huwelijk door veel Afrikanen gezien als een transponeren van westerse huwelijksgewoonten en verliest dit zijn betekenis in een omgeving waarin het huwelijk publiek is en een gemeenschapsdimensie heeft[9].

 

Silvia Recchi

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

______________________

[1] Wat de plaatselijke Ordinaris betreft, gaat het, behalve om de paus, om de diocesane bisschop en de prelaten die aan hem zijn gelijkgesteld, de diocesane administrator, de hulpbisschop coadiutor en de hulpbisschop die begiftigd is met bijzondere bevoegdheden; de vicaris-generaal en de bisschoppelijke vicarissen, al naar gelang de inhoud van hun benoeming, voor een bepaald gebied of een categorie van personen.

[2] De territoriale pastoor, de personele pastoor, de plaatsvervangende pastoor, de parochiële administrator en ook nog de parochiële vicaris of de bevoegde priester van de parochie.

[3] Behoudens de uitzonderingen waarin is voorzien door can. 1112 §1 (lekenassistent), can. 1116 (buitengewone vorm), can. 1127 §§1-2 (gemengd huwelijk), voor ogen houdend dat in het geval van gemeenschappelijke dwaling en positieve en waarschijnlijke twijfel, supplet Ecclesia (can. 144).

[4] Voor de plaats van de viering vgl. can. 115.

[5] De bevoegdheid om te assisteren bij het huwelijk van deze personen, van wie tenminste één het eigen subject is, kan worden toegevoegd aan die van de locale Ordinaris of de territoriale pastoor.

[6] Dat is het huwelijk tussen twee personen van wie de een in de katholieke Kerk is gedoopt of daarin is opgenomen, en de ander deel uitmaakt van een christelijke Kerk of gemeenschap die niet in volle gemeenschap is met de katholieke Kerk.

[7] Dat is het huwelijk tussen twee personen van wie de een is gedoopt in de katholieke Kerk of daarin is opgenomen, en de ander niet is gedoopt.

[8] Aangezien de eisen van de canonieke vorm van kerkelijk recht zijn en niet van goddelijk recht, kunnen zij minder strikt worden gemaakt of kan men deze zelfs in enkele gevallen laten verdwijnen. Het recht voorziet in een dispensatie in problematischere gevallen. Men mag bovendien niet vergeten dat er de mogelijkheid is om een radicale sanering toe te staan om een huwelijk te normaliseren dat bijvoorbeeld alleen maar burgerlijk is of gevierd in een protestantse kerk zonder de canonieke vorm in acht te nemen en zonder dat hiervoor dispensatie is gevraagd, op voorwaarde dat er de consensus is van de partijen over de wezenlijke eigenschappen van het huwelijk (monogamie, onontbindbaarheid...).

[9] Vgl. J.M. V. Aksanti Koko Balegamire, Mariage africain et mariage chrétien, L’Harmattan, Paris 203, 208.


10/06/2014


 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis