|
Kennismaking met kerkelijk recht/8
HOE WORDT MEN HEILIG?
Het canonisatieproces
Hoe kan men de herinnering aan het Sint Pietersplein gedurende de begrafenis van Johannes Paulus II uitwissen, toen de kreten van de gelovigen om zijn onmiddellijke canonisatie vroegen door "Santo subito!" te scanderen, en zo een oude traditie in herinnering brachten van de Kerk die het mogelijk maakte de heiligheid af te kondigen door acclamatie van het volk?
Het is ongetwijfeld een onvergetelijk ogenblik geweest.
Ondanks deze eisen en ondanks de petitie, ondertekend door de kardinalen bij het conclaaf, die in dezelfde richting ging, is Johannes Paulus II niet "onmiddellijk heilig" verklaard. Zijn zaligverklaring is uitgesproken op 1 mei 2011, zes jaar na zijn dood.
In ieder geval een uiterst korte tijd. Zijn opvolger heeft getracht de fundamentele procedures, waarin de Kerk voor een zaligverklaring voorziet, te respecteren, maar heeft het proces in aanzienlijke mate willen versnellen.
Benedictus XVI heeft inderdaad toestemming verleend dat de procedure onmiddellijk na de dood werd opgestart; door dit toe te staan werd afgeweken van de regel volgens welke een zaligverklaringsproces pas minstens vijf jaar na de dood van betreffende persoon kan beginnen. Bovendien heeft de huidige paus toegestaan dat de zaak met prioriteit werd behandeld, daarmee de lange wachtlijst vermijdend die na de diocesane fase van het onderzoek wordt geschat op een duur van ongeveer twaalf jaar op grond van de zeer vele desbetreffende dossiers die aan de Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen worden voorgelegd.
Voor Johannes Paulus II heeft de diocesane fase van het proces slechts twee jaar geduurd. Een zeer korte tijd, als men het geweldige werk in aanmerking neemt dat hij heeft nagelaten en waarvan men elk geschrift heeft moeten onderzoeken. De Vaticaanse fase van het proces heeft op haar beurt vereist dat men minutieus iedere beslissing en handeling onderzocht, juist omdat het een paus betrof.
Het proces heeft nauwelijks zes jaar geduurd.
Om tot een zaligverklaring te komen vereist de canonieke procedure, waar het niet een martelaar betreft, dat er een wonder geschiedt om de heiligheid van leven van de kandidaat te bevestigen. In het geval van Johannes Paulus II heeft Benedictus XVI een wonder ten gunste van een Franse religieuze, zuster Marie Simon Pierre van de Congregatie van de Kleine Zusters van de katholieke kleuterscholen, authentiek verklaard: haar onverwachte genezing van de ziekte van Parkinson op voorspraak van de overleden paus is na alle medisch en kerkelijk onderzoek erkend.
Wat is een canonisatie?
De Kerk heeft altijd de gedachtenis van de heiligen geëerd door de gelovigen hun voorbeeld van heiligheid voor te houden. Zij heeft de normen vastgesteld om de waarheid in een zo belangrijke materie te onderscheiden; een zaligverklaring en een heiligverklaring worden inderdaad alleen maar uitgesproken na een zeer nauwgezet proces.
De regels die deze bepalen, zijn in de loop der eeuwen aan verschillende herzieningen onderworpen. Zij werden opgenomen in het Wetboek van Canoniek Recht van 1917, maar komen niet meer voor in het huidige Wetboek, dat, wat dit betreft, stelt dat de canonisatieprocessen worden geregeld door een specifieke normering (vgl. can. 1403).
Deze normering wordt volgens de door Johannes Paulus II gewilde herziening vastgesteld door de apostolische constitutie van 25 januari 1983 Divinus perfectionis Magister, die de bestaande procedures heeft willen vereenvoudigen om ze sneller te maken; de nieuwe normen hebben meer ruimte gegeven aan de locale Kerken en het belang van wonderen verminderd door de aandacht meer te concentreren op de heiligheid van leven van de kandidaat voor canonisatie[1].
Canoniseren wil zeggen erkennen dat iemand waard is om een publieke verering te krijgen in de universele Kerk vanwege zijn voorbeeldig leven dat deel heeft aan de heiligheid van God.
Om de zaligverklaring of heiligverklaring te verkrijgen is het dus noodzakelijk deze voorbeeldigheid van leven, de weldadige invloed ervan op de gelovigen en de geestelijke uitstraling van de "dienaar Gods" (zo wordt de gelovige genoemd van wie het canonisatieproces is opgestart) na zijn dood.
Aan het einde van de procedure moet de marteldood worden aangetoond, dat wil zeggen de dood die in trouw aan het geloof is ondergaan als hoogste getuigenis van liefde tot God, ofwel moeten de christelijke deugden worden bewezen als teken van een levend geloof. Bij afwezigheid van de marteldood kan de dienaar Gods de zaligverklaring verwerven, indien er na zijn dood een wonder is geschied.
De procedures van zalig- en heiligverklaring kunnen recente en oudere processen betreffen. Voor de eerste zijn de bewijzen gebaseerd op het mondeling getuigenis van ooggetuigen, voor de tweede worden deze vooral ontleend aan geschreven bronnen die onderzoek vereisen door deskundigen in de geschiedenis en archivarissen.
De diocesane fase
Om een zaligverklarings- of heiligverklaringsprocedure te openen is er een "actor" die de morele en organisatorische verantwoordelijkheid van het proces op zich neemt; als actor kunnen optreden een bisschop, rechtspersonen, instituten van gewijd leven, een vereniging van gelovigen of slechts een gelovige.
De actor benoemt een postulator, die ermee wordt belast het voorafgaande onderzoek van het proces te doen en de gang ervan te volgen; het moet een deskundige zijn in de theologie, het canoniek recht en de geschiedenis. Hij is woonachtig in het bisdom waar het onderzoek plaatsvindt, en moet gedurende de Vaticaanse fase van het onderzoek in Rome een vaste verblijfplaats hebben.
De postulator richt een verzoek tot de bisschop van het bisdom waar de kandidaat voor de heiligheid is gestorven, waarbij hij de noodzakelijke documentatie verschaft; het is echter noodzakelijk dat de kandidaat minstens sinds vijf jaar is gestorven.
Als het verzoek wordt geaccepteerd, wordt nu de bisschop of zijn gedelegeerde belast met het proces te instrueren. Hij zal een rechtbank benoemen met de opdracht de bewijzen te verzamelen en te onderzoeken. Hij zal zich wenden tot deskundigen in de theologie en de geschiedenis, getuigen laten horen, de geschriften van de dienaar Gods laten onderzoeken, een onderzoek laten verrichten naar de christelijke deugden of het martelaarschap.
Het betreft een echte juridische instructie, aan het einde waarvan het proces met het oordeel van de bisschop wordt overgedragen aan de Congregatie van de Zalig- en Heiligverklaringen, die de eindinstructie zal verrichten.
De Vaticaanse fase
Genoemde congregatie, die wordt gevormd door een college van kardinalen en bisschoppen, beschikt over relatoren en consultoren die deskundig zijn op verschillende gebieden van de theologie om ieder element van het proces te onderzoeken.
Wanneer de documentatie is ontvangen, bereidt een lid van de Congregatie de positio voor, dat wil zeggen een synthese van de zaak, die zal worden bestudeerd door een groep deskundigen in de geschiedenis en vervolgens door deskundigen in de theologie; als hun oordeel gunstig is, wordt het proces overgedragen aan de bisschoppen en de kardinalen van de Congregatie.
De procedure vindt plaats via strenge en nauw omschreven fases. Zoals een strafproces, waar aanklacht en verdediging elkaar treffen, tracht in een zaligverklarings- of heiligverklaringsproces de postulator van de zaak aan te tonen dat de dienaar Gods waardig is zalig verklaard te worden (of dat de zalige het verdient heilig verklaard te worden), terwijl de promotor fidei, een soort advocaat-generaal, die traditioneel bekend staat als "advocaat van de duivel", de taak heeft niets na te laten door licht te werpen op ieder aspect van het leven van de kandidaat, inclusief hetgeen voor de zaak ongunstig zou kunnen zijn.
De Congregatie geeft haar verdict na stemming; als het oordeel gunstig is, wordt de zaak bij de Heilige Vader ingediend, aan wie het eindoordeel toekomt.
Als de Heilige Vader de heldhaftigheid van de deugden van de dienaar Gods vaststelt, wordt deze "eerbiedwaardig" verklaard. Als de eerbiedwaardige als martelaar wordt erkend, wordt hij onmiddellijk "zalig"; in het tegengestelde geval vereist de zaligverklaring het erkennen van een wonder na zijn dood dat wordt toegeschreven aan zijn voorspraak. Een gelijke en hiervan gescheiden procedure wordt ingesteld om de authenticiteit van het wonder (super miro) op te helderen en eerst in het bisdom waar het wonder is geschied, gevolgd. Wanneer het onverklaarbare genezingen betreft, vereist het onderzoek om de authenticiteit van het wonder te bevestigen de bijstand van deskundigen in de geneeskunde.
De verering van het volk Gods
Nu kan de zaligverklaring worden uitgesproken; de zalige is een lokale verering waardig in een particuliere, nationale Kerk of binnen zijn instituut van gewijd leven. Hij wordt in de liturgische kalender van het bisdom of de religieuze familie ingeschreven bij de dag van de verjaardag van zijn dood.
Een tweede wonder, geschied na de zaligverklaring, is noodzakelijk (ook voor wie is erkend als martelaar), wil de zalige gecanoniseerd, dat wil zeggen "heilig" worden verklaard. De heilige wordt dan ingeschreven in de kalender van de universele Kerk en is onderwerp van verering door heel het volk Gods.
De Kerk brengt zo eer aan haar heiligen door hun leven en hun getuigenis aan de gelovigen voor te houden, opdat zij in hen voorbeelden vinden om na te volgen.
Silvia Recchi
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
[1] Op 7 februari 1983 heeft de Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen de Normae servandae in inquisitionibus ad Episcopos faciendis gepubliceerd, die de regels bepalen die moeten worden in acht genomen bij een diocesaan onderzoek voor zalig- en heiligverklaringsprocessen; zij heeft ook het algemene decreet gepubliceerd De servorum Dei causis over de zaken die nog wachten op behandeling. Nog recenter, op 17 mei 2007, heeft dezelfde Congregatie de instructie Mater Sanctorum gepubliceerd om een efficiëntere samenwerking te bevorderen tussen de Heilige Stoel en de bisschoppen inzake het onderzoek over de processen van heiligen.
|
Silvia Recchi, lid van de Gemeenschap Redemptor hominis, behaalde het doctoraat in de Politieke Wetenschappen, en vervolgens het doctoraat Summa cum laude in Kerkelijk Recht aan de Pauselijke Gregoriaanse Universiteit, met een thesis over het godgewijde leven. Zij doceert aan de Katholieke Universiteit van Centraal-Afrika (Yaoundé - Kameroen) als Directrice-emeritus van het Departement Kerkelijk Recht. Zij is juridisch adviseur van de Conferentie van Algemene Oversten van Kameroen en van de ACERAC (Vereniging van de Bisschoppenconferenties van Centraal-Afrika). Zij is vertegenwoordigster van Afrika in de Internationale Genootschap "Kerkelijk Recht en Cultuur". Zij is lid van de redactie van het tijdschrift "Quaderni di diritto ecclesiale" en auteur van de commentaar bij de canons over de Instituten van het godgewijde leven in de Codice di Diritto Canonico Commentato (in opdracht van de redactie van "Quaderni di diritto ecclesiale"), Ancora, Milaan 2004.
Ze publiceerde veel artikelen in gespecialiseerde tijdschriften van Kerkelijk Recht en godgewijd leven.
|
25/06/2011
|