|
Kennismaking met kerkelijk recht/10
DE ZONDAGSLITURGIE
Onder liturgisch recht wordt het geheel van normen verstaan die de liturgie van de Kerk regelen.
Het stelsel van normen voor de liturgie komt voort uit de aard en de functie van de heiligingstaak van de Kerk. De liturgie heeft een dubbele betekenis: in neerwaartse zin, de mensen heilig maken, en in opwaartse zin, Hem verheerlijken die alleen heilig is, God. Zij heeft ten doel de mens deel te laten nemen aan het goddelijk leven en God eer te bewijzen[1]. Deze twee aspecten brengen Gods handelen onlosmakelijk in verband met dat van de mens, zodat door middel van waarneembare, door de mens tot stand gebrachte tekenen het ingrijpen van God tot heil van de mensen wordt betekend. Deze menselijke handelingen, hoe eenvoudig en armzalig ze ook zijn, maken derhalve goddelijke gebaren mogelijk: zonder de eerste kunnen de tweede er niet zijn. Hieruit kan men het belang afleiden van de liturgie van de Kerk.
De liturgische normen van de Wetboek van Canoniek Recht, die wij verzameld vinden in boek IV onder de titel "Heiligingstaak van de Kerk", laten christologische en ecclesiologische kenmerken zien overeenkomstig hetgeen het Tweede Vaticaans Concilie heeft belicht in de constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum Concilium, waar onder nr. 7 wordt gesteld dat "elke liturgische viering, als werk van Christus, de Priester, en van zijn lichaam, de Kerk, bij uitstek een heilig handelen is".
De eucharistieviering
Zoals canon 897 van het Wetboek van Canoniek Recht stelt, heeft het eucharistisch offer in het liturgische leven van de christen een verheven plaats, "het hoogtepunt en de bron van de gehele eredienst en van het christelijk leven; het betekent en bewerkt de eenheid van het Godsvolk en realiseert de opbouw van Christus' Lichaam". Hierin is immers Christus de Heer zelf aanwezig, wordt Hij geofferd en genuttigd en hierdoor leeft en groeit de Kerk voortdurend. Benedictus belicht in dit verband onder nr. 15 van de apostolische exhortatie Sacramentum Caritatis dat "de Eucharistie fundamenteel is voor het handelen en zijn van de Kerk".
Op grond hiervan richt de Kerk zich middels het Wetboek van Canoniek Recht tot de gelovigen opdat "zij de Eucharistie ten zeerste in ere houden, door een actieve deelname aan de viering van het meest verheven Offer" (can. 898), en voegt er in can. 1246 § 1 aan toe dat de zondag, waarop het paasmysterie wordt gevierd, "in de gehele Kerk als de oorspronkelijke geboden feestdag onderhouden moet worden".
Dit principe vindt zijn oorsprong in het begin van de Kerk, toen men "met dezelfde woorden Corpus Christi zowel het lichaam aanduidde dat uit Maria is geboren, als het eucharistisch Lichaam. Dit duidelijk in de traditie aanwezige gegeven helpt ons tot een groeiend besef te komen van de onafscheidelijkheid tussen Christus en de Kerk"[2], dus tussen de Kerk en de liturgie.
De eucharistieviering omvat bovendien het hele van het volk van God, die in de verrezen Heer al de inspanningen, verlangens en hoop ervan weer op zich neemt. "Daarom kan de Mis niet een ogenblik zijn dat losstaat van ons leven, ons gezin, het werk, de studie, de problemen van de mensen. Zonder deze eigenschappen wordt de Eucharistie gereduceerd tot een klerikale handeling, verwezenlijkt door een clerus die een kaste is geworden van afzonderlijke personen, terwijl priesters mensen moeten zijn onder de mensen"[3]. De Eucharistie is dus de liturgische handeling bij uitstek van heel het Godsvolk dat zich met zijn Heer verenigt in het offer van het altaar.
De zondagsplicht
Uit de centrale plaats die de zondagse eucharistieviering inneemt in het leven van een christen, komt in overeenstemming met de bedoelingen van het Tweede Vaticaans Concilie, in het bijzonder van Sacrosanctum Concilium het voorschrift voort van can. 1247 dat bepaalt: "Op zondag en op andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan de Mis deel te nemen".
Het voorschrift betreft alle gedoopten van de katholieke Kerk die hun zevende jaar hebben voltooid en voldoende gebruik van het verstand hebben (can. 11). Aan dit voorschrift kan worden voldaan door aan de Mis deel te nemen overal waar deze in een katholieke ritus wordt gevierd, op de feestdag zelf of op de avond van de voorafgaande dag, overeenkomstig hetgeen can. 1248 § 1 bepaalt.
Een uitzondering op deze verplichting is "het ontbreken van een gewijde bedienaar" of "een andere ernstige reden", zoals can. 1248 §2 bepaalt. In dit geval "wordt ten zeerste aanbevolen dat de gelovigen deelnemen aan de liturgie van het Woord", gevierd volgens de voorschriften van de diocesane Bisschop, in de parochiekerk of in een andere gewijde plaats, of dat zij zich gedurende de nodige tijd aan het gebed wijden, persoonlijk of in het gezin of in groepen van gezinnen.
Wanneer wij stil blijven staan bij de clausule die de christengelovige "vanwege een ernstige reden" van de plicht ontslaat om aan het voorschrift betreffende de feestdag te voldoen, preciseert de Catechismus van de Katholieke Kerk bij nr. 2181 dat men hiertoe ziekte en zorg voor zuigelingen dient te rekenen. Deze voorschriften maken het mogelijk het ongemak voor betreffende personen te verlichten en de liturgie met de eerbied en de orde te vieren die de waardigheid van het liturgisch handelen toekomen. Bovendien kan de eigen pastoor dispensatie verlenen van deze zondagse verplichting.
Zij die willens en wetens, indien zij niet zijn verhinderd vanwege de reeds vermelde redenen, de verplichting om aan de zondagsmis deel te nemen niet naleven, begaan een zware zonde.
Liturgie van de Eucharistie en volksvroomheid
Geen enkele handelen kan in effectiviteit de liturgie evenaren: van nature steekt zij hoog boven de oefeningen van godsvrucht en de verschillende vormen van volksdevotie en volksreligiositeit uit. Zij dienen op de liturgie gericht te zijn zonder tegenstellingen of wat voor vormen van marginaliseren dan ook te creëren en zonder de verschillende uitdrukkingen en formuleringen van vroomheid te vermengen met liturgische vieringen[4].
Dit betekent niet dat het rozenkransgebed, de deelname aan processies en bedevaarten, de verering van relikwieën, medailles of heilige beeltenissen, met gebeden of kaarsen geen betekenis hebben. Deze blijken van volksreligiositeit liggen "in het verlengde van het liturgisch leven van de Kerk, maar ze zijn er geen vervanging van"[5].
Men moet immers de juiste schaal van waarden respecteren en de liturgische vieringen van de christengemeenschap niet vervangen door akten van vroomheid en evenmin deze laatste vermengen met liturgievieringen. Godvruchtige praktijken hebben immers niet een waarde op zich, maar alleen in verband met de mysteries van Christus, van wie de verrijzenis wordt gevierd met de zondagse eucharistische gemeenschap.
Maria Cristina Forconi
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
[1] Vgl. R. Coronelli, La missione sacerdotale della Chiesa, in Corso istituzionale di diritto canonico, a cura del Gruppo Italiano Docenti di Diritto Canonico, Ancora Editrice, Milano 2005, 307.
[2] Sacramentum Caritatis, 15.
[3] E. Grasso, Dal sacrificio alla festa. La struttura della Messa è la struttura della nostra vita, Editrice Missionaria Italiana (Mosaico della Missione 2), Bologna 2009, 37.
[4] Vgl. R. Coronelli, La missione sacerdotale della Chiesa..., 312.
[5] Catechismus van de Katholieke Kerk, 1675.
25/08/2011
|