Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Kennismaking met het godgewijde leven ▸ arrow Kennismaking met het godgewijde leven/11. Het doopsel verder uitdiepen
sito ufficiale

  ¡PAS OP! DEZE WEBSITE IS EEN ARCHIEF - KLIK HIER OM NAAR DE NIEUWE WEBSITE OVER TE GAAN

 
Afdrukken Verzenden naar een vriend
 

Kennismaking met het godgewijde leven/11
 


HET DOOPSEL VERDER UITDIEPEN


Enkele gelovigen vragen zich af waarom het godgewijde leven onder geen enkel specifiek sacrament valt.

Je wordt priester door het sacrament van het priesterschap dat een speciaal karakter heeft, en de gelovige de functie geeft van een gewijde bedienaar. Hetzelfde gebeurt bij het sacrament van het huwelijk: man en vrouw worden 'echtgenoten' aan wie de opdracht toevertrouwd wordt om op zichtbare wijze de liefde tussen Christus en zijn Kerk uit te drukken.

Daar tegenover staat het godgewijde leven: daarvoor is er geen sacrament voorzien. Het is verbonden met de fundamentele sacramenten van doopsel en vormsel die ons tot christen maken.

Omwille van deze inleidende bemerkingen is het nodig om enkele theologische aspecten uit te diepen die dit verband tussen de toewijding van het doopsel en het godgewijde leven uiteenzetten.

Roeping als gedoopte en het godgewijde leven

Gezien vanuit de sacramenten behoren godgewijde personen niet tot een speciale staat binnen de Kerk. Zij leven gewoon als christen zoals iedere ander christen. Wel beantwoorden zij de eisen van doopsel en vormsel volgens een speciale modaliteit: zij beleven de eisen van de roeping als christen op een zuivere en eenvoudige manier[1].

Het godgewijde leven is geen superdoopsel, maar is heel diep geworteld in de toewijding van het doopsel. Godgewijden drukken op een bijzonder intense manier uit wat de roeping is van alle gelovigen. Zij zijn helemaal geen spirituele aristocratie of een bevoorrechte klasse met speciale rechten of bescherming.

Het theologische debat dat over de relatie tussen de toewijding van het doopsel en de toewijding van het godgewijde leven gaat, is dikwijls zeer levendig. Soms werd verondersteld dat het godgewijde leven zogezegd superieur was tegenover de levensstaat van de gedoopte gelovige. Deze visie werd ondersteund door verschillende argumenten die afgeleid werden van de Griekse filosofie in plaats van uit een authentieke bijbelse spiritualiteit, en die geïnspireerd werden door een spiritualiteit van ‘wereldvlucht', een vlucht uit de geschiedenis ten voordele van een ideaal van morele perfectie, samen met een misprijzen van het lichaam en van de geschapen realiteit[2].

De Concilievaders die de dogmatische constitutie Lumen gentium schreven, hadden eerst vooropgesteld dat zij "De universele roeping tot heiligheid in de Kerk" in één enkel hoofdstuk zouden uitschrijven. Dat was dan het huidige hoofdstuk V, en "De religieuzen", het huidige hoofdstuk VI. Hun bedoeling was de diepe samenhang tussen de universele roeping van de christen en de roeping als religieus in het licht te stellen. Onder impuls van een groep bisschoppen werd dit 'ene' hoofdstuk in vraag gesteld. Zij wilden een aangepaste plaats geven en een apart eerbetoon bewijzen aan het religieuze leven en zijn zending in de Kerk. Het werden dus twee hoofdstukken. Maar ook nu blijven de twee hoofdstukken in een intieme eenheid met elkaar verbonden in hun visie.

Het Concilie was vooral bezorgd om de universele roeping tot heiligheid te benadrukken. Deze universaliteit bestaat erin dat allen de liefde zouden beleven in haar dubbele dimensie van kinderlijke liefde voor God en broederlijke liefde tegenover de naaste.

Vaticanum II heeft de indruk willen vermijden dat heiligheid een soort monopolie van religieuzen zou zijn, en heeft daarom het veeleisende karakter van de roeping tot christen bevestigd. Het is het doopsel dat ons leidt naar een evangelische radicaliteit. Als je het nieuwe leven in Christus aanhangt, betekent dit een 'breuk' met de logica van de wereld. Deze radicaliteit is echter niet voorbehouden aan een of andere categorie van gelovigen, ofschoon de concrete manier waarop zij haar beleven onderling verschilt.

Een 'nieuwe en bijzondere titel'

Het leven als christen heeft een gemeenschappelijk doel voor alle christenen: allen moeten de liefde nastreven. De wegen daartoe en de eisen van het concrete leven kunnen verschillend zijn in de uitdrukking ervan. De oorspronkelijkheid van het godgewijde leven bestaat in de gekozen middelen, namelijk de beoefening van de evangelische raden. Dat is hun geëigende weg tot het gemeenschappelijke doel.

Door de gelofte van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid, beleefd volgens het charisma van het instituut, zien de godgewijden ervan af om een eigen familie te stichten. Zij beleven een existentiële onthechting van de waarden en de natuurlijke plichten van de wereld. Voor de godgewijden gaat het er niet alleen om de natuurlijke waarden en de plichten van het gewone leven te beleven, zelfs als zij dit doordrenken met de geest van het Evangelie. Zij creëren nieuwe structuren van broederlijk leven, die hun zin ontvangen vanuit Christus en vanuit de evangelische waarden, die als absolute waarden aangenomen worden. Daarom aanvaarden godgewijden een levensstijl die het transcendente aspect van de roeping als christen en haar eschatologische dimensie zichtbaarder tegenwoordig stelt.

Het magisterium van de Kerk beschouwt de toewijding van hen die zich verbinden tot de evangelische raden, als een verdieping en een 'volmaakter' uitdrukking van de toewijding van het doopsel. Het omschrijft ze als een 'speciale toewijding', een 'nieuwe en bijzondere titel'[3].

Met betrekking tot de opdracht heiligheid zichtbaar te maken, 'situeert' het godgewijde leven zich objectief op het niveau van voortreffelijkheid, omdat het dezelfde levenswijze weerspiegelt als het leven van de Heer[4]. Dat mag er niet toe leiden om de 'subjectieve' superioriteit van de godgewijde personen te bevestigen, alsof zij dankzij hun roeping en dankzij hun 'nieuwe titel' de heiligheid al zouden bereikt hebben. Het erkent alleen dat hun levensstaat op zich 'de komende tijd' al aankondigt en in zekere zin vooraf beleeft[5]. Het godgewijde leven toont de volheid van de roeping tot christen en haar eschatologische perspectieven.

Sommige auteurs hebben het moeilijk met de uitdrukkingen van 'godgewijd leven' en 'toewijding' voor gelovigen die zich tot de evangelische raden verbinden. Zij hebben schrik dat deze terminologie een speciale heiligheid en een superioriteit van de godgewijde personen tegenover de gewone gedoopten zou insinueren.

Met de term 'toewijding' heeft het magisterium van de Kerk willen benadrukken dat de weg van beoefening van de evangelische raden mogelijk is door een genade van de H. Geest. Het is een charismatische en niet eenvoudigweg een ascetisch-morele weg. Niet alle gelovigen worden tot die weg geroepen, want hij veronderstelt een bijzondere roeping. Zelfs de toewijding waarvan sprake is, is niet sacramenteel. Zij wordt geboren uit een nieuwe goddelijke tussenkomst en vanuit een nieuwe genade ontvangen door de gelovige en geschonken voor de opbouw van de Kerk.

"In de traditie van de kerk wordt de religieuze professie beschouwd als een uniek en vruchtbaar verdiepen van de toeheiliging aan God door de doop. ... Maar uit zich vraagt het doopsel niet dat men juist in die vorm van de evangelische raden celibatair of maagdelijk leeft, afziet van eigen bezit, aan een overste gehoorzaamt. Het beoefenen van die raden veronderstelt dus een bijzondere gave van God die niet aan iedereen wordt geschonken, zoals Jezus zelf benadrukt met betrekking tot het vrijwillige celibaat (Vgl. Mt 19,10-12). Bovendien gaat die uitnodiging gepaard met een speciale gave van de Heilige Geest, opdat de godgewijde mens aan zijn roeping en zending kan beantwoorden"[6].

Silvia Recchi






________________________

[1] "De leden van de Gemeenschap zijn op grond van hun toewijding in het doopsel met elkaar verbonden door hun gemeenschappelijke roeping om zo vollediger en bewuster deel te hebben aan de heilszending van Christus, de Verlosser, ten dienste van de universele Kerk, in de evangelische inspiratie van het eigen charisma.", Statuten van de Gemeenschap Redemptor hominis, 3.
[2] Vgl. E. Bianchi, Si tu savais le don de Dieu. La vie religieuse dans l'Église, Editions Lesius, Bruxelles 2001, 45-47.
[3] Perfectae caritatis, 1 en 5; Vita consecrata, 30; Wetboek van Canoniek Recht, can. 573.
[4] Vgl. Vita consecrata, 32.
[5] Vgl. Vita consecrata, 32.
[6] Vgl. Vita consecrata, 30. De exhortatie verklaart verder: "De beoefening van de evangelische raden is ook een verdere ontplooiing van de sacramentele genade van het vormsel, maar gaat verder dan de normale eisen van de bij het vormsel ontvangen toeheiliging aan God, krachtens een speciale gave van de heilige Geest die de weg baant naar nieuwe mogelijkheden en vruchten van apostolaat en heiligheid. De geschiedenis van het godgewijde leven toont dat aan. Wat priesters betreft die de gelofte afleggen van de evangelische raden, leert de ervaring dat het afleggen van die belofte aan het sacrament van de priesterwijding een bijzondere vruchtbaarheid schenkt. Want het beoefenen van de evangelische raden vereist een nauwere band met de Heer en bevordert die ook. Mede dankzij de eigen spiritualiteit van zijn instituut en het apostolisch karakter van zijn charisma ondervindt de priester die de evangelische raden beoefent, bijzondere steun om in zich het Christusmysterie ten volle te beleven".




05/07/2010
 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis