Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema’s van Spiritualiteit ▸ arrow Jaar van de Priester arrow Jaar van de priester/13.De priester en de studie
sito ufficiale

  ¡PAS OP! DEZE WEBSITE IS EEN ARCHIEF - KLIK HIER OM NAAR DE NIEUWE WEBSITE OVER TE GAAN

 
Afdrukken Verzenden naar een vriend


Jaar van de Priester/13

 


DE PRIESTER EN DE STUDIE



In mijn priesterlijk leven heb ik zelden confraters ontmoet die voldoende tijd aan studie besteden. En toch is studie noodzakelijk: ze komt voort vanuit het beluisteren van het Woord dat wij verkondigen. Vaak wanneer men het er onder priesters over heeft, hoort men redeneringen als: "Waarom studeren, als men geen examens meer te doen heeft, wanneer andere soorten noden en activiteiten opdringen, wanneer de mensen tijd van ons opeisen? Betekent studeren zich niet ontdoen van de spirituele noden van de mensen en van het uitoefenen van de charitas?".

Blijkbaar is het niet zo. Integendeel, ik zou durven zeggen dat juist het uitoefenen van de charitas moet ons aanzetten tot studie.

In de loop van het Jaar van de Priester heeft Benedictus XVI herhaaldelijk het belang van de permanente vorming van de priesters onderstreept. Op 16 maart 2009 sprak hij over het belang "van de discipline (het woord is verbonden met "discipel") van de kerkelijke en leerstellige, en niet alleen de theologische vorming aan het begin van het priesterschap en ook permanent"[1]. Opnieuw op 19 juni 2009 benadrukte hij dat "voor bedienaars in dienst van het Evangelie studie en een degelijke en permanente pastorale opleiding zeker nuttig en nodig zijn"[2]. Tenslotte, bij de liturgische gedachtenis van de heilige Johannes Eudes, een heilige die bewogen was door een apostolische ijver, bijzonder gericht op de opleiding van de diocesane geestelijkheid, wijdde de Paus de catechese aan de theologische en intellectuele vorming van de priester[3]. Terecht dus behoort studie tot de pastorale liefde waartoe de priester geroepen is om die uit te oefenen ten bate van zijn volk. Zonder studie zal ons woord saai en dor worden, tot het punt dat we onbetekende priesters kunnen worden.

Als het waar is dat een eigen en definitieve identiteit van de priester bestaat, voortkomend van het sacramentele karakter van de wijding, dan is het ook waar dat het leven van de priester en het uitoefenen van het ambt nood hebben aan aanpassing wanneer tijden en culturele contexten veranderen. Zie daar hoe studie en nederige intellectueel zoekwerk broodnodig worden om de mens en de wereld tot wie men zich richt te begrijpen.

Van de kant van de priesters moet er een bijzondere zorg ontstaan om zich "voor het hogere licht van de heilige Geest open te stellen, om te ontdekken in welke richting de hedendaagse maatschappij gaat, om de diepste geestelijke behoeften te onderscheiden, om de meest belangrijke concrete taken en de aan te wenden pastorale methoden af te wegen en zo op geschikte wijze te beantwoorden aan de menselijke verwachtingen"[4]. In deze zin biedt studie ook noodzakelijke instrumenten om over de eigen pastorale ervaring na te denken en ze aan anderen bekend te maken.

Bij vele priesters doet de reële moeilijkheid zich voor om de klerikale problematiek, die aan de sacramentele praktijken gebonden is, te overschrijden of om het hoofd te bieden aan uitdagingen die een wereld in permanente verandering voorstelt. Het priesterbeeld dat vaak opvalt is dat van een priester die, eens hij de noodzaak tot permanente vorming, tot aggiornamento, tot theologische verdieping heeft laten varen, zichzelf tot een functionaris van de cultus reduceert en een middelmatigheid in het onderwijzen en een moraliserend karakter in de predicatie toont. Kortom, een priester die een spirituele vergrijzing ondergaat, heeft nood aan "een permanente vorming die de 'jeugdigheid' van de geest handhaaft. Dit kan niemand van buiten af opleggen, hij moet het voortdurend in zichzelf terugvinden. Alleen wie steeds het levendige verlangen bewaart om te leren en te groeien bezit die 'jeugdigheid'"[5].

De intellectuele vorming

De vorming van de priester is innerlijk verbonden met zijn intellectuele vorming. Deze heeft haar eigen specifieke kenmerken, maar "hangt toch nauw samen met de menselijke en geestelijke vorming, zozeer dat zij er een noodzakelijke uitdrukking van is. Zij vormt namelijk een onontkoombare eis van het verstand, waarmee de mens 'deel heeft aan het licht van de goddelijke geest' en een wijsheid zoekt te verwerven die op haar beurt openstaat voor en zich richt op het kennen en aanhangen van God"[6]. De afwezigheid van reflectie en van studie is, op een zekere wijze, symptoom van geloofsverzwakking.St.-Augustinus

Inderdaad, het menselijke verstand en de Gods gave zijn in dezelfde geloofsact verwikkeld, want het geloof vraagt helemaal niet de opoffering van het verstand. "Geloven is denken met de goedkeuring van het verstand"[7], zei Augustinus en de cogitatio, nl. de steeds nieuwe zoektocht van de ontevreden gelovige, is geen facultatief aspect van het geloof. Sint-Anselmus bevestigde dat het geloof vragen aan het verstand stelt. Het geloof neigt naar het verstand en de reflectie over de geloofservaring beantwoordt het dynamisme dat steeds in het geloof aanwezig is.

Er moet bijgevoegd worden dat de noodzaak aan intellectuele vorming en aan studie ook uit de liefde en haar dynamisme ontspringt: in de geloofsact kent de mens Gods goedheid en begint hem te beminnen, en de liefde verlangt steeds beter te kennen Wie ze bemint. Als het waar is dat de liefde al intelligentie van het mysterie is en dat zonder liefde de authentieke kennis ontbreekt[8], dan is het ook waar dat de liefde haar goedkeuring geeft. En dat niet ten gevolg van een logische deductie maar wel ter wille van de liefde voor Hem met wie ze instemt. Daarom verlangt ze een uitleg te vinden; ze begint een zoektocht die het verstand betrekt, ze brengt een reflectie voort en bewerkt nieuwe begrippen[9].

Bij wijze van slot: de noodzaak tot de vorming moet een soort habitus zijn die een neiging tot theologisch nadenken en tot evangelisch en apostolisch leven in de priester schept. Als deze habitus zijn wortels in het geloof heeft, is die daarom niet ingeboren. Het is de verovering van de menselijke inspanning, vrucht van een constante oefening. Het veronderstelt de geduldige weg van de kennis, evenals het scheppen van prioriteiten in de eigen activiteiten.

Studie is ook de last van een dagelijks werk, van een discipline en behoort, bij wijze van spreken, tot de ascese van het christelijke leven. In de mate dat studie een discipline vereist, kan ze het hart van de mens veranderen. Ze is een vorm van ascese in de volharding, door al de moeilijkheden die ze ondervindt en die van ons groeien naar de heiligheid deel uitmaakt.

Vaak heeft de geschiedenis de vertraging aangetoond waarmee de Kerk t.o.v. de werkelijkheden en de mensen van haar tijd omgaat. Het pijnlijke voorval van "het verlies" van de arbeidende klasse in Europa van de kant van de Kerk (en de poging tot een nieuwe benadering gestart met de Encycliek Rerum Novarum) kan een les zijn voor de Kerk van alle tijden en plaatsen.

De vraag die zich vandaag stelt, juist door lessen te trekken uit het verleden, is deze: welke priester zal in staat zijn de overgang te leiden van een christendom dat bijna exclusief in de sacramentele sfeer leefde, naar een christendom dat ontvankelijk is voor de evangelische eisen temidden van een wereld in volle culturele evolutie?

 

Maurizio Fomini

 



________________________

[1] Benedetto XVI, Udienza alla Plenaria della Congregazione per il Clero (16 marzo 2009), in www.vatican.va
[2] Benedetto XVI, Celebrazione dei Vespri della Solennità del Sacratissimo Cuore di Gesù (19 giugno 2009), in www.vatican.va
[3] Vgl. Benedetto XVI, Udienza Generale (19 agosto 2009), in www.vatican.va
[4] Pastores dabo vobis, 5.
[5] Pastores dabo vobis, 79.
[6] Pastores dabo vobis, 51.
[7] S. Agostino, De praedestinatione Sanctorum, II, 5.
[8] Vgl. 1Joh 4, 7.
[9] Vgl. Congregazione per la Dottrina della Fede, Istruzione su la vocazione ecclesiale del teologo, 24 maggio 1990, 6-7.

14/06/2010 

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis