Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Thema’s van Spiritualiteit ▸ arrow Jaar van de Priester arrow Jaar van de Priester/6. Een valse tegenstelling
sito ufficiale

  ¡PAS OP! DEZE WEBSITE IS EEN ARCHIEF - KLIK HIER OM NAAR DE NIEUWE WEBSITE OVER TE GAAN

 
Afdrukken Verzenden naar een vriend



Jaar van de Priester/6   



EEN VALSE TEGENSTELLING


Onze parochies in Vlaanderen worden al sinds geruime tijd geconfronteerd met een sterke dechristianisering.

De klassieke pijlers van het parochiale leven zijn in toenemende mate verzwakt, wat leegte en onzekerheid meebrengt. Kardinaal Danneels heeft meermaals de verwarring aangeklaagd, die zich geïnstalleerd heeft op de verschillende niveaus van de kerkelijke gemeenschap, vooral in de relatie tussen leken en priesters[1]. Eén van de redenen van de ontreddering is de dubbelzinnigheid over het 'ministerieel priesterschap', d.w.z. over wie het wijdingssacrament heeft ontvangen, en over het 'gemeenschappelijk priesterschap' van alle gelovigen, dat voortvloeit uit het doopsel[2].


Wat zegt de Kerk?

Binnen de Kerk zijn alle leden, zonder onderscheid, geroepen om in een organische gemeenschap actief en volgens de verschillende diensten en charisma's, deel te nemen aan de zending en de opbouw van het volk van God. Tussen het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen en het ministerieel priesterschap, "bestaat een wezenlijk verschil en niet slechts een graadverschil; maar toch staan ze in betrekking tot elkaar, want ze delen beide, elk op zijn eigen wijze, in het ene priesterschap van Christus" (Lumen gentium, 10).

Als dus de participatie in het enige priesterschap van Christus ieder lid gelijk maakt in waardigheid (vgl. Lumen gentium, 32), maakt de 'wijze' waarop die participatie gebeurt een fundamenteel verschil uit, want als "het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen zich verwezenlijkt door de ontplooiing van de doopgenade in een leven van geloof, hoop en liefde, een leven volgens de Geest, staat het ambtelijk priesterschap ten dienste van het gemeenschappelijk priesterschap en heeft het betrekking op de ontplooiing van de doopgenade van alle christenen" (Catechismus van de katholieke Kerk, 1547).

Bijgevolg, het ministerieel priesterschap "verschilt wezenlijk van het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen, omdat het een gewijde macht verleent ten dienste van de gelovigen. De gewijde bedienaars oefenen hun dienstwerk ten aanzien van het Volk van God uit door het onderricht (munus docendi), de goddelijke eredienst (munus liturgicum) en het pastoraal bestuur (munus regendi)" (Catechismus van de katholieke Kerk, 1592).

Welnu, volgens het Tweede Vaticaans Concilie kunnen de leken geroepen worden om mee te werken op het terrein dat eigen is aan het gewijde ambt van de clerus: "Tenslotte vertrouwt de hiërarchie aan de leken enkele taken toe, die nauwer verbonden zijn met de werkzaamheden van de priesters, zoals bij het onderricht in de christelijke leer, bij sommige liturgische handelingen, in de zielzorg" (Apostolicam actuositatem, 24).

Inderdaad, "als de noodzaak of het nut van de Kerk het eisen kunnen de herders verder aan de lekengelovigen bepaalde taken toevertrouwen die met hun eigen herderlijke bediening verbonden zijn maar niet het kenmerk van de wijding vereisen" (Christifideles laici, 23).

Niettemin, de uitoefening van deze taken "maakt van de leekgelovige geen herder: wat in feite constitutief is voor de bediening is niet de taak maar de sacramentele wijding. Alleen het wijdingssacrament verleent aan de gewijde bedienaar en bijzondere deelname aan het ambt van Christus, het Hoofd en de Herder, en aan zijn eeuwig priesterschap. De taak die bij wijze van suppletie uitgeoefend wordt, ontleend haar legitimatie onmiddellijk en formeel aan de officiële afvaardiging die door de herders gegeven wordt en waarvan de concrete vervulling geleid wordt door het kerkelijk gezag" (Christifideles laici, 23).

Het is belangrijk om deze leer te verdedigen. Sommige praktijken met het oog op een aanvulling van het tekort aan gewijde bedienaars in de schoot van de gemeenschap, zijn, in sommige gevallen, de hefboom geworden voor een opvatting van het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen die verwarring schept over de aard en de specifieke betekenis ervan. 

Benedictus XVI heeft ditzelfde concept onderstreept in een recente toespraak tijdens de audiëntie van donderdag 17 september 2009 tot de bisschoppen uit de Nordeste II van de bisschoppenconferentie van Brazilië. Zij waren daar voor hun bezoek ad limina Apostolorum. Hij verklaarde dat "het geringe aantal priesters de gemeenschappen ertoe kan brengen om zich neer te leggen bij dit tekort. Men troost zich dan soms met het feit dat dit tekort beter de rol van de lekengelovigen in de verf zet. Maar het is niet het gebrek aan priesters dat een actievere en solide participatie van de leken moet verantwoorden. Feitelijk, hoe meer de gelovigen zich bewust worden van hun verantwoordelijkheid in de Kerk, hoe helderder de specifieke identiteit en de onvervangbare rol worden van de priester als herder van het geheel van de gemeenschap, als getuige van de echtheid van het geloof en als bedienaar, in naam van Christus-het hoofd, van de heilsmysteries"[3].


De eigen taak van de leek

Wat is dan de eigen rol van de leek in de opbouw van het volk van God?

Velen denken nog altijd dat die er uitsluitend in bestaat om activiteiten te ontwikkelen binnen de Kerk: in de liturgie, de catechese of in andere domeinen. Zulke engagementen, hoe lofwaardig ook en hoe noodzakelijk soms ook, blijven toch gedelegeerde opdrachten. De dubbelzinnigheid ligt in het feit dat men meent alleen door dat soort werk mee te werken aan de opbouw van het rijk van God.

Met betrekking tot dit thema waarschuwt de Apostolische Exhortatie Christifideles laici de leek voor een dubbele bekoring, nl. "de verleiding om de belangstelling zo sterk te richten op de kerkelijke diensten en taken, dat zij vaak vervallen zijn in praktische onverschilligheid voor hun specifieke verantwoordelijkheid in de wereld van beroep, maatschappij, economie, cultuur en politiek, en de verleiding om de onrechtmatige scheiding tussen geloof en leven, tussen de aanvaarding van het evangelie en de concrete actie in de meest verschillende tijdelijke en aardse realiteiten, te rechtvaardigen" (Christifideles Laici, 2).

Het risico bestaat erin gevangen te blijven van wat H. U. von Balthasar de "dialectiek van het klerikalisme"[4] noemde.

Integendeel, de roeping van de leek is de Geest van Christus in de wereld te brengen. Het Concilie had al in Gaudium et spes gezegd dat deze zending immense horizonten opent voor de gelovige leken: horizonten van inzet in de wereld, in de wereld van de cultuur, de kunst en van het theater, van het wetenschappelijk onderzoek, het werk, de communicatiemiddelen, van de politiek, de economie. Die zending vraagt van hen het genie om altijd efficiëntere manieren te creëren opdat deze milieus in Jezus Christus hun volle betekenis zouden vinden (Vgl. Gaudium et spes, 32).

Dat is het eigene van de leek en ook de echte hulp die hij kan geven aan de priester en aan de Kerk. In die opdracht kan geen enkele priester hem of haar vervangen. "Nooit mag binnenkerkelijk werk een alibi vormen om deze 'seculiere' opdracht in het gedrang te brengen of te verduisteren"[5].

In dezelfde toespraak van donderdag 17 september verklaarde Benedictus XVI dat "je in het fundamentele onderscheid tussen het ministerieel priesterschap en het gemeenschappelijk priesterschap de specifieke identiteit begrijpt van de gewijde gelovigen en van de leken. Daarom is het nodig de secularisering van de priesters te vermijden alsook de klerikalisering van de gelovigen. In dat perspectief moeten lekengelovigen zich inzetten om in de werkelijkheid, ook door politiek engagement, de antropologische christelijke visie en de sociale leer van de Kerk tot uitdrukking te brengen"[6].

De toekomst van de Kerk ligt daarom niet in de tegenstelling tussen leek en clericus en evenmin in de overname van de taak van de priester door de leek. De toekomst ligt waar nieuwe vormen van geloofssolidariteit groeien tussen priesters en leken; waar de priester de leek bevestigt in zijn roeping in de wereld en de leek op zijn/haar beurt de priester stimuleert om trouw te blijven aan zijn opdracht om een profetische gids te zijn in het nieuwe leven van de verrezen Christus[7].

Maurizio Fomini

 





________________________

[1] Vgl. G. Danneels, De bedieningen in de Kerk, in "Pastoralia" 29/2 (1990) 29-32.
[2]
Vgl. G. Danneels, Priester en Leek in de Kerk, in "Pastoralia" 29/5 (1989) 92-94.
[3]
Toespraak van de Paus tot de Braziliaanse bisschoppen van de Nordeste II, in http://www.zenit.org/article 19518?l=italian
[4] H. U. Von Balthasar, Zal de leek de Kerk redden?, Sheed and Ward, Antwerpen 1951, 31.
[5]
G. Danneels, Medewerkers aan uw vreugde. ‘Een woord bij... Pasen 1990', Persdienst Aartsbisdom, Mechelen 1990, 41.
[6] Toespraak van de Paus tot de Braziliaanse bisschoppen van de Nordeste II,
in http://www.zenit.org/article 19518?l=italian
[7] Vgl. G. Danneels, Medewerkers aan uw vreugde..., 20.

21/12/09

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis