|
LEES HET EERSTE EN TWEEDE DEEL VAN HET ARTIKEL
"GELOVEN IS ALTIJD EEN UITDAGING..." (3)
De Kerk en de jongeren in Nederland
Hoe dienen wij tegenover de jongeren te staan, die het kritisch geweten van de Kerk zijn?
Ten opzichte van de jongeren, die "het kritisch geweten" van de Kerk zijn, zijn wij geroepen om onze antwoorden te heroverwegen en worden wij ondervraagd over ons geloof.
Kritiek wil zeggen oordeel. Het "kritisch geweten" van de jongeren is als een gericht dat ons ondervraagt en oordeelt. Het evangelie leert ons dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over wat wij moeten zeggen om ons te verdedigen. Op dat uur zal het de heilige Geest zijn die ons zal leren wat wij moeten zeggen[1].
Ten opzichte van de gestelde vragen zwijgt Johannes Paulus niet, maar hij geeft ook niet in alles toe. Hij weet dat de vragen gesteld worden, omdat er bezorgdheid leeft bij hen die vragen stellen over de Kerk in Nederland en het probleem van de geloofsverkondiging[2].
Soms zijn de opmerkingen van de jongeren bitter, veroorzaken zij onbehagen en zijn ze moeilijk te begrijpen. Toch vraagt de paus niet dat zij ophouden vragen te stellen. Hij vraagt dat men doorgaat met eerlijk te spreken. Hij vraagt de jongeren echter ook om open te staan voor enkele opmerkingen van hemzelf. Hij vraagt dat alles begrepen wordt binnen het kader van een werkelijke bezorgdheid voor de Kerk[3]. Men spreekt nooit over de Kerk als buitenstaander, maar als mensen die zich voor haar inzetten. Men spreekt niet over haar, als was zij voor ons een afwezige, iemand die ons onverschillig laat of, erger nog, een vijand. Men spreekt in onderlinge verbondenheid, elkaar wederzijds steunend. De Kerk is immers de moeder, zij is ieder van ons[4].
De kern is dat men over het geloof ondervraagd wordt en over het geloof antwoord moet geven. En ook de Kerk is onderwerp van ons geloof.
1. In Amersfoort is Johannes Paulus II niet in abstracto over het geloof ondervraagd, maar over het geloof dat concreet gestalte krijgt in de problemen waarvoor de leefwereld van de jongeren ons stelt. Problemen waarmee zij elke dag geconfronteerd worden, soms bijna onoplosbare problemen: het probleem van de honger die steeds nijpender wordt; de kloof tussen rijk en arm die steeds dieper wordt; de wapenwedloop; de schending van de waardigheid van de mens om zich uit te drukken in wat hij denkt en gelooft[5], en het ontbreken van ware vriendschap (de cirkel die tot nu toe vrij groot is wordt kleiner, daar het gaat om de eenzaamheid van ouderen en jongeren); de zwaardere lasten die de zwakkeren verpletteren; ongerechtvaardigde vooroordelen; het probleem van de werkeloosheid; het idee dat men nutteloos en overbodig is; het gevoel door de Kerk niet begrepen en geholpen te worden[6].
2. De paus wijst voor een antwoord naar het geloof. Hij herhaalt de woorden van de heilige Johannes: "'En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof' (1 Joh 5, 4)"[7]. Dit geloof zet niet alleen het binnenste van het hart van de mens op het spel, maar ook de geschiedenis van de mensen[8]. Het geloof blijft niet opgesloten in het verborgene van de harten. Het geloof wordt geschiedenis door ideeën, gewoonten en structuren te veranderen. Het roept op tot een proces van inculturatie "van de beginselen van het Evangelie in de maatschappij"[9]. Het onderricht van Johannes Paulus II laat duidelijk zien dat "het geloof dat geen cultuur wordt, een geloof is dat niet ten volle is ontvangen, niet ten volle is doordacht en niet trouw is beleefd"[10].
De uitdaging van het geloof en de uitdaging van de geschiedenis
De paus vraagt de jongeren "de moed, de verbeeldingskracht en de energie te hebben om de moeilijke doeleinden te bereiken"[11].
"Geloven - stelt Johannes Paulus II - is altijd een uitdaging... Christen-zijn is nooit een 'gemakkelijke' keuze geweest en zal het ook nooit zijn"[12]. Hier is nu echter de grond van de aantrekkingskracht om te kiezen voor Christus gelegen. "Wat moeilijk is, vraagt moed. En juist in de moed komt de typische adel van de mens tot uitdrukking"[13].
Op dit punt gekomen geeft de toespraak van Johannes Paulus II aan hoe de relatie tussen Kerk en jongeren in Nederland theologisch en pastoraal opgevat dient te worden. De Kerk zal de jongeren niet kunnen ontmoeten, wanneer het geloof en de eisen die het geloof stelt tot een minimum gereduceerd worden. De Kerk kan haar toevlucht niet nemen tot een zich opsluiten in oude zekerheden die eens en voor altijd verworven zijn. Evenmin kan men zijn toevlucht nemen in de weigering om zichzelf in vraag te stellen onder het spervuur van vragen die gesteld worden: men kan de vragen niet autoritair het zwijgen opleggen, want de jongeren zijn en blijven een kritisch geweten dat ons niet met rust laat. Tenslotte kan de Kerk zich niet verschansen achter het misleiden van de jongeren die vragen stellen en geen antwoord krijgen.
Aan het einde van zijn toespraak (en hierin lijkt mij de belangrijkste betekenis gelegen te zijn van deze ontmoeting die een spirituele weg aangeeft die op eerlijke wijze getoetst zou moeten worden) verbreekt de paus de cirkel van de jij-ik relatie, door de dialoog (Kerk-Nederlandse jongeren) aan te duiden met de jongeren die in andere werelddelen een hoge prijs betalen om van hun trouw aan het evangelie van Christus te getuigen - en desondanks verliezen zij niet de wil om te lachen en te zingen[14]. Dit gegeven oordeelt het ik en het jij: d.w.z. dat er een derde element opduikt dat de Kerk en de jongeren in Nederland oproept tot een hogere synthese, tot een eschatologische spanning en een missionaire inzet.
Immers, en de paus zegt het met authentieke parresía, vrijmoedig: "het woord van God laat zich niet in de boeien slaan"[15], "in vele andere landen moeten jongeren armoede en gebrek trotseren. Toch zijn ze vol vrede en ijver. Vergeleken met hen zijn jullie bevoorrecht. Jullie beschikken over een grote welstand en een hoge ontwikkeling, waardoor jullie vele mogelijkheden hebben voor een menswaardig leven"[16]. Alleen door het binnendringen van een derde element breekt de cirkel open van een problematiek die de Kerk en de jongeren dreigt te verstikken.
In wezen vraagt de uitdaging van krachtige vragen om een krachtig antwoord van een geloof met radicale eisen. Een geloof in één God die nog altijd de Vader van Jezus Christus is. Een God die uit den hoge komt en tegelijkertijd van beneden, omdat Jezus de ware Zoon van God is en de ware zoon van Maria, de ware zoon van de aarde. En, zoals Emmanuel Lévinas het treffend zegt: "De ander manifesteert zich als zodanig in de dimensie van hoog en laag, in een glorievolle vernedering: de ander heeft het gelaat van de arme, van de vreemdeling, van de weduwe, van de wees; hij is een meester die mij oproept mijn vrijheid in te zetten en te rechtvaardigen"[17].
Door te beginnen bij de concrete inzet voor de historische Lazarus, die het gelaat heeft van miljoenen mensen die door onze nalatigheid, ons egoïsme, onze medeplichtigheid aan zondige structuren sterven, zal de dialoog tussen Kerk en jongeren in Nederland werkelijk interessant kunnen worden, daar allen met de uitdaging van het geloof en de uitdaging van de geschiedenis geconfronteerd worden.
Emilio Grasso
[1] Vgl. Lc 12, 11-12.
[2] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren van Nederland tijdens de ontmoeting in Amersfoort (14 mei 1985), in Insegnamenti, VIII/1, 1344.
[3] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1349.
[4] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1349-1350.
[5] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1344.
[6] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1344-1345.
[7] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1345.
[8] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1345.
[9] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1345.
[10] Johannes Paulus II, Tot de deelnemers aan het Nationale Congres van de Kerkelijke Beweging voor Cultureel Engagement (16 januari 1982), in Insegnamenti, VI/1, 131.
[11] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1346.
[12] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1350.
[13] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1350.
[14] Vgl. Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1350.
[15] 2 Tim 2, 9.
[16] Johannes Paulus II, De opdracht gegeven aan de jongeren..., 1350.
[17] E. Levinas, Totalité et Infini. Essai sur l'extériorité, Nijhoff, Den Haag 1961, 229.
13/11/09
|