Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Geschriften van Emilio Grasso arrow Artikelen arrow Wij hebben alleen maar lief wat mooi is/2
Afdrukken Verzenden naar een vriend






WIJ HEBBEN ALLEEN MAAR LIEF WAT MOOI IS/2

De mensgeworden Zoon, openbaring van de oneindige schoonheid,
is hoogst beminnelijk



 

Het gebed heiligt de materie

"De icoon is vertrekpunt van onze geestelijke opgang"
[1]. "Zij vormt een begin van gebed"[2].

Op dit gebied "heeft Basilius een zin geschreven die het hardnekkigste argument van de iconofiele partij zal vormen"[3]: "De eer die de beeltenis wordt bewezen, gaat over op het prototype"[4]. De uitdrukking zal opnieuw worden gebruikt en worden opgenomen in de "Definitie omtrent de heilige beeltenissen", plechtig gepromulgeerd door het Tweede Concilie van Nicea[5]. Špidlík onderscheidt, maar onderstreept ook de diepe eenheid tussen sacramenten en iconen. Het onderscheid tussen sacramenten en sacramentalia is niet absoluut. Er is alleen een verschil in graden van de tegenwoordigheid van Christus. Het gebed van Christus is in het gebed van de Kerk en het gebed van de Kerk is het gebed van Christus[6].
Gebeden heiligen de materie, opdat deze materie een plaats van ontmoeting, een levend orgaan is.

Damascenus drukt zich in dezen als volgt uit: "Sta de traditie van de Kerk ook de verering van beeltenissen toe die zijn geheiligd door de naam van God en de vrienden van God en om deze reden zijn overschaduwd door de genade van de Heilige Geest!"[7].

"Volgens de Bijbel is de naam van God een van de plaatsen van zijn tegenwoordigheid. De icoon is de getekende Naam. In de uitgesproken Naam brengt onze liefde door middel van en met de icoon, die hem op zijn manier uitspreekt, ons ertoe in de gelijkenis zelf de genade van de realis presentia te vereren en te omarmen"[8].

"Volgens de canones van de Oosterse Kerk moet het gebed inderdaad heel het werk van de schilder begeleiden en anderzijds is het het gebed van de gelovigen dat de iconen zo heiligt dat zij ze wonderbaarlijk maakt"[9].

Door dit epifanisch karakter ervan "is het schilderen van iconen een tak van de symbolische kunt; het is niet alleen een kunst, maar iets meer dan kunst, een visioen van God, een kennis van God, een getuigenis door middel van kunst. Om werkelijk te slagen in deze kunst van de iconen, is er een eenheid tussen kunstenaar en contemplatieve theoloog in dezelfde persoon noodzakelijk. ... Dit is de reden waarom de werkelijke schilderkunst van iconen tegelijkertijd zeldzamer en moeilijker is: zij vereist een combinatie van deze twee, op zichzelf zeldzame, gaven. Anderzijds overtreffen de resultaten en de openbaringen van de schilderkunst van de iconen verreweg zowel de speculatieve theologie als de profane kunst. De schilderkunst van de iconen getuigt van het hiernamaals en de aspecten ervan. Zij bewijst niet: zij laat zien. Zij dwingt niet op grond van bewijzen: zij overtuigt en overwint door de vanzelfsprekendheid zelf"[10].

Dit kan een icoon doen, omdat in haar de werking van de Geest is. Immers, "een schilder van iconen is een geïnspireerd iemand"[11]. Volgens Evdokímov "kan niemand de beeltenis van de Heer afbeelden tenzij door een gave van de Heilige Geest, als 'niemand kan zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest' (1 Kor. 12,3). Hij is de goddelijke iconograaf"[12].

Nu stelt zich het probleem van het ontstaan van de icoon.

Wij zullen in dit gedeelte Pavel Florenskij volgen, die Špidlík "de ware theoloog van de icoon"[13] noemt.

Florenskij gaat in zijn essay[14] van de geloofsbelijdenis uit waardoor wij God "Schepper van al wat zichtbaar en onzichtbaar is," noemen. Deze twee werelden het zichtbare en het onzichtbare staan met elkaar in contact. De droom is de eerste en meest gewone stap van het leven naar het onzichtbare. Op de overgang van droom en waken, voordat men de ruimte tussen de beide gebieden overschrijdt, op de grens waar zij elkaar raken, wordt onze ziel omgeven door visioenen.

Analoog aan de onirische ervaring is er de mystieke ervaring. De algemene regel is steeds een en dezelfde: de ziel bedrinkt zich aan het zichtbare en, wanneer zij dit uit het oog verliest, raakt zij in vervoering op het vlak van het onzichtbare. Hoewel zij hoog verheven is, in het onzichtbare, daalt zij weer af in het zichtbare en op dit punt ontmoet zij nog steeds de symbolische beeltenissen van de onzichtbare wereld: de gezichten van de dingen, de ideeën.

De valstrik is gelegen in het bedrog en het zelfbedrog dat aan de rand van de wereld de reiziger omgeeft.

Halverwege de tijd-ruimte en de wereld van de engelen, op de drempel van deze wereld, is er het grootste bedrog en de grootste verleiding. De verblindende beelden worden opgewekt door hartstocht, maar het gevaar is niet gelegen in de hartstocht als zodanig, maar in de inschatting ervan, in het verwisselen ervan met hetgeen direct tegengesteld is aan wat het werkelijk is.

De verblinde ziel verwijdert zich van God, zich verbeeldend Hem te naderen, en verjaagt Hem, terwijl zij denkt Hem te behagen. Dit alles komt voort uit een vermenging van de beelden van opgang en neerdaling. Het gaat erom dat het visioen dat is opgedoemd aan de grens van de zichtbare wereld en de onzichtbare wereld, een afwezigheid kan zijn van de werkelijkheid van de aardse wereld. In de lege en geordende ruimte nestelen zich, intussen volslagen los van de werkelijkheid, de maskers van de werkelijkheid. Omgekeerd kan een visioen de tegenwoordigheid van een werkelijkheid zijn, de hogere werkelijkheid van de geestelijke wereld.

Emilio Grasso

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)



[1] T. Špidlík, Alcune considerazioni..., 579.

[2] T. Špidlík, Alcune considerazioni..., 579.

[3] G. Dumeige, Nicée II, Éditions de l'Orante, Paris 1978, 29.

[4] Basilius van Caesarea, Lo Spirito Santo, XVIII, 45. Traduzione, introduzione e note a cura di G. Azzali Bernardelli, Città Nuova Editrice, Roma 1993, 151-152. Basilius plaats zijn woorden in een trinitaire context, waar hij de relatie beschrijft die bestaat tussen de Vader en de Zoon. Deze verering die de Zoon wordt gebracht, richt zich tot de Vader. Basilius heeft dit geïllustreerd met te zeggen dat de mens beeld is door nabootsing, terwijl de Zoon beeld is van nature; hij wil geen expliciet verband vaststellen tussen de Zoon, beeld van de Vader, en de beeltenissen. Dit verband is echter voor hem reëler dan moderne denkers, die meer gewend zijn aan de logica dan aan de oosterse theologie, denken, vgl. G. Dumeige, Nicée II ..., 29.

[5] Vgl. H. Denzinger, Enchiridion symbolorum..., § 601.

[6] Vgl. T. Špidlík, L'icône..., 540.

[7] Giovanni Damasceno, Difesa delle immagini sacre. Discorsi apologetici contro coloro che calunniano le sante immagini, II, 14. Traduzione, introduzione e note a cura di V. Fazzo, Città Nuova Editrice, Roma 1983, 107.

[8] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 200.

[9] T. Špidlík, L'icône..., 541.

[10] S. Boulgakoff, L'orthodoxie..., 200.

[11] Vgl. P. Miquel, Théologie de l'icône, in Dictionnaire de Spiritualité, VII/2, Beauchesne, Paris 1971, 1229 vv.

[12] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 31.

[13] T. Špidlík, L'icône..., 545.

[14] P.A. Florenskij, Le porte regali. Saggio sull'icona. A cura di E. Zolla, Adelphi, Milano 1981.

 



06/10/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis