Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Geschriften van Emilio Grasso arrow Artikelen arrow Wij hebben alleen maar lief wat mooi is/1
Afdrukken Verzenden naar een vriend






WIJ HEBBEN ALLEEN MAAR LIEF WAT MOOI IS/1

De mensgeworden Zoon, openbaring van de oneindige schoonheid,
is hoogst beminnelijk



 

Het Tweede Vaticaans Concilie herinnert in de dogmatische constitutie Lumen gentium het Volk Gods eraan "de besluiten die in de voorbije tijden over de verering van de beelden van Christus, de zalige Maagd en de heiligen afgekondigd werden"[1] nauwgezet te onderhouden. In een noot wordt herinnerd aan het Tweede Concilie van Nicea en de 25ste zitting van het Concilie van Trente[2].

Het Tweede Concilie van Nicea is van groot belang in de dialoog met het christelijke Oosten. Het is immers het "7de oecumenische en laatste, door de andersdenkende Oosterse christenen erkende concilie"[3].

Verschillende opvattingen in Oost en West

Acht eeuwen later komen in dezelfde periode "het Concilie van Trente en 'het Concilie van de honderd hoofdstukken van Moskou' tot tegenovergestelde definities betreffende de natuur van de goddelijke kunst; het Oosten en het Westen zijn verschillende richtingen uitgegaan"[4].

Voor het Oosten is een begrip van de religieuze kunst belangrijk, aangezien "de icoon in de oosterse spiritualiteit een plaats inneemt die alle achting verdient. Men kan de orthodoxe vroomheid niet begrijpen, als men de mystiek van de icoon negeert"[5].

En het begrijpen van de orthodoxe vroomheid is van groot belang voor wie zich wijdt aan missieactiviteit.

"De verdeeldheid van de christenen doet afbreuk aan de heilige zaak van de verkondiging van het evangelie aan heel de schepping en sluit voor velen de toegang tot het geloof af"[6].

Maar er is ook een andere reden die ons bij de missieactiviteit op de weg zet van de kennis van het christelijke Oosten. "Ook mag het ons niet ontgaan, dat al wat de genade van de Heilige Geest in onze gescheiden broeders tot stand brengt, ook kan bijdragen tot stichting van onszelf. Wat echt christelijk is, is immers nooit in strijd met de waarachtige waarden van het geloof; het kan zelfs altijd leiden tot een dieper doordringen in het mysterie van Christus en zijn Kerk"[7].

En dit mysterie van Christus en de Kerk dient steeds meer te worden gekend en met betrekking tot de verbreiding van het geloof te worden beleefd. Er zal zo altijd een nieuwe geestelijke wind in heel de Kerk zijn, die zal verschijnen als "een teken dat is opgericht onder de volkeren", als "het licht der wereld" en "het zout der aarde". "Dit levensgetuigenis zal gemakkelijker zijn uitwerking verkrijgen, wanneer het wordt gegeven in eenheid met de andere christelijke groeperingen"[8].

Met betrekking tot de religieuze beeltenissen drukt het zevende Vaticaans oecumenisch concilie, waaraan door Vaticanum II uitdrukkelijk wordt herinnerd, zich als volgt uit: "Wij bepalen met alle precisie en zorg dat, evenals de uitbeelding van het kostbaar en levend makende kruis de eerbiedwaardige en heilige beeltenissen, zowel geschilderd als in mozaïek of van welk ander geschikt materiaal dan ook, in de heilige kerken van God op heilige huisraad, op heilige paramenten, op wanden en panelen, in huizen en in straten getoond moeten worden; of het nu een beeltenis is van onze Heer God en Verlosser Jezus Christus, of die van onze onbevlekte Maagd, de heilige Moeder van God, de heilige engelen, van alle heilige en rechtvaardigen. Immers, hoe vaker deze beeltenissen worden aanschouwd, des te meer worden degenen die ze aanschouwen, gebracht tot de herinnering aan en het verlangen naar de oorspronkelijke modellen en hun door ze te kussen respect en eer te bewijzen. Het betreft zeker niet een echte verering [latría], die door ons geloof alleen maar voorbehouden is aan de goddelijke natuur, maar een eredienst die gelijk is aan die welke men bewijst aan de beeltenis van het kostbaar en leven brengend kruis, aan de heilige evangelies en de andere heilige voorwerpen door ze te eren met het aanbieden van wierook en kaarsen overeenkomstig het vroom gebruik van de ouden. De eer die aan de beeltenis wordt gebracht, komt in werkelijkheid degene toe die erop wordt afgebeeld, en degene die de beeltenis vereert, vereert de werkelijkheid van wie daarop wordt afgebeeld"[9]. Het is ongetwijfeld de pedagogische en overtuigende waarde van de schilderkunst.

En van Basilius zijn de woorden: "Wat het historisch verhaal via het gehoor presenteert, toont de schilderkunst zwijgend via de nabootsing"[10].

Maar is de waarde van de schilderkunst alleen maar pedagogisch, onderricht van de waarheid, of is er ook een meedelen van de genade hierdoor[11]?

Hier doet zich een scheiding tussen Oost en West voor.

"Het Concilie van Frankfurt (794) en de Synode van Parijs (824) verklaarden dat de beeltenissen alleen maar dienen als ornament en dat het geen verschil maakt ze te hebben of niet: 'Christus heeft ons niet met de schilderkunst gered'"[12].

In het Westen "beperken de, misschien te voorzichtige, theologische definities over beeltenissen zich tot het gebruiksaspect: hun pedagogisch bereik van onderricht en vertroosting. Volgens Gregorius de Grote is een beeltenis een Bijbel voor ongeletterden; volgens Bonaventura is zij bestemd voor de onontwikkelde massa"[13].

In het Oosten "heeft de icoon geen eigen werkelijkheid; op zich is het alleen maar een houten paneel; juist omdat zij al haar waarde van manifestatie van God aan haar deelname aan het 'volstrekt andere' ontleent door middel van de gelijkenis, kan zij niets in zichzelf bevatten, maar wordt een vorm van afstraling. ... Zij wekt ... de paroesia van het Transcendente op en van de tegenwoordigheid hiervan getuigt de icoon. De kunstenaar verdwijnt achter de traditie die spreekt; de iconen zijn bijna nooit gesigneerd; het kunstwerk maakt plaats voor een theofanie; ieder toeschouwer die op zoek is naar een schouwspel, blijkt ontheemd te zijn; de mens werpt zich, getroffen door een oogverblindende openbaring, ter aarde in een act van aanbidding en gebed"[14]. Voor Ouspensky "is de icoon niet een eenvoudige beeltenis, noch een decoratie, noch een illustratie van de Heilige Schrift. Zij is iets groters. Het is een cultusobject en maakt een integraal deel van de liturgie uit. In de heilige beeltenis zelf ziet de Kerk niet een van de aspecten van het orthodox onderricht, maar de uitdrukking van de orthodoxie in haar geheel, de uitdrukking van de orthodoxie als zodanig. De icoon is, evenals de geschreven traditie en de mondelinge traditie, een van de manifestaties van de heilige traditie van de Kerk"[15].

Voor Boulgakoff "is de icoon niet alleen een heilige beeltenis; zij is iets groters dan een eenvoudige beeltenis. Volgens het orthodoxe geloof is de icoon een plaats waar Christus in genade aanwezig is. Het is om zo te zeggen de plaats van een verschijning van Christus (van de Maagd, de heiligen, van allen die de icoon afbeeldt)"[16].

In het Westen daarentegen "benadrukt" volgens Evdokímov "het Concilie van Trente de anamnese, de herinnering, maar in een duidelijk niet epifanische zin en zo stelt het zich buiten het sacramentele perspectief van de tegenwoordigheid"[17].

Voor Ouspensky is de betekenis zelf van de heilige beeltenis in de Roomse Kerk zo verloren gegaan dat men een icoon kan schilderen zonder zich erom te bekommeren te weten of degenen die zich opmaken voor dit werk, gelovigen of atheïsten zijn. Op deze wijze kan men hoogstens spreken van een formele illustratie van de Heilige Schrift of, wat erger is, van een individuele interpretatie van de schildering, van eigen uitvindingen betreffende een schrifttuurlijk onderwerp[18].

Nu is het waar dat "de icoon niet de werkelijkheid op zich is: juist omdat zij beeltenis is, moet men deze overstijgen"[19]. En dit is nu juist het denken van de orthodoxie.

"‘Wij beschouwen tegelijkertijd het onzegbare en het afgebeelde', zegt het zevende concilie: niet het een of het andere, maar het een en het andere, het een in het andere. Dit wonder geeft richting aan de anagogische beweging van het gebed"[20].

Emilio Grasso

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)




[1] Lumen gentium, 67.

[2] Vgl. Lumen gentium 67, noot 22.

[3] I. Ortiz de Urbina, in Enciclopedia Cattolica, VIII, Ente per l'Enciclopedia Cattolica e per il Libro Cattolico, Città del Vaticano 1952, 1832.

[4] Vgl. P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza. L'arte dell'icona, Paoline, Roma 1981, 174.

[5] Vgl. T. Špidlík, Icône, in Dictionnaire de Spiritualité, VII/2, Beauchesne, Paris 1971, 1224.

[6] Ad gentes, 6.

[7] Unitatis redintegratio, 4.

[8] Vgl. Ad gentes, 36.

[9] H. Denzinger, Enchiridion symbolorum definitionum et declarationum de rebus fidei et morum. A cura du P. Hünermann, EDB, Bologna 2000, § 600-601.

[10] Basilio di Cesarea, I martiri: panegirici per Giulitta, Gordio, 40 soldati di Sebaste, Mamante. Introduzione, traduzione e note a cura di M. Gerardi, Città Nuova Editrice, Roma 1999, 98.

[11] Vgl. T. Špidlík, L'icône, manifestation du monde spirituel, in "Gregorianum" 61/3 (1980) 541.

[12] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 172.

[13] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 172-173.

[14] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 182-183.

[15] L. Ouspensky, Essai sur la théologie de l'icône dans l'Église orthodoxe, I, Editions de l'Exarchat patriarcal russe en Europe occidentale, Paris 1960, 10.

[16] S. Boulgakoff, L'orthodoxie, Librairie Félix Alcan, Paris 1932, 195.

[17] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 183-184.

[18] Vgl. L. Ouspensky, Essai sur la théologie..., 11-13.

[19] Vgl. T. Špidlík, Alcune considerazioni sulla teologia dell'icona, in "Vita Consacrata" 13 (1977) 579.

[20] P.N. Evdokímov, Teologia della bellezza..., 199-200.





29/09/2017

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis