Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Geschriften van Emilio Grasso arrow Artikelen arrow Vandaag is het Pasen... omdat ik de vreugde had jou te zien
Afdrukken Verzenden naar een vriend

Artikelen van Emilio Grasso


 

 

Vandaag is het Pasen...

omdat ik de vreugde had jou te zien

 



De kerkvader Gregorius de Grote heeft één van zijn geschriften helemaal gewijd aan het kluizenaarsleven van St. Benedicitus, patriarch van de monniken. Daarin vertelt hij dat Benedictus, bij de aanvang van zijn kluizenaarsbestaan in zijn grot te Subiaco in eenzaamheid vertoefde. Gregorius vertelt hoe God in een visioen aan een priester uit de omgeving verscheen. Deze zei hem verwijtend: "Je hebt een lekkere maaltijd klaargemaakt, terwijl mijn dienaar die in die onherbergzame plek vertoeft door de honger gekweld wordt". En God beval hem zijn eigen paasmaaltijd aan de kluizenaar te gaan brengen. Gregorius de Grote vertelt verder dat de priester lang naar hem moest zoeken. Toen hij Benedictus tenslotte in het holst van zijn grot ontdekte, zei de priester hem, nadat ze samen hadden gebeden en dank gezegd: "Sta op en laten wij eten, want het is vandaag Paasfeest". "Ik weet dat het vandaag Pasen is, zei de man Gods, omdat ik de vreugde heb gekregen jou te mogen zien!"[1].

Het lijkt me dat het verhaal van Gregorius een symbolische waarde heeft.

Voor Benedictus, heel alleen in het holst van zijn grot, gaat de tijd voorbij zonder gemarkeerd te worden door het Paasgebeuren. In het holst van de grot zijn alle dagen aan elkaar gelijk. Benedictus ontmoet nog niet de Verrezen Christus op sacramentele wijze omdat hij in zijn "met-God-zijn" de mens nog niet heeft ontmoet.

Maar wanneer hij de genade ontvangt het gelaat van de ander te zien, dan kan hij weten dat die dag voor hem Pasen is. Pasen wordt pas "Pasen voor hem", omdat er een mens hem is komen opzoeken in het holst van zijn grot.

Van de schaduwen naar het licht

Bij Gregorius treffen we enkele platonische herinneringen aan, hem toegekomen door de werken van de heilige Augustinus[2].

Onder deze herinneringen kunnen we de mythe van de grot van Plato opsommen[3].

Volgens Giovanni Reale, een van de grootste kenners van Plato, wordt in de mythe ook het ascetische, mystieke en theologische aspect van het platonisme gesymboliseerd. In de mythe van de grot beschrijft Plato de bevrijding uit de schaduwen naar het licht als een "omdraaien van de nek" door de gevangene van de grot gedaan, juist om zijn blik naar het licht te kunnen richten. Dit emblematisch beeld van het "omdraaien van het hoofd" naar de tegenovergestelde richting, wordt iets later hernomen, ontwikkeld en omschreven als de "bekering" van de ziel. Bedoeld wordt hier de overgang van het worden naar het zijn, als de noodzakelijke voorwaarde om het zijn in zijn opperste schittering te kunnen zien: het Goede dat het Begin van Alles is[4].

Deze bekering van de ziel, de overgang van het worden naar het zijn, dit "omdraaien van de nek" naar de man die de grot binnen treedt, wordt door de Vogüé uitgelegd als een van de meest wezenlijke trekken waaraan de monastieke roeping beantwoordt, zoals ze door Gregorius geschetst wordt. Er is een eerste element dat door een krachtige minachting van de wereld gekenmerkt wordt en van een levendig, exclusief en tot eenheid brengend streven om God te zien.

Bij Benedictus dit 'verlaten van de wereld' en de zoektocht naar God maken van hemzelf het model van de aspirant-monnik. Er bestaat echter een tweede aspect van deze religieuze bekering, dat zich uitdrukt in het verlangen niet om "God te zien", maar wel om "God te behagen"[5].

De wereld verlaten en in een zekere eenzaamheid binnentreden is een verplichte voorbereiding tot een monastieke bekering. Voor de monnik begint de weg naar God noodzakelijkerwijze door middel van deze fysieke beweging[6].

In het verhaal van Gregorius herkent Benedictus dat het Pasen is wanneer hij zich bekeert naar de mens die tot hem komt en hem uitnodigt om zijn "nek om te draaien", en op te kijken naar het licht. " Ik weet dat het Pasen is - antwoordde de Godsman - omdat ik de vreugde heb gekregen jou te mogen zien!".

In het verhaal van Gregorius verenigt Pasen zich met Kerstmis, naar het thema dat ook aan bod komt in de evangeliën van Matteüs en Lucas. Door het Kerstgebeuren en de Openbaring des Heren, binnen het kader van Pasen, in herinnering te brengen, komt Benedictus uit de grot en verrijst hij tot het sociale leven.

Laten we samen het verhaal van Gregorius volgen:

"Omstreeks dezelfde tijd ontdekten ook herders Benedictus die in de spelonk verborgen leefde. Toen zij hem, in dierenvellen gekleed, achter het struikgewas in het oog kregen, dachten zij, dat het een wild dier was; maar toen ze erachter kwamen dat het een dienaar Gods was, bekeerden velen onder hen zich van hun dierlijke gezindheid tot een begenadigd vroom leven. Zo raakte de naam van Benedictus aan iedereen in de omliggende dorpen bekend; vanaf die tijd begonnen velen hem geregeld op te zoeken en terwijl ze hem spijzen voor zijn lichaam brachten, kregen ze van zijn mond in hun hart het voedsel voor het leven van de geest"[7].

Geloof, aanschouwing, missie

In het licht van dit verhaal kunnen we drie fundamentele elementen ontdekken die aan de basis liggen van een authentieke missionaire spiritualiteit:

  1. Het eerste moment is de vele dagen van het jaar weten te onderscheiden van de Paasdag. Dit is een ontdekking en een erkenning die ieder van ons aangaat, geroepen als we zijn om een persoonlijk antwoord te geven. De priester over wie Gregorius spreekt, bereidt voor zichzelf lekkere spijzen, omdat hij weet dat die dag Pasen is. Hij kent Benedictus nog niet, hij is nog niet naar het holst van de grot gegaan. Maar hij weet dat het Paasfeest gekomen is.

    Zonder dit eerste bewustzijn van het Pasen voor mij, kan er geen "authentiek missionair elan" zijn. Als die priester geen lekkere spijzen voor zichzelf had bereid, wat zou hij dan in de grot gaan doen? Wat zou hij daar gaan brengen? De missie is maar missie wanneer ze een ontologische overdracht veronderstelt. Zoals de Zoon zijn godheid in de mensheid binnenbrengt, zonder opslorping of verwarring, zo worden wij geroepen al onze rijkdom aan te bieden aan de ander die we ontmoeten. Dit veronderstelt in ons de aanwezigheid van kennis en rijkdom, en de mogelijkheid om te geven. Niemand kan geven wat hij niet heeft. Als we niets hebben, dan kunnen wij niets geven. Als Gods Woord, Gods Zoon, niet reeds vóór Jezus Christus bestond, zou deze laatste één van de zoveel miljarden mensen zijn die de planeet aarde heeft bevolkt. Dan zou Hij nooit tegelijkertijd één van de zo velen en toch de Enige zijn. Hij is "de Enige" want "bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered kunnen worden" (Hnd 4, 12)[8].

    Het eerste moment is dus dat van ons persoonlijk geloof. Daarzonder zou het holst van de grot binnentreden slechts een speleologische excursie betekenen... of het voedsel van Benedictus gaan stelen.

  2. Dan komt het tweede moment. God toont zich in een verschijning aan de priester. Het visioen is, theologisch gezien, niets anders dan de volheid van het geloof. Het geloof is inderdaad een voorafbeelding van de aanschouwing Gods[9]. Het geloof hoort tot de orde van het schouwen van God. In een tijd waarin hemelse boodschappen en de wedloop in het zoeken naar verschijningen in opmars zijn en overvloedig beginnen te worden, moeten wij de kern van ons katholiek geloof stevig vasthouden: de gehoorzaamheid aan het Woord van God, dat ons is overgeleverd door de wezenlijke bemiddeling van de Kerk.

    Met betrekking daarbij is het heilzaam terug te denken aan de reflectie van een gezonde theologie die de H. Theresia van het Kind Jezus enkele dagen voor haar dood aan haar zus Pauline, Moeder Agnes van Jezus, voorhield: "Men kan op aarde geen engelen en geen Hemel zien zoals ze echt zijn. Al deze beelden doen mij geen enkel goed. Ik kan mij nergens mee voeden dan alleen met de waarheid"[10].

    Ten aanzien van een pathologische zoektocht naar het heilige, naar de kennis ten koste van alles, naar het mirakel, loopt de missie van de Kerk het grootste risico te zwijgen over de "aanstootgevende" kernen van ons geloof. De valkuil bestaat erin ze uit te hollen, en in plaats daarvan de gemakkelijke weg en de brede deur voor te stellen van de voldoening van elke aanvraag. Dit is een bedrieglijke, voorlopige en denkbeeldige voldoening die het diepe verlangen en de onrust van de mens verloochent. De mens vindt geen rust totdat hij zijn eigen hart in God legt.

    Welnu, dit geloof doet ons de mens zien die in het holst van de grot alleen ligt. Dit geloof doet ons het Gelaat van de Heer in het gelaat van de minste der mensen ontdekken. Want Jezus Christus heeft zich vereenzelvigd met de minste der mensen, tot in de verste uithoek van de aarde.

    "Alles wat je gedaan hebt voor één van deze minste broeders van Mij hebt je voor Mij gedaan"[11], herhaalt de Heer.

  3. En er is een derde moment: Gaan...

    Er is geen missie als we ons niet in beweging zetten. Het is een gaan, een dynamiek van  achterlaten van de zekerheid en het gemak van de eigen, reeds goed gedekte tafel. Ook de zending van het Woord vanuit de Drieëenheid begint met dit proces van Kenosis, een beweging van leeg worden, van uittocht uit zichzelf. De zending begint in armoede en in het verlies van de zekerheden, buiten de goed bewaakte burchten, "want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden"[12].

    ... Hij zocht heel lang... Zoeken vereist moeite, een inspanning die om de inzet van alle menselijke vermogens vraagt...

    Het geloof, begin van het schouwen, zegt ons dat een mens in het holst van een grot erop wacht om van ons te weten te komen dat het vandaag Pasen is. Meer zegt het geloof ons niet. Het ontslaat ons niet van de inspanning om de missie uit te vinden. God neemt niet de plaats in van de mens, maar Hij vraagt aan hem heel zijn deelname.

    Ieder van ons wordt geroepen om zijn talent gemeenschappelijk in te zetten, zeker niet om het in de grond te stoppen. Hier gaat heel de ruimte voor het christelijke avontuur open, een steeds oud en steeds fascinerend nieuw avontuur.

    Maar dat avontuur moet nog geheel geschreven worden...

Emilio Grasso






[1] Gregorio Magno, Dialoghi II, I, 6-7, in Opere di Gregorio Magno, IV. Dialoghi (I-IV), Città Nuova Editrice, Roma 2000, 141.

[2] Vgl. A. Solignac, Platonisme, in Dictionnaire de Spiritualité, XII, Beauchesne, Paris 1986, 1808.

[3] Vgl. A. de Vogüé, Un avatar du mythe de la caverne dans les Dialogues de Grégoire le Grand, in Homenaje a Fray Justo Pérez de Urbel, II, OSB (Studia Silensia 4), Abadia de Silos 1977, 19-24. In dit artikel verwijst P. de Vogüé naar het thema van het leven van de ziel na de dood, vgl. Gregorio Magno, Dialoghi, IV, I, 3, in Opere di Gregorio Magno, IV..., 329-331.

[4]  Vgl. G. Reale, Storia della filosofia antica, II. Platone e Aristotele, Vita e Pensiero, Milano 1991, 359-361.

[5] Vgl. Grégoire le Grand, Vie de Saint Benoît (Dialogues, livre second). Commentée par A. de Vogüé, Abbaye de Bellefontaine (Vie Monastique 14), Bégrolles-en-Mauges (Maine-et-Loire) 1982, 25.

[6] Vgl. Grégoire le Grand, Vie de Saint Benoît..., 31.

[7] Gregorio Magno, Dialoghi II, I, 8, in Opere di Gregorio Magno, IV..., 141.

[8] Vgl. Redemptoris Missio, 4-11.

[9] St. Thomas behandelt het thema in het bijzonder in de quaestio 4, art. 1 van de Summa Theologiae , II-II. "Het Geloof - zegt hij - is niet alleen de zekerheid van de ongeziene werkelijkheden, maar ook het vooruitlopen op en de borg van het gehoopte goede. Inderdaad, met het geloof hebben we deel aan wat we in de hemel hopen te zien. In de orde van de kennis loopt het geloof vooruit de zaligmakende aanwezigheid van God, eigen aan de aanschouwing van Gods heerlijkheid, want met deze begint de mens, al ‘onderweg'  in bezit te komen bijna als kiem, maar toch in wezen, van het gehoopte goede". De verhouding tussen geloof en aanschouwing vormt een van de pilaren van de thomistische leer over het geloof. Vaak gaat de Auteur terug op dit thema in De fide: zie bv., q. 1, aa. 6-8; q. 2, aa. 5, 7, 8; q. 4, aa. 1, 5; a. 7, ad 2; q. 5, a. 1. - De meest uitgebreide uiteenzetting  over dit thema bevindt zich in het commentaar van de Auteur bij de brieven van St. Paulus: zie Ad Hebr., c. 11, lect. 1", geciteerd in Tommaso D'Aquino, La Somma Teologica. A cura dei Domenicani italiani, XIV, Casa Editrice Adriano Salani, Firenze 1966, 118-119.

[10] Kleine Heilige Teresia van Lisieux, Novissima Verba, in Werken van de Kleine H. Teresia van Lisieux, II, P. Brand N.V., Bussum 1957, 140.

[11] Vgl. Mt 25, 40.

[12] Mt 16, 25.




31/03/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis