Italiano Español Nederlands Français
Home arrow Geschriften van Emilio Grasso arrow Artikelen arrow Gelaat van God, gelaat van de mens
Afdrukken Verzenden naar een vriend

 

 

 

GELAAT VAN GOD, GELAAT VAN DE MENS

Het hoogste getuigenis van de liefden van Mgr Óscar Arnulfo Romero




Onze paus Franciscus merkt in de homilie bij de heiligverklaring van Óscar Arnulfo Romero op dat "ons hart is als een magneet: het laat zich aantrekken door de liefde" en mgr. Romero "de zekerheden van de wereld, zelfs de eigen veiligheid, achter zich heeft gelaten om zijn leven overeenkomstig het evangelie dicht bij de armen en zijn volk te geven, met een door Jezus en zijn broeders en zusters gemagnetiseerd hart". Vanuit deze optiek die de paus ons biedt, lezen wij opnieuw het artikel van Emilio Grasso "Gelaat van God, gelaat van de mens. Het hoogste getuigenis van de Liefde van mgr. Óscar Arnulfo Romero".

 

 


Over het thema van de nieuwe evangelisatie, een steunpijler van het pontificaat van Johannes Paulus II, bestaat intussen een immense literatuur. Het thema is van zo een fundamenteel belang voor de Kerk dat iedere verdieping en iedere analyse meer dan verplicht is[1].

Men dient echter niet uit het oog te verliezen dat "het niet volstaat om de pastorale methoden te vernieuwen noch om de kerkelijke krachten beter te organiseren en te coördineren noch om meer nauwkeurig de Bijbelse en theologische grondslagen van het geloof te bestuderen. Het is nodig om een nieuw ‘vuur van heiligheid' onder de missionarissen en in heel de christelijke gemeenschap op te wekken"[2].

Daarom zullen de nieuwe bisschoppen, de nieuwe kerkleraren, de nieuwe apostelen en missionarissen en de nieuwe leken degenen zijn die zullen zeggen wat de nieuwe evangelisatie zal zijn.

Een van de meest onvervalste spirituele schrijvers, de Italiaan Barsotti, waarschuwde voor mensen die de vernieuwing van de Kerk verwachtten zonder dat eerst nieuwe mensen waren geboren. De structuren van de Kerk zijn de vrucht van hen en niet omgekeerd. De vernieuwing is het werk van de Geest, zij wordt van binnenuit geboren. De wet kan haar erkennen, wanneer zij heeft plaatsgevonden, of de hindernissen uit de weg nemen, maar op zich brengt de wet haar niet voort[3].

Een nieuwe mens in de Kerk zijn is nooit een kwestie van generatie, maar een kwestie die verband houdt met de bekering van het hart, een bekering die vernieuwt, die herboren doet worden in de Geest en die, indien de Geest van de Heer hiertoe aanzet, zelfs leidt tot het hoogste getuigenis van het bloedvergieten in een vrij aanvaard martelaarschap.

Een van de getuigen die voor ons de wegen heeft geopend van de nieuwe evangelisatie door ons niet een formule te geven om toe te passen, maar een voorbeeld van bekering, is zonder meer Mgr. Óscar Arnulfo Romero, trouw aan God en aan Gods volk tot aan het offer van zijn leven toe[4].

Het martelaarschap als hoogste getuigenis van het geloof

Het woord martelaar heeft bij de gebeurtenis van de dood van Mgr. Romero onmiddellijk geklonken[5].

Het Oostenrijks episcopaat sprak naar aanleiding van deze gebeurtenis over "martelaar voor de gerechtigheid en het geloof"[6], een definitie die vervolgens weer werd gebruikt door Kardinaal Michele Pellegrino in een artikel van zijn hand[7].

Dertien katholieke bisschoppen, "die uit verschillende plaatsen ter wereld waren gekomen om christelijke eer aan Mgr. Óscar A. Romero te bewijzen"[8], spreken over hem als over een "martelaar van de bevrijding, zoals het evangelie vraagt, een levend voorbeeld van de herder, zoals die door Puebla wordt gewild"[9].

Niet minder uitdrukkelijk is het commentaar van de directeur van de gezaghebbende krant "L'Osservatore Romano": "In de gelovigen en in degenen die hen leiden, hernieuwt zich het offer en het martelaarschap van de op aarde pelgrimerende Kerk, zo hernieuwt zich de verheven geschiedenis die wordt getekend door het bloed van de martelaren en het lijden van de belijders"[10].

Johannes Paulus II spreekt tijdens de algemene audiëntie van 2 april 1980 van het "offer van zijn leven, dat op zo bijzondere wijze is verbonden met het Offer van Christus"[11].

Tijdens de algemene audiëntie van 25 maart 1981 sprak de Heilige Vader van het "hoogste getuigenis" waarmee Mgr. Romero "met bloed zijn ambt bekroonde, vooral bekommerd om de armsten en de meest gemarginaliseerden"[12].

Op het begrip "offer van de Herder van de Kerk die zich voor zijn kudde heeft ingezet tot aan het geven van zijn leven toe"[13], zal de Heilige Vader nog terugkomen tijdens de algemene audiëntie van 23 maart 1983.

Pater Sorge legt impliciet uit waarom men op Mgr. Romero de term martelaar kan toepassen, wanneer hij schrijft: "Als de christenen eens de dood onder ogen zagen om niet de valse goden of de ‘goddelijke keizer' te dienen, in wie het onmogelijk was het beeld van God te herkennen, dan blijken de christenen van de nieuwe tijden de dood onder ogen te zien om de armen en de onderdrukten te dienen, in wie zij het lijdende gelaat van Christus wel moeten herkennen. Dit is de les, het testament van de aartsbisschop van San Salvador"[14].

Op het einde van zijn biografie van Mgr. Romero stelt Morozzo della Rocca, na Rahner te hebben aangehaald die spreekt over een vorm van martelaarschap in odium justitiae, zich de vraag of het mogelijk is om op Mgr. Romero het verband tussen zijn dood en het odium fidei van de vervolger toe te passen.

"Was het in odium fidei" - zo vraagt Morozzo della Rocca zich af - "dat Romero werd vermoord? Voor degenen die hem tijdens zijn leven vijandig waren gezind, zou Romero gedood zijn uit haat tegen zijn politieke standpunten. Het is echter moeilijk te ontkennen dat Romero, een bisschop die aan het altaar werd gedood tijdens een viering van de eucharistische liturgie, is getroffen in odium fidei. Omwille van het geloof sprak Romero van verzoening, hield hij van de armen en vroeg hij om sociale gerechtigheid. Omwille van het geloof nodigde hij uit tot bekering en wees hij op de ‘zonde' van zijn tijdgenoten: dat was het kerygma, de kern van de evangelische boodschap, zoals hij zei in zijn prediking. Omwille van het vertrouwen in het evangelie zocht Romero geen bescherming tegen bedreigingen, liet hij zijn gelovigen niet in de steek, trok hij zich niet terug, maar aanvaardde hij de dood, waarvan hij inmiddels zeker was. Romero is een ‘martelaar van het evangelie', hij is gedood in odium fidei"[15].

De tijd die verstrijkt, verzwakt het getuigenis van Mgr. Romero niet, integendeel, hij versterkt het.

Onder de zeer vele motieven die het bestuderen en het voorhouden van de figuur van de aartsbisschop van San Salvador, evenals een juiste plaatsing van hem binnen de "christelijke heiligheid" rechtvaardigen, wijst Johannes Paulus II op één hiervan in twee verschillende toespraken, waar de Heilige Vader ons uitnodigt het offer van Mgr. Romero te respecteren en uit ideologisch belang niet tot een instrument te degraderen[16].

Welnu, indien wij dit offer willen respecteren en in zijn juiste context willen plaatsen, dan moeten wij de motieven ervan onderstrepen en opnieuw ontdekken.

De dood van Mgr. Romero is geen ongeluk op een traject, maar een daad waarnaar hij op weg is gegaan. De gewelddadige dood komt niet onverwacht, maar wordt voorbereid, aangekondigd. Er zijn, wat dat betreft, vele getuigenissen.

Pater Sorge maakt in het reeds aangehaalde artikel melding van een gesprek van hem met Mgr. Romero, waarin deze laatste spreekt over zijn nabije einde: "Ik weet het. Ook ik ben ter dood veroordeeld. Zodra ze kunnen, zullen ze me doden"
[17].

Pater Sorge geeft nog als commentaar: "Hij zei het zonder enig uiterlijk teken van spijt of angst, bijna glimlachend, met een kalmte die men niet kan veinzen, maar die alleen maar geboren kan worden uit een diep geloof en een liefde voor de mensen zoals die waarmee Christus heeft bemind"[18]. Het is Mgr. Romero zelf die zijn dood aankondigt in de kathedraal met nederigheid, met moed, met overgave aan de wil van God.

"Vanmorgen heeft een bericht mij bereikt dat ik op de lijst sta van hen die de komende week zullen worden geëlimineerd"[19].

In deze aankondiging is een gehoorzame afstandelijkheid ten opzichte van de machten van het kwaad, die zich op hem gaan storten.

Het leven gegeven aan een gelaat

Aan de andere kant van de dood ziet Romero de hand van God en hij geeft zich over aan gebed. Zijn leven telt niet, zijn martelaarschap is genade die hij niet verdient.

In dit opzicht zijn enkele woorden van Romero van betekenis over de zin van het martelaarschap, uitgesproken in mei 1977, na de moord op pater Alfonso Navarro: "Niet allen, zegt het Tweede Vaticaans Concilie, zullen de eer hebben fysiek hun bloed te geven, gedood te worden voor het geloof; God vraagt echter van al degenen die in Hem geloven, een geest van martelaarschap, dat wil zeggen, wij moeten allen bereid zijn te sterven voor ons geloof, ook als de Heer ons deze eer niet vergunt. Wij, ja wij zijn bereid, opdat wij kunnen zeggen, wanneer ons uur komt om verantwoording af te leggen: ‘Heer, ik was bereid om mijn leven te geven voor U. En ik heb het gegeven'. Want het leven geven, betekent niet alleen gedood worden; een geest van martelaarschap hebben is geven in plicht, in stilte, in gebed, in het eerlijk vervullen van de plicht; het is een beetje bij beetje geven van het leven in de stilte van het dagelijks leven, zoals een moeder dat geeft die zonder vrees, met de eenvoud van het moederlijk martelaarschap haar kind baart, voedt, doet groeien en met liefde verzorgt"[20].

Twee jaar later tekent hij bij een bezoek aan de St. Pieterbasiliek in zijn dagboek aan: "Vanmorgen ben ik opnieuw naar de St. Pieter gegaan en heb ik bij de altaren, die ik zeer bemin, van de heilige Petrus en zijn huidige opvolgers van deze eeuw met aandrang gevraagd om de gave van trouw aan mijn christelijk geloof en de moed om, mocht dat nodig zijn, te sterven, zoals al deze martelaren stierven, of om te leven, mijn leven heiligend, zoals deze moderne opvolgers van Petrus het hebben geheiligd"[21].

Laten wij nog eens luisteren naar de woorden van Mgr. Romero gedurende zijn laatste homilie, voordat zijn bloed werd vergoten op het altaar in vereniging met het geslachtofferde Offer bij uitstek: "Deze Heilige Mis, deze eucharistie is nu juist een daad van geloof. Uit het christelijk geloof weten wij dat op dit ogenblik de hostie van graan verandert in het lichaam van de Heer voor de verlossing van de wereld en dat de wijn in deze kelk verandert in het bloed, prijs voor het heil. Mogen dit lichaam en dit bloed, geofferd voor de mensen, ons voeden om ook ons lichaam en bloed te geven voor het lijden en de pijn, zoals Christus, niet voor zichzelf, maar om vruchten van gerechtigheid en vrede te geven aan ons volk"[22].

Het lijkt mij heel duidelijk dat deze dood de sleutel is tot een interpretatie van het leven en heel het handelen van de Salvadoraanse bisschop. Wanneer men hiervan afziet, zou welke interpretatie dan ook een vervalsing en een beperking blijken te zijn en dan zou Mgr. Romero tot een instrument worden gedegradeerd voor ideologische belangen die geen deel uitmaken van de diepe motivatie van zijn offer.

Een eerlijke interpretatie van het leven van Mgr. Romero staat geen enkel ideologisch degraderen tot een instrument toe, aangezien Mgr. Romero voor geen enkele ideologie sterft. Hij sterft voor concrete gezichten.

Het lijkt mij dat de interpretatie die het meest bij zijn persoon past, de "mystieke" is. Romero is een mysticus. Hij schouwt het gelaat van de Vader. En de dynamiek van het schouwen van het gelaat van de Vader zal hem ter dood brengen.

Het zou interessant zijn de geschriften en de toespraken te onderzoeken van voor zijn benoeming tot bisschop van San Salvador, te beginnen bij die uit zijn jeugd, vanaf de eerste jaren van zijn studie, zijn doctoraalscriptie, waarvoor hij het onderwerp had gekozen, maar die hij nooit afmaakte. Waarom een scriptie maken over een ascetisch-mystieke schrijver uit de zestiende eeuw, zoals pater Luis de la Puente?[23].

Ongetwijfeld komt Romero naar Salvador met de faam een conservatieve bisschop te zijn, met een sterke, maar onthechte spiritualiteit. Zijn houding ten opzichte van de onrust die in Latijns Amerika op verschillende plaatsen groeide, was bekend. Velen in de hogere militaire en economische kringen verheugden zich over zijn benoeming[24].

Waar lag dan het uitgangspunt van een zo krachtige en zo vleesgeworden keuze die hem welbewust ter dood zal brengen?

Jon Sobrino ziet dit uitgangspunt in het geloof in God.

Indien Mgr. Romero op deze wijze werkte als kerkelijk en maatschappelijk leader, dan kwam dat door zijn diepe geloof in de God van Jezus. Daarom kon een zo godsdienstig, zo spiritueel, zo groot volgeling van Jezus, zonder op te houden, integendeel, juist door dit te zijn, het leven van de Kerk vernieuwen en het land richting geven op de weg van zijn bevrijding"[25].

Romero is geen theoloog van beroep en nog minder een ideoloog. Hij is een man van geloof. Hij vindt in het contact met God de kracht van zijn woorden.

In de homilie van de tweede zondag van de Veertigdagentijd (2 maart 1980) staat deze veelzeggende bekentenis: "Ik wil u ook met de vreugde van een herder meedelen dat ik deze week mijn retraite heb gehouden... Gisteren, toen een journalist mij vroeg waar ik de inspiratie vond voor mijn werk en mijn prediking, zei ik tegen hem: ‘Uw vraag komt zeer gelegen, omdat ik net uit mijn retraite kom. Als het niet was voor het gebed en de reflectie waarmee ik tracht met God verbonden te blijven, dan zou ik niets anders dan een galmend bekken zijn'"[26].

En een week later zal hij op het thema terugkomen: "De mensen die het volk langs Gods wegen leiden, moeten persoonlijk een Godservaring hebben gehad"[27].

Deze Godservaring is dus het uitgangspunt van het handelen van Romero.

Hier stelt zich de vraag betreffende hoe deze man tot een zo precieze keuze voor het onderdrukte volk komt.

Hier doet zich een feit voor waarvan wij zouden kunnen zeggen dat het de "bekering" van Romero is.

Het onderzoek van dit feit lijkt ons Rahner gelijke te geven, wanneer hij spreekt over de bekering als "een fundamentele en het leven in zijn totaliteit betreffende inzet in de richting van God, in de mate waarin dit gebeurt met een hogere (zij het betrekkelijke) graad van reflectie en die daarom in de geschiedenis van een leven een op de een of andere wijze vast te stellen punt heeft in de tijd"[28]. Wel, een "bepaalde graad van reflectie die in de tijd kan worden vastgesteld", hebben wij in een precieze gebeurtenis: de moord op pater Rutilio Grande, die plaatsvond op 12 maart 1977[29].

Een blijvende bekering tot God en de mensen

"Het was de moord op de jezuïet Rutilio Grande, initiator van de plattelandsgemeenschappen in Aguilares die hem de ogen opende"[30].

De dood van pater Rutilio Grande betekende het ogenblik van de "bekering" van Romero naar de armen.

Romero zegt dat hij in Rutilio Grande "een broer" heeft gezien "die op zeer belangrijke ogenblikken in mijn leven mij zeer nabij is geweest en deze gebaren vergeet je nooit"[31]; hij ziet een sprekend voorbeeld in hem. Op plastische manier wijst hij dit  voorbeeld aan in "het gelaat, naar de hemel gericht, in gezelschap van twee boeren"[32].

Die nacht, doorgebracht in gebed naast zijn vermoorde vriend, markeert het ogenblik van pastorale ommekeer van deze grote bisschop. Hij heeft "dat gelaat" voor ogen, "gericht op de hemel, in gezelschap van twee boeren": het gelaat van Christus, dat Romero vanaf zijn jeugd heeft aanbeden en gevolgd.

De "bekering" van Romero wordt dus gekenmerkt als een bekering tot het gelaat van Christus, dat wordt herkend in de geschiedenis van de mensen, waarvan hij deel uitmaakt.

Wanneer men spreekt van bekering, dient te worden gepreciseerd dat men moet verwijzen naar de blijvende bekering van de christen en de bisschop die in het volle bewustzijn zijn pastorale taken op zich wil nemen, en wel zo dat hij in een dramatische en verwarde crisissituatie defensor civitatis wordt in het voetspoor van de traditie van de oude kerkvaders: hij verdedigt de vervolgde geestelijkheid, hij beschermt de armen, hij bevestigt de mensenrechten, waarbij hij het pauselijk leergezag en dat van het Concilie letterlijk neemt[33]. De dood van de jezuïet Rutilio Grande en de dubbelzinnige wijze waarop deze hem door de president van de republiek werd bericht[34], vormden voor Mgr. Romero een teken dat hij wel moest interpreteren. De feiten toonden hem een andere werkelijkheid van het verleden en een verschillende positie van hem in de verantwoordelijkheid ten opzichte hiervan. Dit alles vereiste een ander soort antwoord waaraan Mgr. Romero zich niet onttrok[35]. Meer dan van een bekering zou het volgens Mgr. Rosa Chávez, de voorganger van Romero in San Salvador, juister zijn te spreken van een natuurlijke evolutie in degene die een blijvende bekering beleeft, in een totale opening naar God en de mensen toe[36].

Langs deze lijn beweegt zich ook de interpretatie van Mgr. Arturo Rivera Damas, vroeger samen met Mgr. Romero hulpbisschop van Mgr. Chávez en vervolgens opvolger van dezelfde Romero. Bij de presentatie van de door pater Jesús Delgado geschreven biografie schrijft hij het volgende: "Ik ben het eens met hen die een dergelijke verandering een bekering noemen. Het is echter voor mij een grote voldoening uit het onderzoek van Delgado op te maken dat het niet een plotselinge verandering betrof, zoals dat gebeurde bij de heilige Paulus, maar een langzame bekering, zoals dat gewoonlijk gebeurt bij gewone stervelingen, in ieder van ons: zij rijpte langzamerhand in het hart van die mens, soms gekweld, soms onverschrokken, maar altijd edelmoedig. Ik geloof dat Delgado erin is geslaagd om exact het moment te bepalen van het ‘uur van die verandering'"[37].

Laten wij Romero nog eens lezen in zijn homilie van de vierde zondag van de Veertigdagentijd (16 maart 1980): "Als wij zouden zien dat Christus de behoeftige mens is, de gemartelde mens, de gevangengenomen mens, de vermoorde mens; en wij in iedere mens die op zo onwaardige wijze langs onze wegen is weggegooid, de weggegooide Christus zouden zien, dan zouden wij hem oprapen als een edelsteen en hem kussen zonder ons te schamen voor hem... De mens is Christus en in de mens die met geloof wordt gezien en behandeld, aanschouwen wij Christus, de Heer..."[38].

De "bekering" van Romero is niet een bekering tot een of andere ideologie.

"Romero es nuestro", riep Johannes Paulus II uit, geknield voor de tombe van Mgr. Romero[39].

Het bezoek van Johannes Paulus II aan het graf van Mgr. Romero werd "hardnekkig" door de Heilige Vader zelf gewild tegen de voorwaarden in die door de regering waren gesteld en zelfs tegen de raad van de Bisschoppen in.

Kardinaal Roberto Tucci, in die tijd degene die de reizen van de paus naar het  buitenland organiseerde, vermeldt dit in een recent interview in "L'Osservatore Romano", opgenomen in "La Civiltà Cattolica".

Kardinaal Tucci getuigt hierover: "Ik wil graag beginnen met te herinneren aan de moed die paus Wojtyla toonde bij het onder ogen zien van moeilijke, soms hachelijke of gevaarlijke omstandigheden. Hij was koppig. Hoe kunnen wij zijn vastberadenheid vergeten, toen hij kost wat kost wilde bidden op het graf van aartsbisschop Oscar Arnulfo Romero in San Salvador. Een van de door de regering gestelde voorwaarden om toe te stemmen in het bezoek was dat graf te negeren. De bisschoppen raadden de paus af erheen te gaan. Er was niets aan te doen: Johannes Paulus II wilde het doen, omdat het een bisschop was die was gedood, terwijl hij de Eucharistie vierde. Toen wij bij de plaats kwamen, vonden wij de kathedraal vergrendeld. De paus zette zich schrap en zei dat hij zich niet vandaar zou bewegen, totdat het hem was toegestaan op het graf te bidden. Wij bleven lang op het verlaten plein. De politie had allen doen verdwijnen, er was niemand. Vervolgens kwam de sleutel er echter en de paus kon lange tijd bij het graf verblijven"[40].

Romero niet degraderen tot een instrument uit ideologisch belang, zoals Johannes Paulus II vroeg, is hem in verband brengen met de gezichten die hij voor zich had en waarin hij het gelaat van Christus ontwaarde. Niet het gelaat van de zegevierende Christus, maar dat van Christus dat was veranderd in Getsemani, op Calvarië, op Golgota. Romero ziet. Hij ziet "gezichten van campesinos zonder land, beledigd door de strijdkrachten en het gezag. Gezichten van arbeiders die zonder reden zijn ontslagen, zonder voldoende loon om het eigen gezin te onderhouden, gezichten van ouderen, gezichten van gemarginaliseerden, van krottenbewoners, gezichten van arme kinderen die al vanaf hun jeugd de wrede greep van maatschappelijk onrecht beginnen te voelen"[41].

Romero ziet, omdat hij "de Godservaring" heeft gehad, hij ziet, omdat hij niet een mens is, in zichzelf "gekeerd" en als zodanig alleen maar in staat naar zichzelf en zijn problemen te kijken.

De persoonlijke zonde als oorsprong van de maatschappelijke zonde

Romero komt aanhoudend terug op het thema van boete, bekering van het hart, bevrijding van de persoonlijke zonde.

"De eerste bevrijding die moet worden verwerkelijkt om een politieke groepering die werkelijk de bevrijding van het volk wil, ingang te doen vinden, moet de bevrijding van de eigen zonden zijn. Zolang men slaaf is van zonde, wreedheid en haat, kan men niet iemand zijn die geschikt is om het volk te bevrijden"[42].

En in de reeds aangehaalde Messa esequiale per il Padre Rutilio Grande vinden wij opnieuw hetzelfde thema: "Zolang men niet leeft in een bekering van het hart, een leer die wordt verlicht met het geloof om het leven te richten naar Gods hart, zal alles zwak zijn, revolutionair, voorbijgaand, gewelddadig"[43].

Romero laat ons aan de vooravond van zijn dood, op de vijfde zondag van de Veertigdagentijd, zijn testament na[44].

In het voetspoor van de meest authentieke christelijke visie dringt hij aan op een bekering van het hart, op een persoonlijke bekering van het hart. Hij wantrouwt wie zich verbergt achter de anonimiteit van "structurele ongerechtigheid, geïnstitutionaliseerd geweld, maatschappelijke zonde". Hij zoekt de oorsprong van deze "maatschappelijke zonde" en vindt deze "in het hart van ieder mens". Daar moet vooral de zonde worden bestreden, daar levert men het beslissende gevecht, daar moet men beginnen.

De maatschappelijke zonde is een gevolg van de persoonlijke zonde van de mens. "Daarom begint het heil bij de mens, bij de waardigheid van de mens, bij het ontrukken van iedere mens aan de zonde... In de Veertigdagentijd is dit de uitnodiging van God: bekeert u individueel". Romero ziet in de zonde, in de zonde die in de diepte van het hart van de mens is, nog voordat deze zich manifesteert in uiterlijke daden en uitkristalliseert in sociale structuren, de oorsprong van het kwaad dat intussen de overhand op hem dreigt te krijgen.

"In het hart van de mens zijn er vormen van egoïsme, afgunst, verafgoding en daar ontstaan verdeeldheid, hebberigheid... Derhalve dient deze bron van alle verslaving te worden gezuiverd. Waarom is er slavernij? Waarom is er marginalisering? Waarom is er analfabetisme? Waarom zijn er ziekten? Waarom is er een volk dat klaagt en lijdt? Dat alles is een aanklacht tegen het bestaan van de zonde".

Romero ziet de beperktheden van iedere bevrijding die niet uitgaat van de bekering van het hart van de mens. Voor hem "zal elke oplossing voor een politieke organisatie die rekening houdt met het algemeen welzijn van de Salvadoranen, altijd moeten worden gezocht in het geheel van de definitieve bevrijding". Indien men niet wil vervallen tot de illusie van gemakkelijke en tragische ad hoc-oplossingen, moet men volgens Romero naar de kern van het probleem gaan, naar hetgeen "de Kerk zal blijven verkondigen: het berouw over uw persoonlijke zonden".

In deze visie verbazen de woorden van Romero niet: "Er is geen betere tijd, geloof ik, om het vaderland te helpen dan een Veertigdagentijd die wordt beleefd als een campagne van gebed en boete"[45].

Romero is gestorven, omdat hij heeft gezien. Hij heeft het gelaat van God gezien en hij heeft het gelaat van zijn volk gezien. Hij heeft het gelaat van de onderdrukten gezien, maar hij heeft ook het gelaat van zijn onderdrukkers gezien.

Hij is gestorven, omdat hij allen heeft opgeroepen tot bekering. Hij heeft ons eraan herinnerd dat "Jezus niemand heeft uitgesloten noch van zijn boodschap, noch van zijn uitnodiging om het Rijk binnen te gaan. Hij heeft al zijn tijdgenoten liefgehad; en juist omdat hij allen werkelijk liefhad, heeft hij van hen de bekering gevraagd"[46], die Romero goed heeft ervaren in zijn vlees en die "moeilijk en pijnlijk is, omdat de verandering die wordt gevraagd, niet alleen betrekking heeft op een manier van denken, maar ook op een manier van leven"[47].

De weg van de blijvende bekering, zo leert ons deze grote bisschop, is de harde en moeilijke weg die leidt naar Calvarië. Het is de weg die begint in het hart om de wereld te bereiken in de omarming van het kruis.

Het is de moeilijke en smartelijke weg die ons brengt tot de exodus en de diaspora, tot de dood van verworven zekerheden en geconsolideerde gevoelens. Het is echter de enige weg die ons trouw aan God en de mensen maakt, die het mogelijk maakt dat in ons lichaam dat wordt geofferd, de verzoening tussen God en de wereld plaatsvindt.

In een tekst van Puebla, die wordt hernomen in Redemptoris missio, staat "dat de armen bij voorkeur de aandacht verdienen, onverschillig in welke morele of persoonlijke situatie zij zich bevinden. Het beeld van God in de mensen, die geschapen zijn als beeld en gelijkenis van God om zijn kinderen te zijn, wordt verduisterd en zelfs gekwetst. Daarom verdedigt en bemint God hen. Daaruit volgt dat de missie allereerst bestemd is voor de armen en hun evangelisatie is bij uitstek teken en bewijs van de zending van Jezus"[48].

Deze armen had Romero lief tot aan de hoogste raad van het martelaarschap toe en hierin gaf hij "een teken en bewijs van de zending van Jezus".

Hij opent voor ons de weg naar een begrip van de tekst van Redemptoris missio, die ons eraan herinnert dat het "de liefde" is "die de drijfveer voor de missie is en blijft en ook de enige maatstaf volgens welke alles gedaan of niet gedaan, veranderd of niet veranderd moet worden. Zij is het beginsel dat iedere daad moet leiden en het doel waarnaar iedere daad moet streven. Als men handelt met het oog op de liefde of geïnspireerd door de liefde, is niets ongepast en alles goed"[49].

Dit vergeten of tussen haakjes zetten wil zeggen dat wij ons afsluiten voor het begrip van de diepe betekenis die Johannes Paulus II aan het thema nieuwe evangelisatie heeft gegeven.

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)


* Emilio Grasso, Hanno creduto in un mondo nuovo. Volti di speranza nell'America Latina di ieri e di oggi, Editrice Missionaria Italiana, Bologna 2005, 37-53.




[1] Voor een analyse van de betekenis en de inhoud van de uitdrukking "nieuwe evangelisatie" verwijzen wij naar: P. Giglioni, Perché una "nuova" evangelizzazione, in "Euntes Docete" 43 (1990) 5-36; P. Giglioni, Il vocabolario missionario, in "Euntes Docete" 44 (1991) 265-285. Wat betreft de recentste vragen die ze opwekt, vgl. J. Rigal, La Nouvelle Évangélisation. Comprendre cette nouvelle approche. Les questions qu'elle suscite, in "Nouvelle Revue Théologique" 127 (2005) 436-454.

[2] Redemptoris missio, 90.

[3] Vgl. E. Grasso, Fondamenti di una spiritualità missionaria. Secondo le opere di Don Divo Barsotti, Università Gregoriana Editrice (Documenta Missionalia 20), Roma 1986, 46.

[4] De literatuur over Mgr. Romero wordt steeds omvangrijker. Een van de jongste werken in de rij is de gedocumenteerde en diepgaande tekst van R. Morozzo della Rocca, Primero Dios. Vita di Óscar Romero, Mondadori, Milano 2005.

[5] Voor een analyse van en een reflectie op het epistemologisch statuut van het martelaarschap uitgaande van de door de geschiedenis gegeven nieuwe situaties, vgl. A. Melloni, Martirio y santidad en el siglo XX, in R. Morozzo della Rocca (ed.), Óscar Romero. Un obispo entre guerra fría y revolución, San Pablo, Madrid 2003, 243-263; vgl. A. Riccardi, Ils sont morts pour leur foi. La persécution des chrétiens au XXe siècle, Plon/Mame, Paris 2002.

[6] Domenica a San Salvador le esequie di mons. Romero, in "L'Osservatore Romano" (28-03-1980) 4.

[7] Vgl. M. Pellegrino, Monsignor Óscar Romero: testimone della fede, martire per la giustizia, in "Vita e Pensiero" 63/6 (1980) 2-7.

[8] Romero... y lo mataron. Scritti e discorsi di una vittima della repressione in America Latina, A.V.E., Roma 1980, 271.

[9] Romero... y lo mataron..., 273.

[10] V. Volpini, Morire per Cristo, in "L'Osservatore Romano" (26-03-1980) 1.

[11] Giovanni Paolo II, Supplica a Dio per la pace nel Salvador (2-04-1980), in Insegnamenti, III/1, 797.

[12] Giovanni Paolo II, Ricordo dell'Arcivescovo di San Salvador Óscar Romero (25-03-1981), in Insegnamenti, IV/1, 771.

[13] Giovanni Paolo II, Ricordo di mons. Romero nel terzo anniversario della morte (23-03-1983), in Insegnamenti, VI/1, 801.

[14] B. Sorge, L'assassinio di mons. Óscar A. Romero, Arcivescovo di San Salvador, in "La Civiltà Cattolica" 131/II (1980) 64.

[15] R. Morozzo della Rocca, Primero Dios..., 368.

[16] Vgl. Giovanni Paolo II, Omelia alla Messa celebrata al "Metro Centro" di San Salvador (6-03-1983), in Insegnamenti, VI/1, 602; vgl. Giovanni Paolo II, Ricordo di mons. Romero nel terzo anniversario..., 801.

[17] B. Sorge, L'assassinio di mons. Óscar A. Romero..., 65.

[18] B. Sorge, L'assassinio di mons. Óscar A. Romero..., 65.

[19] O.A. Romero, Homilía 1° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 24-02-80). De passages uit de homilieën van Mgr. Romero die in deze tekst worden geciteerd, komen van de site: http://www.servicioskoinonia.org/romero. Van nu af zullen wij de titel, de cyclus en de datum van de homilie aanduiden.

[20] Homilía 6° Domingo de Pascua (ciclo C, Planes de Renderos 15-05-77).

[21] Mons. Óscar Arnulfo Romero, Su Diario. Desde el 31 de marzo de 1978 hasta jueves 20 de marzo de 1980, Publicación del Arzobispado de San Salvador, 1970, 175.

[22] Homilía del 1° aniversario de la Sra. Sara De Pinto (última Homilía de mons. Óscar A. Romero) (ciclo C, 24-03-80); gecorrigeerd door R. Morozzo della Rocca op basis van het luisteren naar de originele tekst, vgl. R. Morozzo della Rocca, Primero Dios..., 345-346.

[23] Vgl. kaartsysteem scripties van de Pontificia Università Gregoriana; vgl. J. Delgado Acevedo, La cultura de monseñor Romero, in R. Morozzo della Rocca (ed.), Óscar Romero..., 47-64.

[24] Vgl. A. Levi, Óscar A. Romero. Un Vescovo fatto popolo, Morcelliana, Brescia 1981, 23-25.

[25] J. Sobrino, Monseñor Romero mártir de la liberación. Análisis teológico de la figura y obra de mons. Romero, in "Misiones extranjeras" n. 57 (1980) 284.

[26] Homilía 2° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 02-03-80).

[27] Homilía 3° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 09-03-80).

[28] K. Rahner, Conversione, in Sacramentum Mundi, II, Morcelliana, Brescia 1974, 623.

[29] Over de figuur en het handelen van pater Rutilio Grande, vgl. G. Arroyo, El Salvador: les risques de l'Evangile, in "Etudes" 348 (1976) 293-311; vgl. R. Cardenal, Historia de una esperanza. Vida de Rutilio Grande, UCA Editores, San Salvador 1985.

[30] G. Arroyo, La conversion et la mort d'Óscar A. Romero, in "Etudes" 352 (1980) 581; vgl. J. Sobrino, Monseñor Óscar A. Romero. Un obispo con su pueblo, Editorial Sal Terrae, Santander 1990, 13-21.

[31] Homilía en la misa exequial del Padre Rutilio Grande (14-03-77).

[32] Homilía en la misa exequial del Padre Rutilio Grande (14-03-77).

[33] Vgl. R. Morozzo della Rocca, La controvertida identidad de un obispo, in R. Morozzo della Rocca (ed.), Óscar Romero..., 16. Volgens Sobrino "maakte" Mgr. Romero, "niet alleen een bekering of een belangrijke verandering door - zoals algemeen wordt erkend -, maar ook een evolutie van zijn opvatting over de Kerk en in zijn met haar meevoelen", vgl. J. Sobrino, Prólogo. El sentir de Monseñor con Dios, con el pueblo y con la Iglesia, in D. Marcouiller, El sentir con la Iglesia de Monseñor Romero, Editorial Sal Terrae, Maliaño (Cantabria) 2004, 20.

[34] Vgl. J. Delgado, Monseñor. Vita di Óscar Arnulfo Romero, Paoline, Cinisello Balsamo (MI) 1986, 120.

[35] Vgl. H. Dada Hirezi, Monseñor Romero y la política en El Salvador, in R. Morozzo della Rocca (ed.), Óscar Romero..., 209-210.

[36] Cit. in R. Morozzo della Rocca, La controvertida identidad de un obispo, in R. Morozzo della Rocca (ed.), Óscar Romero..., nota 3, 16.

[37] A. Rivera Damas, Presentazione, in J. Delgado, Monseñor..., 5.

[38] Homilía 4° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 16-03-80). Hierin vinden wij opnieuw, zoals in andere homilieën van Mgr. Romero, de diepe weerklank van de hartstocht die Las Casas bezielde: zijn liefde voor de levende Christus, gegeseld, in het gezicht geslagen, gekruisigd en gestorven in de arme gevangenen van de Indiën, niet één keer, maar duizenden keren. Hieruit komt zijn overtuiging voort dat Christus liefhebben ertoe leidt de Indios te bevrijden en te verhinderen dat men hun voortijdig het leven ontneemt, d.m.v. het stelsel van de encomienda. Wij vinden nogmaals de diepe betekenis van de arme en zijn concrete, materiële, tijdelijke leven en bij deze gelegenheid wordt hij geïdentificeerd met Christus. Hem beroven, uitbuiten, doden betekent de naam van Christus vervloeken, vgl. G.Gutiérrez, En busca de los pobres de Jesucristo. El pensamiento de Bartolomé de Las Casas, Ediciones Sígueme, Salamanca 1993, 103.

[39] Vgl. A. Riccardi, Ils sont morts..., 440.

[40] M. Ponzi, Un testimone della Chiesa contemporanea. A colloquio con il cardinale Roberto Tucci, in "La Civiltà Cattolica" 161/1 (2010) 227.

[41] Homilía 2° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 02-03-80).

[42] Homilía 2° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 02-03-80).

[43] Homilía en la misa exequial del Padre Rutilio Grande (14-03-77).

[44] De volgende citaten tussen aanhalingstekens zijn ontleend aan Homilía 5° Domingo de Cuaresma (ciclo C, 23-03-80).

[45] Homilía 6° Domingo de Tiempo Ordinario (ciclo C, 17-02-80). Bij Romero gaan bekering van het hart en verzoening-gerechtigheid-vrede in de wereld te midden van conflicten hand in hand.

[46] La Chiesa Corpo di Cristo nella storia. Lettera pastorale di mons. Óscar A. Romero 6 agosto 1977, in "Il Regno-documenti" 23 (1978) 17.

[47] La Chiesa Corpo di Cristo nella storia..., 14.

[48] Documento di Puebla, 1142; Redemptoris missio, 60.

[49] Redemptoris missio, 60.



20/10/2018

 
Website van de missionaire Gemeenschap Redemptor hominis